1 Samuël 20:1-8
I. David geeft aan Jonathan een voorstelling van de moeilijken toestand, waarin hij nu is. Terwijl Saul nog in zijn geestvervoering lag te Najoth, begaf David zich naar het hof, om Jonathan te spreken.
En het was gelukkig voor hem zo'n vriend aan het hof te hebben toen hij zo'n vijand had op de troon. Indien er zijn, die ons haten en verachten, zo laat dit ons niet ontroeren, want er zijn ook die ons liefhebben en eren, God heeft de een tegenover de ander gezet, en dat moeten ook wij doen. Jonathan was een vriend, die te allen tijde liefhad, David even liefhad in zijn benauwdheid en tegenspoed, hem even welkom heette in zijn armen, aan zijn hart, als toen hij voorspoedig en triomferend was, Hoofdstuk 18:1 en een broeder, die in de benauwdheid geboren is, Spreuken 17:17.
1. Nu beroept David zich op Jonathan zelf betreffende zijn onschuld, en hij behoefde ten bewijze er van niet veel tot hem te zeggen, slechts verlangt hij van hem, dat hij, zo hij wist dat hij zijn vader wezenlijk in het een of ander rechtmatig reden tot toorn had gegeven het hem zou zeggen, opdat hij zich dan voor hem kon verootmoedigen, en hem om vergeving kon vragen. Wat heb ik gedaan? vers 1. 2.
Hij tracht hem er van te overtuigen dat Saul hem, niettegenstaande zijn onschuld, naar het leven stond. Uit een beginsel van kinderlijke eerbied voor zijn vader is Jonathan er zeer afkerig van te geloven, dat hij zo slecht een daad bedoelde of ooit doen zou, vers 2.
Hij hoopte dit temeer omdat hij niets van zo'n voornemen gehoord had, en gewoonlijk met al zijn raadslagen en besluiten bekend gemaakt werd. Gelijk het een gehoorzamen zoon betaamde, poogde Jonathan dus zijns vaders schande te bedekken, voorzoveel dit bestaanbaar was met gerechtigheid jegens en trouw aan zijn vriend David.
De liefde is niet haastelijk gezind om van iemand kwaad te denken, inzonderheid niet van een ouder, 1 Corinthiers 13:5.
David verzekert hem dus met een eed van zijn eigen gevaar, klaagt Saul aan dat hij het op zijn leven toelegt. Zo waarachtig als de HEERE leeft -en niets is op zichzelf meer zeker dan dat-en uw ziel leeft, -en niets is voor u meer zeker dan dat-wat gij ook moogt denken er is maar een schrede tussen mij en tussen den dood! vers 3.
En het was gemakkelijk te verklaren, dat Saul dit voor Jonathan verborgen hield, hij kende de vriendschap tussen hem en David, en daarom raadpleegde hij hem wel in andere zaken, maar niet in deze.
Niemand was meer geschikt dan Jonathan om hem te dienen in alles wat rechtvaardig en eerlijk was, maar hij wist dat hij een te deugdzaam man was om zijn vertrouweling te zijn in zo laaghartig een voornemen als David te vermoorden was.
II. Jonathan biedt hem edelmoedig zijn diensten aan, vers 4. Wat uw ziel zegt (hij behoefde er niet het beding bij te stellen: mits het wettig en geoorloofd is, want hij kende David te goed om te denken dat hij iets zou zeggen dat niet wettig en geoorloofd was) dat zal ik u doen.
Dat is ware vriendschap. Aldus betuigt Christus Zijn liefde jegens ons: "Zo wat gij wilt zult gij begeren, en het zal u geschieden", en wij moeten de onze jegens Hem betuigen door Zijn geboden te houden.
III. David verlangt slechts van hem, dat hij voor zichzelf zekerheid zal zien te krijgen omtrent Sauls gezindheid, of hij al of niet begeerde hem te doden, en dat hij hem dit dan zal bekendmaken. Misschien heeft David dit meer tot Jonathans overtuiging voorgesteld dan voor zijn eigen, want hij zelf wist reeds waaraan hij zich had te houden.
1. Het middel dat hij voorstelde om dit te weten te komen was zeer natuurlijk, en zal hem stellig ontdekken hoe Saul eigenlijk jegens hem gezind is.
De twee volgende dagen moest Saul open tafel houden bij gelegenheid van de feestelijkheden van de nieuwe maan, wanneer buitengewone offeranden geofferd werden en offer maaltijden plaats hadden.
Saul was verworpen door de Heere, en de Geest Gods had hem verlaten, en toch bleef hij de heilige feesten waarnemen. Er kunnen nog overblijfselen zijn van uitwendige Godsdienstigheid, als de ware deugd reeds te gronde is gegaan.
Bij deze plechtige feesten liet Saul of al zijn kinderen met zich aanzitten, en David zat dan mee aan als een van hen, òf al zijn grote hofdignitarissen, en dan zat David mee aan als een van hen.
Hoe dit zij, David besloot dat zijn plaats gedurende deze twee dagen ledig zou blijven (en zij placht anders op een heilig feest nooit ledig te blijven) vers 5, zich schuil te houden totdat de plechtigheden voorbij waren.
Indien Saul nu de verontschuldiging voor zijn afwezigheid aannam, dan zal hij geloven dat hij van zin veranderd en met hem verzoend was, maar indien hij er vertoornd om was, dan lag de gevolgtrekking voor de hand, dat hij kwaad tegen hem in de zin had, daar hij er zeker van was, dat hij hem niet zo beminde, dat hij zijn tegenwoordigheid voor iets anders wenste dan om de gelegenheid te hebben hem kwaad te doen, vers 7.
2. Wij hebben reden te geloven dat de reden, die hij wil dat Jonathan zal opgeven om zijn afwezigheid te verontschuldigen, waar was, dat hij door zijn oudsten broeder genodigd was om naar Bethlehem, zijn eigen stad, te komen, om dit feest van de nieuwe maan daar te vieren met zijn bloedverwanten, omdat zij, behalve de maandelijkse plechtigheid, waarin zij gemeenschap oefenden met geheel Israël, nu ook een jaarlijks offer hadden, en een heilig offermaal voor het gehele geslacht, vers 6. Zij hielden in hun geslacht een dag van dankzegging voor de zegeningen en weldaden, die zij hebben genoten, en van gebed om de voortduring er van. Hieruit blijkt dat David tot een zeer Godvruchtig geslacht behoorde, tot een huis, waarin een kerk, dat is een gemeente was.
3. De argumenten die hij bij Jonathan aanvoert om hem tot deze vriendelijkheid jegens hem te bewegen, zijn zeer dringend, vers 8.
a. Dat hij in een verbond van vriendschap met hem was, en dat Jonathan zelf dit vriendschapsverbond had voorgesteld. Gij hebt uw knecht in een verbond des HEEREN met u gebracht.
b. Dat hij hem volstrekt niet zou dringen om zijn zaak te omhelzen, indien hij er niet zeker van was dat het een rechtvaardige zaak is, maar is er een misdaad in mij, dan is het zo ver van mij te wensen of te verwachten dat het verbond tussen ons u zal binden om deelgenoot met mij te zijn in die ongerechtigheid dat ik er u vrijwillig van onthef, en wens dat uw hand het eerst tegen mij zal zijn om mij te doden. Geen eerlijk man zal zijn vriend dringen om zijnentwil iets verkeerds te doen.