1 Samuël 17:12-30
Veertig dagen lagen de twee heiren tegenover elkaar, beide in voordelige stellingen, maar geen van beide genegen om de strijd te beginnen. Zij hebben of onderhandelingen aangeknoopt over een verdrag, of zij wachtten op versterkingen, misschien hadden er ook schermutselingen plaats tussen afzonderlijke legerbenden. En gedurende al die tijd kwam de beledigende kampioen tweemaal per dag, des morgens en des avonds, in het veld om zijn uitdaging te herhalen, zijn eigen hart al hoogmoediger wordende, omdat zijn uitdaging niet werd aangenomen, en het volk van Israël al vreesachtiger wordende, terwijl God hiermee bedoelde hem te rijpen voor het verderf en Israëls verlossing zoveel heerlijker te maken. En gedurende al die tijd hoedt David de schapen zijns vaders, maar ten einde van veertig dagen brengt Gods voorzienigheid hem naar het toneel des oorlogs om de lauwer te winnen en te dragen, die geen ander Israëliet waagt voor zich te verkrijgen.
In deze verzen hebben wij:
I. De toenmaligen toestand van zijn familie. Zijn vader was oud, vers 12,, afgaande onder de mannen, er werd nota genomen van zijn hoge leeftijd, die boven de gewone jaren was in die tijd, daarom hij vrijgesteld was van openbare diensten, en niet zelf ten krijg uittrok, maar zijn zonen daartoe uitzond: hem werd de eer bewezen, die aan zijn hoge jaren verschuldigd was, de grijsheid was hem een sierlijke kroon. Davids drie oudere broeders, die hem misschien zijn plaats aan het hof benijdden, verkregen van hun vader om hem thuis te laten komen, en hen naar het leger te zenden, waar zij hoopten zich te zullen onderscheiden en hem in de schaduw te stellen, vers 13, 14, terwijl David zelf zich zo weinig verhovaardigde op de diensten, die hij zijn vorst had bewezen, en zo weinig naar verdere bevordering stond, dat hij niet slechts terugkeerde van het hof om het afgezonderde leven te leiden in het huis zijns vaders, maar ook naar de zorg en de moeite, en-zoals blijkt uit vers 34 -het gevaar dat verbonden was aan het hoeden van de schapen zijns vaders.
Het was de lof van deze nederigheid, dat zij kwam na de eer, die hem als hoveling was te beurt gevallen, en het loon er van, dat zij kwam voor de eer van een overwinnaar, nederigheid gaat voor de eer. Nu had hij die gelegenheid tot overpeinzing en gebeden, en andere oefeningen van de Godsvrucht welke hem geschikter maakten voor hetgeen waartoe hij bestemd was, dan al de krijgsverrichtingen van dat roemloze leger.
II. De orders, die zijn vader hem gaf, om zijn broeders in het leger te gaan bezoeken. Hij zelf heeft geen verlof gevraagd om erheen te gaan, teneinde zijn nieuwsgierigheid te bevredigen, of ervaring op te doen, maar zijn vader zond hem op een geringe en huiselijke boodschap uit, die hij aan ieder van zijn dienstknechten even goed had kunnen opdragen. Hij moet zijn broeders wat brood en kaas brengen, tien broden met wat geroost koren voor henzelf, vers 17, en tien kazen, die hij voor hen te goed schijnt te achten, maar die als geschenk aan hun kolonel genoegen zouden doen, vers 18.
David moet nog de geringsten arbeid verrichten voor het gezin, hoewel hij er het grootste sieraad van zal wezen. Hij had niet eens een ezel tot zijn beschikking om de last te dragen, maar moet hem zelf op de rug nemen en toch naar het leger lopen, er met haast heengaan.
Isai, dachten wij, wist dat hij gezalfd was, en toch houdt hij hem zo gering en in afzondering, misschien wel om hem te verbergen voor het oog van de achterdocht en van de nijd, wetende dat hij gezalfd was voor een kroon, die hem pas zou toevallen na de dood van hem, die haar nu droeg. Hij moet naar de welstand van zijn broeders vernemen, of zij niet op rantsoen waren gesteld, nu het leger zo lang gekampeerd bleef, opdat hij, zo het nodig was, hun meer voorraad van levensmiddelen zou zenden.
En hij moet van hen pand medenemen, dat is: indien zij iets verpand hadden, dan moest hij het lossen, letten op hun gezelschap, zo lezen sommigen de zin, met wie zij omgaan, en welk soort van leven zij leiden. Misschien heeft David vroeger, evenals Jozef, hun kwaad gerucht tot zijn vader gebracht, en nu zendt hij hem om naar hun levenswijze onderzoek te doen. Zie de zorg van Godvruchtige mensen voor hun kinderen, als deze van hen verwijderd zijn, inzonderheid als zij zich in plaatsen van verzoeking bevinden, zij zijn er in zorg over hoe zij zich gedragen, en inzonderheid over het gezelschap waarmee zij verkeren. Laat kinderen hieraan denken en zich dienovereenkomstig gedragen, gedenkende dat zij, als zij niet onder het oog hunner ouders zijn, toch onder Gods oog zijn.
III. Davids kinderlijke gehoorzaamheid aan het gebod zijns vaders. Met wijsheid en zorg maakte hij zich des morgens vroeg op, vers 20, maar liet zijn schapen toch niet zonder hoeder, zo getrouw was hij in het kleine, het weinige, en dus des te meer geschikt om over veel gezet te worden, en zo goed had hij geleerd te gehoorzamen eer hij er aanspraak op maakte om te bevelen.
Gods voorzienigheid bracht hem ter rechter tijd naar het leger, toen beide zijden hun heir in slagorde hadden gesteld, en er nu meer waarschijnlijkheid was dan in al deze veertig dagen, dat het tot een treffen zou komen, vers 21.
Aan beide zijden bereidde men zich tot de strijd. Weinig dacht Isai dat hij zijn zoon juist op dat beslissende ogenblik naar het leger gezonden had, maar de alwijze God beschikt de tijd en al de omstandigheden van daden en zaken zo, dat zij Zijn doeleinden om de belangen van Israël te verzekeren zullen dienen, en de man naar Zijn hart zullen verhogen. Merk hier nu op:
1. Hoe vlug en levendig David te werk ging, vers 22. Voor de zaken, die hij meebracht had hij goed en trouw gezorgd, en nu liet hij ze onder de hoede van de bewaarders van de bagage, maar hoewel hij een lange voetreis had gedaan, beladen met een zware last, liep hij ter slagorde om te zien hoe het daar ging, en aan zijn broeders zijn eerbied te betonen. Ziet gij een man, die aldus vaardig in zijn werk is? Hij is op weg naar bevordering, en zal voor het aangezicht van de koningen gesteld worden.
2. Hoe stoutmoedig en vermetel de Filistijn was, vers 23. Nu de heirscharen in slagorde gesteld waren, verscheen hij het eerst, om zijn uitdaging te vernieuwen, zich inbeeldende dat hij op weg was naar roem en eer, terwijl hij in werkelijkheid zijn eigen verderf tegemoet ging.
3. Hoe vreesachtig en lafhartig de mannen Israëls waren. Hoewel zij nu veertig dagen lang gewend waren aan zijn hoogmoedige blikken en zijn dreigende taal, en van de ene noch van de andere enigerlei uitwerking gezien hadden, en dus nu geleerd konden hebben om beide te verachten, zijn zij toch bij zijn verschijning gevlucht, en vreesden zij zeer, vers 24. Een Filistijn zou nooit aldus duizend Israëlieten hebben kunnen jagen, en tienduizenden op de vlucht drijven, zo niet hun Rotssteen, die zij trouwelooslijk hadden verlaten, hen rechtvaardiglijk verkocht en overgeleverd had, Deuteronomium 32:30.
4. Welk een grote beloning Saul uitloofde voor een kampioen. Hoewel hij de grootste was van al de mannen Israëls-en al ware hij dit ook niet geweest-zou hij toch, zolang hij zich dicht aan God hield, zelf veilig de handschoen hebben kunnen opnemen, die deze beledigende Filistijn had nedergeworpen, maar daar de Geest Gods van hem geweken was, durfde hij het niet, en durfde hij ook Jonathan niet dringen om het te doen, maar wie het doen wil, zal zo hoog door hem bevorderd worden als in zijn macht is, vers 25.
Indien de hoop op rijkdom en eer iemand er toe zou brengen om zich aan dit gevaar bloot te stellen, dan zal die stoutmoedige-zo luidt de bekendmaking-indien hij slaagt en het leven behoudt-des konings dochter tot vrouw krijgen, en een goeden bruidsschat met haar, maar, hetzij hij er al of niet goed afkomt, zijns vaders huis zal in elk geval vrijgemaakt worden van alle tol en schatting en diensten aan de kroon, of hij zal geadeld worden en tot de hoogsten stand in Israël worden bevorderd.
5. Hoezeer David verlangde de eer Gods en van Israël te handhaven en hoog te houden tegenover de onbeschaamde uitdaging van deze kampioen. Hij vroeg welke beloning de man zou ontvangen, die deze Filistijn zou doden, vers 26, hoewel hij het reeds wist, niet omdat hij begerig was naar die eer, maar omdat hij wilde dat er kennis van genomen en aan Saul meegedeeld zou worden, hoe vertoornd hij was wegens de smaadheid, die hiermede aan Israël en Israëls God aangedaan werd.
Hij zou, vertrouwende op zijn bekendheid en invloed aan het hof, de vrijheid hebben kunnen nemen om naar Saul te gaan en hem zijn diensten aan te bieden, maar zijn bescheidenheid liet hem dit niet toe, het was een van zijn eigen grondregelen, voor het een van de spreuken was van zijn zoon: Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats van de groten Spreuken 25:5, maar zijn ijver deed hem die methode aan de hand, welke, naar hij hoopte, hem tot die groten strijd zou voeren. Twee overwegingen schijnen David in heiligen toorn te hebben ontstoken.
a. Dat de uitdager een onbesnedene was, een vreemdeling voor God en buiten het verbond met Hem.
b. Dat de uitgedaagde de heirscharen waren van de levende God, Hem gewijd, door Hem en voor Hem gebruikt, zodat de belediging, hun aangedaan, terugstraalde op God zelf, en dat kan hij niet dragen. Toen sommigen hem dus zeiden wat de uitgeloofde beloning was voor het doden van de Filistijn, vers 27, vroeg hij het nog aan anderen, vers 39, met dezelfde uitdrukking van toorn en verontwaardiging, die hij hoopte eindelijk Sauls oren te zullen bereiken.
6. Hoe hij door zijn oudsten broeder, Eliab, met toorn en minachting toegesproken en ontmoedigd werd. Toen deze zijn ijver zag, geraakte hij in toorn en drift en sprak beledigende woorden tot David, vers 28. Beschouw dit:
A. Als de vrucht van Eliabs afgunst. Hij was de oudste broeder, en David de jongste, en misschien had hij de gewoonte (zoals maar al te dikwijls oudste broeders de gewoonte hebben) om hem te vertreden, en hem bij iedere gelegenheid te berispen. Maar zij, die zich aldus verheffen boven hun jongeren, kunnen het beleven, zich door Gods rechtvaardige voorzienigheid vernederd, en hen, die zij vernederen en mishandelen, verhoogd te zien. De tijd kan komen, wanneer de oudere de jongere zal dienen. Maar nu ergerde het Eliab, dat zijn jongere broeder de stoutmoedige woorden sprak tegen de Filistijn, die hijzelf niet durft zeggen. Hij wist welke eer aan David ten hove reeds was te beurt gevallen, als hij nu ook nog eer verkrijgt in het leger, (waarvan hij dacht hem voor goed te hebben buitengesloten, vers 15) dan zou de roem van zijn ouderen broeder verduisterd worden, en daarom wilde hij liever (zo is de aard van de afgunst) dat Goliath over Israël zou triomferen, dan dat David de man zou wezen, die over hem triomfeert. Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid, maar wie zal voor nijdigheid bestaan? inzonderheid voor de nijdigheid van een broeder, waarvan Jakob en Jozef, en hier David, het scherpe gevoeld hebben. Zie Spreuken 18:19.
Het is zeer lelijke taal, die Eliab tegen hem gebruikt, zij was niet slechts onrechtvaardig en onvriendelijk maar toen ook laag ondankbaar, want David was door zijn vader gezonden, evenals Jozef door de zijnen, om een vriendelijk bezoek bij zijn broeders af te leggen. In hetgeen hij zei bedoelde Eliab niet alleen David te krenken en te ontmoedigen, en het edele vuur te blussen dat hij in zijn borst ontstoken zag maar hem aan de omstanders voor te stellen als een ijdele verwaande knaap, van wie men geen notitie behoorde te nemen. Hij geeft hem te verstaan dat hij zich met niets anders heeft te bemoeien dan met zijn werk om schapen te weiden, en leugenachtig laat hij het voorkomen dat hij een zorgeloze, ontrouwe herder was, hoewel hij de schapen in goede handen had achtergelaten, vers 20 , toch vraagt hij bits en honend: onder wie hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Hoewel hij nu in gehoorzaamheid aan zijn vader en vriendelijkheid voor zijn broeders naar het leger afgekomen was, en Eliab dit wist, maakt hij er hem toch een verwijt van.
"Gij zijt afgekomen, niet om enigerlei dienst te doen, maar om uw nieuwsgierigheid te bevredigen en slechts rond te kijken", en hieruit wil hij zijn vermetelheid en boosheid des harten afleiden, en hij geeft voor die evengoed te kennen, alsof hij in zijn hart kon zien. David kon zich betreffende zijn nederigheid en oprechtheid op God beroepen, Psalm 17:3, 131:1, en hij gaf toen van beide de bewijzen, en toch kon hij aan die harde beoordeling door zijn eigen broeder niet ontkomen. Zie de dwaasheid, ongerijmdheid en boosheid van een mens, die zich door hoogmoed en wangunst laat beheersen. Hoe ongegrond is zijn achterdocht, hoe onrechtvaardig zijn afkeuring, hoe onbillijk en onjuist zijn voorstellingen, hoe bitter en onbetamelijk zijn woorden. Moge God in Zijn genade ons voor zo'n gezindheid behoeden!
B. Als een beproeving van Davids zachtmoedigheid, geduld en standvastigheid, het was een korte beproeving, en hij heeft er zich goed onder gehouden, want:
a. Hij verdroeg de harde woorden met bewonderenswaardige zachtmoedigheid, vers 29. Wat heb ik nu gedaan? Welke fout heb ik begaan, waarvoor ik aldus bestraft moet worden? Is er geen oorzaak voor mijne komst in het leger, als mijn vader mij gezonden heeft? Is er geen oorzaak voor mijn toorn wegens de belediging van Israëls eer door Goliaths uitdaging?" Hij had recht en rede aan zijn zijde en hij wist het, en daarom heeft hij geen scheiden voor schelden vergolden, maar met een zacht antwoord de grimmigheid zijns broeders afgekeerd. Dit heersen over zijn eigen hart was in sommige opzichten nog meer eervol dan zijn overwinning over Goliath. De lankmoedige is beter dan de sterke, en die heerst over zijn geest dan die een stad inneemt. Het was voor David geen tijd om met zijn broeder te twisten, nu de Filistijnen hen gingen aanvallen. Hoe dreigender de vijanden van de kerk zijn, hoe meer geduld haar vrienden met elkaar moeten hebben. b. Met bewonderenswaardige standvastigheid brak hij door de ontmoediging heen. Hij wilde zich door de kwaadwilligheid van zijn broeder niet van de gedachte laten afbrengen om met de Filistijn te strijden. Zij, die grote en openbare diensten op zich nemen, moeten het niet vreemd vinden, als zij ontmoedigd en tegengestaan worden door hen, van wie zij reden hadden hulp en steun te verwachten, maar ootmoedig voortgaan met hun werk niet slechts in weerwil van de dreigementen hunner vijanden, maar ook van de kleinachting en de achterdocht hunner vrienden.