1 Samuël 17:31-39
David wordt eindelijk aan Saul als zijn kampioen voorgesteld, vers 31, en kloekmoedig neemt hij het op zich om met de Filistijn te strijden, vers 32.
Aan geen mens ontvalle het hart om zijnentwil, het zou een al te ongunstig licht geworpen hebben op de dapperheid van de vorst, indien hij gezegd had: Uw hart ontvalle u niet, daarom spreekt hij in het algemeen: Aan niemand ontvalle het hart.
Een kleine schaapherder, die deze morgen van achter zijn schapen gekomen was, heeft meer moed dan al de helden Israëls, en spreekt hun moed in. Zo zendt God dikwijls goede woorden aan Zijn Israël, en doet Hij grote dingen voor hen, door het zwakke en dwaze van deze wereld.
David verlangt slechts een opdracht van Saul om met de Filistijn te gaan strijden, maar spreekt niet van de beloning, die hij had uitgeloofd, omdat dit het niet was, waarnaar zijn eerzucht uitging, hij spreekt alleen van de eer om God en zijn land te dienen, ook wilde hij de schijn niet hebben van aan Sauls grootmoedigheid te twijfelen.
Twee dingen had David met Saul af te handelen.
I. Hij moet het bezwaar uit de weg ruimen dat Saul inbracht tegen zijn onderneming. "Helaas," zegt Saul, "uw wil is goed, maar gij zijt toch wezenlijk niet opgewassen tegen deze Filistijn. Met hem te gaan strijden is uw leven weg te werpen, uw leven, dat voor aangenamer diensten gespaard moet blijven. Gij zijt een jongeling, roekeloos en onbezonnen, zwak en ongeoefend in de krijg, hij is een man, die het hoofd en de handen heeft van een man een krijgsman, er toe opgeleid van zijn jeugd af aan, en er voor gehard, vers 33. Wat kunt gij anders verwachten dan dat hij u te sterk zal zijn?"
1. Gelijk David zijns broeders toorn met zachtmoedigheid heeft beantwoord, zo beantwoord" hij Sauls vrees met geloof, en hij geeft een reden van de hoop, die in hem is, dat hij tot tevredenheid van Saul de Filistijn zal overwinnen. Wij hebben reden te vrezen dat Saul geen grote bekendheid had met of veel acht heeft geslagen op het woord van God, en daarom heeft David in zijn redenering met hem zijn argumenten en bemoedigingen daaraan niet ontleend, hoezeer hij er voor zichzelf ook het oog op had, maar hij redeneert uit ervaring, hoewel hij slechts een jongeling was en nooit in de krijg was geweest, heeft hij misschien evenveel gedaan als waarop het doden van de Filistijn gerekend kan worden, want met de hulp van God heeft hij eens moed genoeg gehad om een leeuw tegen te treden, en kracht genoeg om hem te doden, evenals op een andermaal een beer, die hem een van zijn schapen ontroofde, vers 34-36.
Daarmee vergelijkt hij de onbesneden Filistijn. Hij beschouwt hem evenals zo'n roofdier, en daarom twijfelt hij niet, of hij zal hem even gemakkelijk ten onder brengen, en hiermede gaf hij Saul te verstaan, dat hij niet zo onervaren was in een gevaarlijke strijd te strijden, als hij dacht.
Hij doet zijn verhaal als een man van karakter, hij schaamt zich niet te erkennen dat hij zijns vaders schapen geweid heeft, dat zijn broeder hem nu juist verweten had, zover is het van hem het te willen verbergen dat hij aan zijn herdersbedrijf de ervaring ontleent, die hem nu bezielt met moed. Maar hij laat hun, die om hem heen zijn, weten dat hij geen gewoon herder is. Wat ons beroep of bedrijf ook moge wezen, al is het ook nog zo gering, moeten wij toch trachten er in uit te munten, het op de best mogelijke wijze te beoefenen.
Toen David schapen hoedde, betoonde hij zich zorgzaam en teder voor zijn kudde, hoewel zij de zijne niet was, maar die zijns vaders. Hij kon geen lam in gevaar zien, of hij waagde zijn leven om het te redden.
Deze gemoedsaard maakte hem geschikt om koning te zijn, aan wie het leven van zijn onderdanen dierbaar en hun bloed kostelijk zal zijn, Psalm 72:14, en geschikt om een type te zijn van Christus, de goede Herder, "die de lammeren in Zijn armen vergadert en in Zijn schoot draagt", Jesaja 40:11, en die "Zijn leven niet slechts gewaagd, maar gesteld heeft voor de schapen". Zo was David ook geschikt om een voorbeeld te zijn voor leraren om met de uiterste zorg en vlijt te waken over de zielen, opdat zij de prooi niet worden van de briesenden leeuw.
Hij toonde zich stoutmoedig en dapper in de bescherming van zijn kudde. Dat was het, waarvan hij thans een blijk wilde geven, en een beter bewijs kon niet gevraagd worden dan dit: "Uw knecht heeft niet slechts de lammeren gered, maar om het hun aangedane kwaad te wreken, zo den leeuw als den beer verslagen".
2. Hij maakt de toepassing van deze geschiedenis als een man des geloofs. Hij erkent vers 37 :Het was de Heere, die mij van de macht des leeuws gered heeft, en uit de macht des beers aan Hem geeft hij de eer van deze grote gebeurtenissen, en daaruit leidt hij nu af, dat Hij hem ook zal redden uit de hand dezes Filistijns.
"De leeuw en de beer waren slechts vijanden van mij en mijne schapen, en het was ter verdediging mijner eigen belangen, dat ik hen heb aangevallen, maar deze Filistijn is een vijand van God en van Israël, hoont de slagorden des levenden Gods, en het is voor hun eer dat ik hem aanval." Wij moeten onze ervaringen gebruiken als aanmoedigingen om op God te vertrouwen, en ons te wagen op de weg van de plicht.
Hij die verlost heeft, zal nog verder verlossen. Door de zorg van Gods gewone voorzienigheid voor de mindere schepselen, en de bescherming, waar zij zich onder bevinden, kunnen wij ons aanmoedigen om te steunen en te bebouwen op de bijzondere voorzienigheid, die Gods Israël omringt.
Hij, die grenzen stelt aan de golven van de zee, en de woede van de wilde dieren temt, kan en zal de grimmigheid van boze mensen in bedwang houden. Paulus schijnt op dit woord van David te zinspelen, als hij zegt: Ik ben uit de muil des leeuws verlost, en daarom vertrouw ik dat de Heere mij zal verlossen."
En misschien heeft David hier aan de geschiedenis van Simson gedacht, en er zich mee bemoedigd, want zijn doden van een leeuw was een gelukkig voorteken van zijn vele glorierijke overwinningen over de Filistijnen. Zo heeft David al de bezwaren van Saul tegen zijn onderneming teniet gedaan, en de opdracht verkregen om met de Filistijn te gaan. strijden, waarmee Saul hem ook zijn hartelijke goede wensen gaf, daar hij zelf zich niet wilde wagen, bad hij voor hem die het wèl wilde: Ga heen, en de Heere zij met u. Een goed woord zo het niet als een gewone spreekwijze werd gebruikt, geen blote vorm was, zoals het maar al te dikwijls op die wijze gebruikt wordt.
II. Maar David had ook nog werk om van de wapenrusting bevrijd te worden, waarmee Saul hem volstrekt wilde bekleden, toen hij op die grote onderneming uitging, vers 38.
Hij kleedde David met zijn klederen, dat is deed hem zijn wapenrusting aan, niet die hij zelf droeg, het onevenredige hunner statuur liet dit niet toe, maar een die hij in zijn wapenkamer had, weinig denkende dat hij, aan wie hij nu zijn helm gaf en zijn pantser, binnenkort zijn kroon en zijn koningsgewaad zou erven.
David, nog niet besloten zijnde op wat wijze hij zijn vijand zal aanvallen, gordde zijn zwaard aan, niet wetende of hij er ook gebruik van zou moeten maken, maar hij bevond dat de wapenrusting hem belemmerde in zijn bewegingen, en eerder een last dan een bescherming voor hem zou zijn, en daarom vraagt hij Saul verlof om haar weer af te leggen, ik kan in deze niet gaan, want ik heb het nooit beproefd, dat is: Ik ben aan zo'n uitrusting niet gewoon."
Wij kunnen onderstellen dat Sauls wapenrusting zeer fraai en zeer solide was, maar welk goed kon zij doen aan David, indien zij hem niet paste, of indien hij er zich niet gemakkelijk in kon bewegen?
Zij, die streven naar dingen die boven hun opvoeding en gewoonte zijn, begeerte hebben naar het gewaad en de rusting van vorsten, vergeten dat datgene het beste voor ons is, waarvoor wij geschikt en waaraan wij gewoon zijn, als wij onze wens verkregen, dan zouden wij spoedig weer naar onze eigen klederen verlangen en zeggen: "Wij kunnen in deze niet gaan," en daarom is het ons beter ze niet te hebben.