1 Samuël 15:24-31
Saul is er ten laatste toe gebracht het boetekleed aan te doen, maar het is al te blijkbaar dat hij de rol speelt van een boeteling, maar het niet werkelijk is.
Merk op:
I. Hoe armzalig hij zijn berouw uitdrukt. Het was met grote moeite, dat hij er toe gebracht werd zijn fout in te zien, en niet voordat hij met onttroning was bedreigd, dat heeft een gevoelige snaar bij hem doen trillen, toen begon hij toe te geven, maar niet eerder. Toen Samuël hem zei dat hij verworpen was dat hij geen koning zou zijn, toen zei hij: Ik heb gezondigd, vers 24. Zijn belijdenis was niet vrijwillig, niet oprecht, maar was hem, als op de pijnbank, ontwrongen.
Hier merken wij verscheiden slechte tekenen van de geveinsdheid van zijn berouw, en dat het zelfs bij het berouw van Achab achterstond.
1. Hij wendde zich slechts tot Samuël, en scheen het meest begerig om in zijn goede mening te staan aangeschreven en zijn gunst te verwerven. Hij maakt een kleinen god van hem, om slechts zijn goeden naam onder het volk op te houden, omdat zij allen wisten dat Samuël een profeet was, en de man, die het werktuig is geweest tot zijn verheffing. Denkende dat het Samuël genoegen zou doen. en om er hem als het ware mee om te kopen zegt hij in zijn schuldbelijdenis: omdat ik des HEEREN bevel en uw woorden overtreden heb, alsof hij in de plaats van God was geweest, vers 24.
David, hoewel door de bediening van Nathan van zonde overtuigd, heeft in zijn belijdenis het oog op God alleen, niet op Nathan, Psalm 51:6 :"Tegen U, U alleen heb ik gezondigd", maar Saul belijdt zijn zonde-onwetend genoeg-als een overtreding van Samuëls woord, terwijl toch zijn woord niets anders was dan een aankondiging of overbrenging van het bevel des HEEREN. Het is ook tot Samuël, dat hij zich wendt om vergeving, vers 25, nu dan vergeef mij toch mijn zonde, alsof iemand de zonde kon vergeven, dan alleen God.
Allerellendigst bedriegen diegenen zichzelf, die als zij in ergerlijke zonde zijn gevallen, denken dat het genoeg is om zich met de kerk te verzoenen, met de kerk en haar dienaren, door een schoonschijnende belijdenis en een vertoon van berouw, zonder zorg te dragen om met God verzoend te worden door de oprechtheid van hun berouw.
De zachtste uitlegging, die wij naar de aard van de liefde aan deze handelwijze van Saul geven kunnen, is dat hij misschien Samuël als een soort van middelaar heeft aangezien tussen hem en God, en, toen hij zich tot hem wendde om vergeving, een bede erom aan God bedoeld heeft, dit was echter zeer gebrekkig.
2. Zelfs in de belijdenis van zijn fout verontschuldigde hij haar nog, en dat is nooit de wijze van doen van iemand, die oprecht berouw heeft, vers 24. "Ik deed het, want ik heb het volk gevreesd en naar hun stem gehoord."
Wij hebben reden genoeg te denken dat het zuiver en alleen zijn eigen doen was, en niet het doen des volks, maar al waren zij ook genegen om het te doen, dan is het toch uit hetgeen wij tevoren gelezen hebben duidelijk dat hij zeer goed zijn gezag onder hen kon laten gelden, en volstrekt niet bang voor hen was.
Zodat de verontschuldiging onwaar en beuzelachtig was, wat hij ook mocht voorgeven, hij was niet werkelijk bevreesd voor het volk, maar het is het gewone doen van zondaren, dat zij om hun fouten te verontschuldigen zich beroepen op hun gedachten en goede bedoelingen, want dat zijn dingen, die voor ons oog verborgen zijn, en waarvan wij dus het al of niet bestaan niet zouden kunnen bewijzen, maar zij vergeten, dat God het hart doorgrondt.
3. Al zijn zorg is zijn eer, zijn naam op te houden, zijn invloed te behouden op het volk, opdat zij niet in opstand zouden komen tegen hem, hem tenminste niet zouden verachten, daarom dringt hij er met zoveel ernst bij Samuël op aan, vers 25, dat hij met hem zal wederkeren en de openbaren dienst van de dankzegging voor de overwinning zal bijwonen. Zeer dringend was hij voor deze zaak, toen hij de slip van zijn mantel aangreep om hem terug te houden, vers 27 , niet wijl hij iets om Samuël gaf, maar hij vreesde dat, zo Samuël hem verliet, het volk hem insgelijks zou verlaten. Velen schijnen zeer ijverig gezind voor goede leraren en Godvruchtige mensen, maar het is slechts om de wille van hun eigenbelang en hun reputatie, terwijl zij hen in hun hart haten. Maar zeer grof was zijn uitdrukking toen hij zei, vers 30, ik heb gezondigd, eer mij toch nu voor de oudsten mijns volks, en voor Israël. Is dit de taal van een boetvaardige? Neen, integendeel, "ik heb gezondigd, maak mij toch niet beschaamd, want mijner is de beschaamdheid des aangezichts, en niemand kan groter afkeer van mij hebben, dan ik van mij heb." Maar hoe dikwijls ontmoeten wij de kopieën van deze geveinsdheid van Saul! Het is iets geheel gewoons dat zij, die overtuigd zijn geworden van zonde, zich zeer begerig tonen om geëerd te worden voor het volk. Terwijl toch hij, die de eer van de onschuldige heeft verloren, op geen andere eer aanspraak kan maken, dan op die van de boetvaardige, en het is de eer van de boetvaardige zich te schamen.
II. Hoe weinig baat hij van dit gering betoon van berouw gehad heeft. Welk doel heeft hij er mee bereikt?
1. Samuël herhaalde het vonnis dat over hem is uitgesproken, zó ver was hij er af om hem hoop te geven dat het herroepen zou worden, vers 26 hetzelfde als in vers 23.
"Die zijn overtredingen bedekt zal niet voorspoedig zijn", Spreuken 28:13. Samuël weigerde met hem weer te keren, maar keerde zich om om weg te gaan, vers 27. Zoals de zaak hem op de eersten aanblik toescheen, achtte hij het volstrekt onvoegzaam voor zich om iemand, die God had verworpen, inzoverre te steunen, dat hij zich met hem verenigde in dankzegging aan God voor een overwinning, die veel meer dienstbaar gemaakt werd aan Sauls geldgierigheid, dan aan Gods eer en heerlijkheid.
Maar bij nader bedenken is hij toch met hem wedergekeerd, vers 31, waarschijnlijk onder de leiding God, hetzij om een muiterij onder het volk te voorkomen, of misschien niet om Saul eer aan te doen, (want hoewel Saul de Heere aanbad, vers 31, wordt toch niet gezegd dat Samuël de dienst heeft geleid) maar om gerechtigheid te oefenen aan Agag, vers 32.
2. Hij helderde het vonnis op door een teken, dat Saul zelf door zijn ruwheid hem aan de hand deed. Toen Samuël zich van hem afkeerde, scheurde hij zijn mantel om hem terug te houden, vers 27, Zo afkerig was hij ervan om van de profeet te scheiden.
Maar Samuël gaf aan dit voorval een uitlegging, die alleen een profeet er aan geven kon, hij gaf er de betekenis aan van het afscheuren van het koninkrijk van hem, vers 28, en evenals dit scheuren van de mantel was het zijn eigen doen.
De HEERE heeft heden het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan gij, namelijk aan David, die later, bij een zekere gelegenheid de slip van Sauls mantel afsneed, Hoofdstuk 24:5, waarop Saul zei: "Ik weet dat gij voorzeker koning worden zult, misschien gedenkende aan dit teken, het scheuren van de slip van Samuëls mantel.
3. Hij bekrachtigde het door een plechtige verklaring, dat het vonnis onherroepelijk was, vers 29.
De Sterkte Israëls liegt niet. De Eeuwigheid, of de Overwinning Israëls, zo lezen sommigen de tekst. De Heilige, aldus in het Arabisch. De Verhevene, aldus in het Syrisch, de overwinnende Koning Israëls, aldus bisschop Patrick.
"Hij is vast besloten u af te zetten en Hij zal niet van voornemen veranderen. Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou." Mensen zijn wispelturig en veranderen van zin, zwak, en kunnen hun doeleinden niet tot stand brengen, er gebeurt iets, dat zij niet konden voorzien, waardoor hun maatregelen worden verbroken, maar zo is het niet met God.
Soms heeft Hem op des zondaars berouw het kwaad berouwd, dat Hij dacht te zullen doen, maar hier was berouw verborgen voor Sauls ogen, en daarom verborgen voor Gods ogen, Vers 32.
Toen zei Samuël: Breng Agag, de koning van de Amalekieten, hier tot mij. Agag nu ging tot hem weeldelijk, en Agag zei: Voorwaar de bitterheid des doods is geweken, Vers 33.
Maar Samuël zei: Gelijk als uw zwaard de vrouwen van haar kinderen beroofd heeft, alzo zal uw moeder van haar kinderen beroofd worden onder de vrouwen! Toen hieuw Samuël Agag in stukken, voor het aangezicht des HEEREN te Gilgal.
Vers 34, Daarna ging Samuël naar Rama, en Saul ging op naar zijn huis te Gibea Sauls.
Vers 35, En Samuël zag Saul niet meer tot de dag zijns doods toe, evenwel droeg Samuël leed om Saul, en het berouwde de HEERE, dat Hij Saul tot koning over Israël gemaakt had.
Als profeet is Samuël hier gesteld over koningen, Jeremia 1:10.
III. Hij doodt koning Agag, ongetwijfeld door zulke aanwijzingen van boven, als waarop nu niemand aanspraak kan maken. Hij hieuw Agag in stukken, sommigen denken dat hij er slechts het bevel toe gaf, of, misschien deed hij het met zijn eigen handen als een offer aan Gods gerechtigheid, vers 33, en offers plachten in stukken gehouwen te worden. Merk hier nu in op: 1. Hoe de ijdele hoop van Agag teleurgesteld werd. Hij kwam weeldelijk, op een statige wijze, om te tonen dat hij koning was, en daarom met eerbied behandeld moest worden, of op een zachte, verwijfde manier, als iemand die nooit hardheid heeft moeten verduren, die niet beproefd heeft zijn voetzool op de aarde te zetten, omdat hij zich wellustig en teder hield, Deuteronomium 28:56, ten einde medelijden op te wekken, en hij zei: Voorwaar, de bitterheid des doods is geweken!, vers 32.
Ontkomen zijnde aan het zwaard van Saul, de krijgsman, dacht hij zich niet in gevaar van Samuël, een ouden profeet, een man des vredes. Er is bitterheid in de dood, voor de natuur is hij schrikkelijk. Voorwaar, de dood is bitter, zo is de lezing van deze woorden van Agag in diverse vertalingen, zoals de LXX de vorige zinsnede lezen: Hij kwam bevende.
De dood zal het kloekmoedigste hart verschrikken. Velen denken dat de bitterheid des doods geweken is, als het niet zo is, zij stellen die bozen dag verre van zich, die zeer nabij is. Ware gelovigen kunnen dit door genade op goede gronden zeggen, hoewel de dood niet geweken is, is toch de bitterheid er van geweken. Dood, waar is uw prikkel?
2. Hoe zijn vroegere boze praktijken nu gestraft worden. Samuël roept hem ter verantwoording, niet alleen voor de zonden van zijn voorouders, maar voor zijn eigene. Gelijk uw zwaard de vrouwen van haar kinderen beroofd heeft, vers 33.
Hij volgde de wreedheid na van zijn voorouders, en zijn onderhorigen hebben waarschijnlijk hetzelfde gedaan, met recht daarom wordt al het rechtvaardige bloed vergoten door Amalek, geëist van dit geslacht, Mattheus 23:36.
Agag, die zelf teder en weelderig was, was wreed en barbaars voor anderen, gewoonlijk ziet men ook, dat zij, die toegeven aan hun lusten, niet minder toegeven aan hun hartstochten. Maar van bloed zal rekenschap worden geëist, zelfs koningen zullen aan de Koning van de koningen rekenschap hebben te geven van het onschuldige bloed, dat zij hebben vergoten of hebben doen vergieten. Het was die misdaad van koning Manasse, die de Heere niet wilde vergeven, 2 Koningen 24:4 . Zie Openbaring 23:10.
IV. Hij verlaat koning Saul, neemt afscheid van hem, vers 34, en zag hem niet weer, vers 35 om hem in enigerlei zaak te raden of te helpen, omdat Saul zijn gezelschap niet verlangde en van zijn raad niet gediend wilde zijn.
Hij beschouwde hem als verworpen door God, en daarom verliet hij hem hoewel hij hem soms, als bij toeval zag, zoals in vers 24, ging hij hem toch nooit zien uit vriendelijkheid of eerbied. Toch droeg hij leed om Saul, daar hij het zeer droevig vond dat een man, die grote dingen had kunnen doen, zich zo dwaselijk ten verderve heeft gebracht.
Hij treurde om de slechten toestand van het land, waarvoor Saul zo'n grote zegen had kunnen zijn, daar hij geen hoop had hem tot bekering te brengen. Toen hij om hem weende, heeft hij waarschijnlijk ook voor hem gebeden maar het berouwde den HEERE, dat Hij Saul tot koning gemaakt had, en Hij had besloten dit Zijn werk ongedaan te maken, zodat Samuëls gebeden voor hem niet overmochten. Wij moeten treuren om de verwerping van zondaren: 1. Hoewel wij ons aan hen onttrekken, en niet gemeenzaam met hen curven omgaan. Zo besluit de profeet zijn volk te verlaten, en van hen weg te gaan, en hen toch "dag en nacht te bewenen", Jeremia 9:1, 2.
2. Ofschoon zij zelf geen leed om zich dragen. Saul scheen onbekommerd om de tekenen van Gods misnoegen tegen hem, en toch droeg Samuël dag en nacht leed om hem. Jeruzalem was gerust, toen Christus over haar weende.