1 Samuël 28:1-6
I. Hier is het vijandig voornemen van de Filistijnen tegen Israël, zij vergaderen zich om tegen Israël te strijden, vers 1.
Indien de Israëlieten God niet hadden verlaten, zouden er geen Filistijnen zijn overgebleven om hen te verontrusten, indien Saul Hem niet had verlaten, zij zouden nu buiten alle gevaar van hen geweest zijn. De Filistijnen maakten gebruik van de gelegenheid, dat David onder hen was, om deze aanval te doen, want hem vreesden zij meer dan Saul met zijn gehele krijgsmacht.
II. De verwachting, die Achis had van Davids hulp in deze krijg, en de bemoediging, die David hem gaf om die hulp van hem te verwachten: Gij zult zekerlijk weten, dat gij met mij in het leger zult uittrekken, zegt Achis, "als ik u bescherm, dan heb ik recht dienst van u te eisen", en hij zal zich gelukkig achten om een man als David aan zijn zijde te hebben, die voorspoedig was, waar hij ook heenging. David gaf hem een dubbelzinnig antwoord, "wij zullen zien wat er gedaan zal worden, het zal later tijd genoeg wezen om daarvan te spreken, maar aldus zult gij weten, wat uw knecht doen zal, vers 2, dat is: ik zal zien op welke post ik het best instaat zal zijn u te dienen, zo gij mij wilt toelaten die post te kiezen." Aldus houdt hij zich vrij van een belofte om hem te dienen, en houdt hem toch in de verwachting er van.
Want Achis vatte het niet anders op dan als een verbintenis om hem te helpen, en hierop belooft hij hem, hem tot kapitein van de lijfwacht aan te stellen, of tot eerste staatsminister.
III. Het in slagorde stellen van de beide legers, vers 4. En de Filistijnen kwamen en vergaderden zich, en zij legerden zich te Sunem, dat in de stam van Issaschar lag, ver in het noorden van het land.
Het land Israël scheen slecht bewaakt te zijn, als de Filistijnen hun leger tot in het hart van het land konden doen oprukken. Terwijl Saul David vervolgde, liet hij het land bloot en onbeschermd. Op sommige bergen van Gilboa monstert Saul zijn krijgsmacht, en bereidt zich tot de strijd met de Filistijnen, waarvoor hij, nu de Geest des HEEREN van hem geweken was, weinig moed heeft.
IV. In welke vrees en verlegenheid Saul zich toen bevond. Toen Saul het leger van de Filistijnen zag, door zijn eigen waarneming en de berichten, die zijn verkenners hem brachten, bemerkte dat het talrijker was, beter gewapend en met meer moed bezield dan het zijne, werd hij zo bevreesd, dat zijn hart beefde, vers 5.
Had hij zich dicht aan God gehouden, dan had hij op het zien van een Filistijns leger niet behoeven te vrezen, maar nu hij er God toe gebracht had hem te verlaten, was zijn invloed weg, zijn leger geslonken, zodat het een armzalig aanzien had, en, wat erger was, zijn eigen moed en geestkracht begaven hem.
Een schuldig geweten deed hem sidderen op het ritselen van een blad, nu gedacht hij aan het schuldige bloed van de Amalekieten, dat hij gespaard, en het onschuldig bloed van de priesters, dat hij vergoten had, zijn zonden worden hem ordelijk voor ogen gesteld, zij brengen hem in verwarring, verbijsteren hem in zijn raadsbesluiten, beroven hem van zijn moed, zodat hem niets overbleef dan een schrikkelijke verwachting des oordeels en de hitte des vuurs.
Benauwdheden zijn verschrikkingen voor de kinderen van de ongehoorzaamheid. En Saul vraagde den HEERE, vers 6. De nood drijft hen naar God, die ten dage van hun voorspoed Zijn orakelen en altaren hebben veronachtzaamd. "HEERE! in benauwdheid hebben zij U bezocht" Jesaja 26:16. Heeft ooit iemand de Heere gezocht en Hem niet gevonden? Ja, Saul deed het, de HEERE antwoordde hem niet, heeft noch op zijn smekingen, noch op zijn vragen acht geslagen, gaf hem geen aanwijzingen voor hetgeen hij doen moest, geen aanmoediging om te hopen dat Hij met hem zijn zal. Wordt Hij door zo iemand als Saul is ernstiglijk gevraagd? Ezechiël 14:3. Neen, hij kon geen antwoord des vredes verwachten, want:
1. Hij vroeg op zo'n wijze, dat het was, alsof hij in het geheel niet gevraagd had, niet ernstiglijk had gevraagd. Daarom wordt gezegd, dat "hij de HEERE niet gezocht heeft", 1 Kronieken 10:14, want hij deed het flauw en koud, en met het geheime voornemen om, zo God hem niet antwoordde, de duivel te raadplegen. Hij vroeg niet in het geloof, maar met een dubbelzinnig, onstandvastig hart.
2. Hij vroeg de Heere toen het te laat was toen zijn proeftijd voorbij was, en hij voor altijd was verworpen. "Zoekt den HEERE, terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan, terwijl Hij nabij is", Jesaja 55:6, want er is een tijd, wanneer Hij niet gevonden zal worden.
3. Hij had het voorrecht verbeurd van al de methodes om God te vragen. Kon hij, die Samuël en David, die beide profeten waren haatte en vervolgde, verwachten om door profeten een antwoord te verkrijgen?
Of hij, die de hogepriester had gedood, om door de urim geantwoord te worden?
Of hij, die de Geest van de genade verzondigd had, om door dromen een antwoord te verkrijgen?
Neen. "Dwaalt niet, God laat zich niet bespotten".
V. Het vermelden van sommige dingen, die voorlang geschied waren, ter inleiding van het volgende verhaal, vers 3.
1. De dood van Samuël. Samuël was gestorven, wat de Filistijnen des te stoutmoediger en Saul des te meer bevreesd maakte, want als Samuël nog in leven zou zijn, Saul zou waarschijnlijk gedacht hebben dat zijn tegenwoordigheid en zijn steun, zijn goede raad en zijn gebeden hem nu in zijn benauwdheid van goede dienst zouden zijn.
2. Sauls edict tegen toverij. Hij had de wetten doen uitvoeren tegen de waarzeggers en de duivelskunstenaars, die niet in het leven gelaten moesten worden, Exodus 22:18. Sommigen denken dat hij dit in het begin van zijn regering gedaan heeft, toen hij nog onder Samuëls invloed was, anderen denken dat het pas onlangs geschied was, want in vers 9 wordt er van gesproken als van een edict, dat pas onlangs was uitgevaardigd. Misschien heeft Saul, toen hijzelf door een bozen geest werd benauwd, gedacht dat hij betoverd was, en om die reden alle tovenaars doen ombrengen. Velen schijnen te ijveren tegen de zonde, als zij er zelf schade door lijden, (zij zullen vloekers aanklagen, die op hen vloeken, of dronkaards, die in hun dronkenschap hen mishandelen) maar anders zich niet zouden bekommeren om de ere Gods, noch afkeer zouden hebben van de zonde als zonde.
Toch was het prijzenswaardig in Saul, dat hij zijn macht gebruikt heeft tot verschrikking en beteugeling van deze boosdoeners. Velen schijnen vijanden van zonde in anderen, terwijl zij er zichzelf in toegeven. Saul zal de duivel verdrijven uit zijn koninkrijk, terwijl hij hem door afgunst en boosaardigheid in zijn eigen hart herbergt.