1 Samuël 29:6-11
Indien de redenen, die Achis had om vertrouwen te hebben in David, sterker waren dan die van de oversten om hem te wantrouwen (maar in staatkundigen zin zie ik niet dat zij sterker waren, want de oversten hadden ongetwijfeld gelijk) dan was Achis toch slechts een tegen vijf, al was hij dan ook de voornaamste en de enige, die de titel had van koning.
Dientengevolge werd hij dan ook in een krijgsraad, die toen belegd werd, overstemd, en was hij verplicht David weg te zenden, ofschoon hij hem zeer beminde. Koningen kunnen niet altijd doen wat zij willen, noch hen om zich heen hebben, die zij gaarne zien.
1. Het ontslag, dat Achis hem geeft, is zeer eervol, het is ook geen ontslag voor altijd, maar slechts uit de tegenwoordigen dienst.
a. Hij geeft hem te kennen dat hij groot genoegen en voldoening heeft gevonden in zijn omgang: gij zijt aangenaam in mijn ogen als een engel Gods, vers 9.
Wijze en Godvruchtige mensen zullen eerbied en achting verkrijgen, waar zij ook heengaan, van allen, die personen en zaken naar de rechte waarde weten te schatten, al zijn zij ook van een verschillende Godsdienstige belijdenis. Wat Achis zei van David, heeft God door de profeet gezegd van het huis Davids, dat het zal zijn als de engel des Heeren, Zacheria 12:8. Maar het eerste is een hoofse plichtpleging, het laatste is een Goddelijke belofte.
b. Hij geeft hem getuigenis van zijn goed gedrag, vers 6. Het is zeer volledig en in zeer vriendelijke bewoordingen vervat: "Gij zijt oprecht, geheel uw wandel was goed in mijn ogen, want ik heb geen kwaad bij u gevonden".
Saul zou hem zo'n getuigenis niet hebben gegeven, hoewel hij hem veel meer dienst bewezen heeft dan aan Achis.
Gods volk moet zich altijd zo onberispelijk gedragen, dat zij, zo het mogelijk is, het goede woord verkrijgen van allen met wie zij omgaan, en aan hen, die zich goed tegenover ons hebben gedragen, zijn wij het verschuldigd, dat wij er hun de lof voor geven.
c. Hij legt geheel de schuld van zijn ontslag op de oversten, die volstrekt niet willen dulden, dat hij in het leger zal blijven. "De koning bemint u en zou zijn leven in uw hand willen stellen maar gij zijt niet aangenaam in de ogen van de vorsten, wij moeten hen niet ontstemmen, en wij kunnen hen niet tegenstaan, zo keer nu om en ga in vrede".
Hij moet liever scheiden van zijn gunsteling, dan ontevredenheid verwekken onder zijn generaals en een muiterij in zijn leger. Hij geeft een reden op voor hun achterdocht. Zij gold niet zozeer hemzelf, als wel de krijgslieden, die hem vergezelden die tij de knechten zijns heren (namelijk van Saul) noemt, vers 10, hem konden zij vertrouwen, maar niet hen.
Hij beveelt hem vroeg heen te gaan, zodra het licht geworden is vers 10, om hun verderen toorn te voorkomen, en de achterdocht, die zij zouden kunnen opvatten, indien hij toefde. 2. David nam die rede zeer hoffelijk op, maar niet geheel zonder veinzen, vrees ik. "Hoe!" zegt hij, "moet ik mijn heer de koning verlaten, die ik door mijn ambt verplicht ben te beschermen, juist op het ogenblik, nu hij zich op het oorlogsveld in gevaar gaat begeven?
Waarom mag ik niet meegaan en strijden tegen de vijanden mijns heren des konings? vers 8.
Hij scheen verlangend om hem te dienen, op een tijdstip toen hij in werkelijkheid zeer begerig was hem te verlaten maar hij wilde niet dat Achis dit zou weten.
Niemand weet hoe sterk de verzoeking is om vleiende plichtplegingen te maken en te veinzen, waarin diegenen zich bevinden, die in dienst zijn van de groten van de aarde, en hoe moeilijk het is om dit te vermijden.
3. Gods voorzienigheid heeft het genadiglijk en wijselijk voor hem beschikt, want behalve dat de strik gebroken en hij uit het dilemma was, waarin hij zich had bevonden, bleek het een gelukkig haasten voor hem om zijn eigen stad te hulp te komen, die hem zeer nodig had, hoewel hij het niet wist. Zo is de ongenade, waarin hij bij de vorsten van de Filistijnen was, op meer dan een wijze voordelig voor hem geweest.
De gangen des Godvruchtigen worden door de Heere bestuurd, en Hij heeft lust aan zijn weg. Wat Hij met ons doet weten wij nu niet, maar wij zullen het daarna verstaan en weten, dat het ons geheel ten goede was.