Deuteronomium 12:1-4
Van de grote oorspronkelijke waarheden, dat er een God is, en dat er slechts een God is, ontstaan de grote-fundamentele wetten dat God aangebeden moet worden, en Hij alleen en dat wij dus geen andere god voor Zijn aangezicht moeten hebben. Dit is het eerste gebod, en het tweede is als een wacht of heg er om heen. Om een afval naar valse goden te voorkomen, wordt ons verboden de ware God op dezelfde wijze te aanbidden, als waarop de valse goden aangebeden worden, en wordt ons bevolen om de ingestelde inzettingen van de aanbidding waar te nemen, ten einde bij het rechte voorwerp van de aanbidding te blijven. Om die reden is Mozes zeer uitvoerig in zijn verklaring van het tweede gebod. Hetgeen in dit en de vier volgende hoofdstukken vervat is, heeft daar meestal betrekking op. Dit zijn de inzettingen en rechten, die zij moeten waarnemen om te doen, vers 1.
1. In de dagen van hun rust en voorspoed als zij meesters zullen zijn van Kanaän. Wij moeten niet denken dat onze Godsdienst alleen ingesteld is om ons werk te wezen in de jaren van onze dienstbaarheid, ons onderhoud en vermaak in de plaatsen van onze eenzaamheid, en onze vertroosting in tijden van beproeving, neen, als wij er toe komen een goed land te bezitten, dan moeten wij in Kanaän de aanbidding Gods in stand houden, zowel als in de woestijn, als wij volwassen zijn, zowel als toen wij kinderen waren, als wij veel zaken omhanden hebben, zowel als wanneer wij niets te doen hebben.
2. Al de dagen, zolang als gijlieden op de aardbodem leeft. Zolang wij hier in onze staat van beproeving zijn, moeten wij in onze gehoorzaamheid volharden tot aan het einde, nooit aflaten van onze plicht of vertragen in weldoen.
1. Nu wordt hun hier geboden al de dingen te vernietigen, waarmee de Kanaänieten hun afgoden gediend hebben, vers 2, 3. Hier wordt geen melding gemaakt van afgodstempels, hetgeen de mening ondersteunt van sommigen dat de tabernakel, die Mozes opgericht heeft in de woestijn, de eerste woonstede was die ooit voor Godsdienstige doeleinden werd gebruikt, en dat daaraan de tempels hun oorsprong ontleend hebben. Maar de plaatsen, die daarvoor gebruikt werden en nu geslecht moesten worden, waren besloten velden, op bergen en heuvelen (alsof de hoogte van de grond bevorderlijk kon zijn aan het opgaan van hun gebeden) en onder groene bomen, hetzij omdat de lommer er van aangenaam was, of omdat het duistere en sombere er van tot plechtig ontzag stemde. Al wat het hart rustig en kalm kon maken en tot eerbied kon stemmen, werd geacht bevorderlijk te zijn aan vroomheid. De plechtige schaduw en stilte van een bos worden nog bewonderd en bemind door hen, die van een nadenkend gemoed zijn. Maar het voordeel, dat die afgezonderde plekken aan de heidenen gaf bij de aanbidding hunner afgoden bestond hierin, dat zij een verberging waren voor die werken van de duisternis, die het licht niet konden verdragen, en daarom moesten zij alle vernietigd worden met de altaren en de opgerichte beelden en de gesneden beelden, die door de inboorlingen werden gebruikt in de aanbidding van hun goden, zodat zelfs hun naam in vergetelheid zou geraken, niet slechts niet met eerbied zou herdacht worden, maar in het geheel niet. Zij moeten dus te rade gaan:
a. Met de roem van hun land, laat er nooit van dit heilige land gezegd worden, dat het aldus verontreinigd werd, maar laat al deze mesthopen weggevaagd worden, als dingen, die zij zich schamen. b. De veiligheid van hun Godsdienst, laat er geen van overblijven, opdat onheilige, onnadenkende mensen, inzonderheid in ontaarde tijden, er geen gebruik van zullen maken in de dienst van de God Israëls. Laat deze pesthuizen afgebroken worden, als dingen waarvoor zij bevreesd waren. Hij begint de inzettingen, die op de Goddelijke eredienst betrekking hebben, hiermede omdat er eerst afschuw moet wezen voor hetgeen kwaad is, voor er een standvastig aankleven kan zijn aan hetgeen goed is, Romeinen 12:9. Het koninkrijk Gods moet opgericht worden, zowel in personen als in plaatsen, op de puinhopen van het rijk des duivels, want zij kunnen niet tezamen bestaan, er kan geen gemeenschap zijn tussen Christus en Belial.
2. Hun wordt bevolen de gebruiken en plechtigheden van afgodendienaars niet over te brengen in de aanbidding van God, neen, zelfs niet onder schijn van haar te sieren en te verbeteren, vers 4. Gij zult de Heere uw God alzo niet doen, dat is: Gij moet niet denken Hem eer te doen door op bergen en heuvelen te offeren, pilaarbeelden op te richten, bossen te planten, en beelden op te richten, neen, gij moet niet toegeven aan een weelderige verbeelding in uw aanbidding, noch denken dat hetgeen die verbeelding streelt Gode zal behagen. Hij is boven alle goden, en wil niet aangebeden zijn zoals andere goden het zijn.