1 Samuël 14:36-46
I. Hier is Sauls roemen tegen de Filistijnen. Zodra zijn soldaten hun avondmaaltijd hadden genuttigd, stelde hij voor de Filistijnen de gehelen nacht te vervolgen, en geen enkel man onder hen over te laten, vers 36. Hier toonde hij veel ijver, maar weinig wijsheid, want zijn leger, dat zo vermoeid was, kon geen nacht slapers missen, zoals eenmaal eten.
Maar het is iets geheel gewoons voor roekeloze en dwaze mensen om op niemand acht te geven dan op zichzelf, en zo zij slechts eer verkrijgen, bekommeren zij zich niet om de ontberingen, die zij hen doen lijden, over wie zij gesteld zijn.
Het volk was nu echter zo onderdanig aan hun koning, dat zij zich niet konden verzetten tegen het voorstel, maar besloten zich te schikken naar zijn wil, zo hij wil voortgaan zullen zij hem volgen. Doe al wat goed is in uw ogen. Alleen de priester achtte het geschikt om met de Godsdienstoefening voort te gaan, die begonnen was, maar zo plotseling werd afgebroken, vers 19, en het orakel te raadplegen:
Laat ons herwaarts tot God naderen. Vorsten en voorname lieden hebben mannen nodig in hun omgeving, die hen er aan herinneren, om overal waar zij heengaan, God mee te nemen. En toen de priester het voorstelde, kon Saul het voorstel niet afwijzen, maar vroeg aan God: "Zal ik aftrekken de Filistijnen na? En zal ik voorspoedig zijn?"
II. Zijn aanval op zijn zoon Jonathan, al het overige van deze paragraaf betreft hem, want, terwijl hij vervolgd wordt, ontkomen de Filistijnen. Wij weten niet welk kwaad uit een roekeloos besluit kan voortkomen.
1. God geeft Zijn misnoegen te kennen, en Saul doet nu onderzoek naar het gevloekte. Toen hij door de priester de Godsspraak raadpleegde, heeft God hem niet geantwoord, vers 37.
Als God onze gebeden afwijst, dan is het ons zeer nodig te vragen, wat de zonde is die Hem hiertoe heeft gebracht. Laat ons zien waarin deze zonde heden geschied zij, vers 38 want Gods oor is niet zwaar, dat Hij niet kan horen, maar het is zonde, die scheiding maakt tussen ons en Hem.
Als God ons gebed afwendt, dan hebben wij reden om te vermoeden dat het om een ongerechtigheid is, naar welke wij met ons hart gezien hebben zie Psalm 66:18 en die wij moeten ontdekken, opdat wij haar wegdoen, haar doden.
Saul zweert bij zijn Maker, dat wie ook de Achan moge zijn, die het leger heeft beroerd door van de verboden vrucht te eten, voorzeker zal gedood worden, al was het ook Jonathan zelf, dat is: al was hij aan hem en het volk ook nog zo dierbaar, weinig denkende dat Jonathan de man was, vers 39.
Hij zal de dood sterven, de vloek zal aan hem volvoerd worden. Maar niemand uit het volk antwoordde hem, dat is, niemand van hen, die wist dat Jonathan de order had overtreden, wilde hem verraden. 2. Jonathan werd door het lot als de overtreder aangewezen. Saul wilde dat het lot geworpen zou worden tussen hem en Jonathan aan de ene zijde, en het volk aan de andere zijde, misschien omdat hij zich even overtuigd hield van Jonathans onschuld in deze zaak, als van zijn eigen onschuld, vers 40.
Het volk hem in toorn ziende, durfde niets van hetgeen hij voorstelde tegenspreken, maar berustte. Doe wat goed is in uw ogen, Eer hij het lot wierp, bad hij dat God de onschuldige zou tonen, vers 41.
Dit had het aanzien van onpartijdige gerechtigheid. Rechters moeten begeren dat de waarheid aan het licht zal komen wie er dan ook door moge lijden.
Het lot moet biddende worden geworpen, omdat het een plechtig beroep is op de voorzienigheid, en daardoor vragen wij God ons te leiden, Handelingen 1:24, om welke reden sommigen het kansspel veroordeeld hebben, daar het zuiver en alleen van het lot of toeval afhangt en dus een misbruik maken is van een heilige zaak.
Eindelijk werd Jonathan geraakt, vers 42, waarmee Gods voorzienigheid bedoelde het wettig gezag te steunen en te handhaven, en alzo eer te leggen op de openbare bedeling van het recht in het algemeen, een ander middel voorbehoudende om een man te bevrijden, die niets gedaan had, dat des doods waardig was.
3. Openhartig bekent Jonathan het feit, en met een toornigen vloek spreekt Saul het vonnis over hem uit. Jonathan ontkent de waarheid niet, noch beproeft haar te verbergen, slechts vindt hij het hard, dat hij er voor moet sterven, vers 43.
Ik heb maar een weinig honigs geproefd, met het uiterste des stafs dien ik in mijn hand had, zie hier ben ik, moet ik sterven?
Hij zou zeer goed hebben kunnen pleiten op zijn volstrekte Onbekendheid met het gebod, of gewezen hebben op zijn verdienste, maar met een grootmoedig hart onderwerpt hij zich aan de noodzakelijkheid. "Gods wil en die mijns vaders geschiede", aldus toonde hij evenveel kloekmoedigheid in het ontvangen van de boden des doods voor zichzelf, als in ze te zenden onder de Filistijnen.
Het is even kloekmoedig om toe te geven in sommige gevallen, als om te strijden in andere. Saul wordt niet vertederd door zijn kinderlijke onderworpenheid, noch door het harde van de zaak, maar als iemand, die er naar streeft om voor een man van zijn woord gehouden te worden, en nog veelmeer als iemand. die zijn eed niet zou willen breken, zelfs wanneer het hem het zwaarst valt om hem te houden, spreekt hij met een nieuwen eed het vonnis over Jonathan uit, vers 44.
Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe Jonathan! zo ik de wet niet op u toepas, Jonathan, gij moet den dood sterven.
a. Hij sprak dit vonnis in overhaasting, zonder de Godsspraak te raadplegen. Jonathan had een zeer goeden pleitgrond om het vonnis tegen te houden, wat hij gedaan had, was geen "malum in se-geen kwaad op zichzelf", en wat het verbod er van betreft, hij was er onkundig van zodat hem geen rebellie of ongehoorzaamheid ten laste gelegd kon worden.
b. Hij deed het in drift. Indien Jonathan des doods waardig ware geweest, dan zou het toch de rechter, en nog veel meer de vader. betaamd hebben, om het vonnis met tederheid en medelijden uit te spreken, en niet met zulk een houding van triomf, als een man, die ten enenmale ontbloot is van menselijkheid en natuurlijke liefde. Het recht wordt verlaagd als het bedeeld wordt met toorn en bitterheid.
c. Hij rugsteunde het met een vloek over zichzelf, zo hij het vonnis niet liet voltrekken, en die vloek is op zijn eigen hoofd wedergekeerd.
Jonathan ontkwam, maar God heeft aan Saul alzo gedaan, en alzo daartoe gedaan, want hij was door God verworpen en tot een anathema gemaakt.
Laat niemand ooit zulke verwensingen durven uitspreken, opdat God geen Amen er op zegge, en `hun eigen tong hen niet zal doen aanstoten tegen zichzelf", Psalm 64:9, die deze steen wentelt, op hem zal hij wederkeren.
Toch hebben wij reden te denken, dat Sauls ingewand ontstak tegen Jonathan, zodat hij in werkelijkheid zichzelf strafte, en wel zeer terecht toen hij zo streng scheen tegen Jonathan. God heeft hem de pijn doen gevoelen van zijn eigen roekeloos edict, dat hem kon doen vrezen er zich nogmaals aan schuldig te maken.
Door al deze pijnlijke omstandigheden heeft God hem ook bestraft wegens zijn vermetelheid om offers te offeren zonder Samuël. Een onderneming, zo slecht begonnen, kon niet zonder enigerlei bestraffing eindigen.
4. Het volk redde Jonathan uit de handen zijns vaders, vers 45
Totnutoe hadden zij zich zeer onderdanig en gehoorzaam betoond jegens Saul, met hetgeen goed in hem scheen, stemden zij in, vers 36, 40, , maar als Jonathan in gevaar is, dan is Sauls woord niet langer wet voor hen, maar verzetten zij zich met de grootsten ijver tegen de uitvoering van het vonnis. Zou Jonathan sterven?
Die zegen, die lieveling van zijn land? Zal dat leven opgeofferd worden aan een overdreven vorm van de wet en van de eer, dat zo kloekmoedig in de waagschaal gesteld werd voor het openbare welzijn, en waaraan wij ons leven en onze overwinning te danken hebben? Neen, wij zullen niet gedogen dat er aldus gehandeld zal worden met hem, in wiens eer God een welbehagen heeft." Het doet goed om Israëlieten ijverig te zien ter bescherming van hen, die God als werktuigen heeft gebruikt voor het welzijn van het algemeen.
Saul had gezworen dat Jonathan zou sterven, maar zij stelden hun eed tegenover de zijnen, en zweren dat hij niet zal sterven. Zo waarachtig als de Heere leeft zo daar-niet alleen zijn hoofd maar een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal, zij hebben hem niet verlost door geweld, maar door verstand en vastberadenheid, en Josephus zegt dat zij een gebed tot God hebben opgezonden, dat hij van de vloek ontheven mocht worden.
Zij voeren voor hem aan dat hij dit heden met God gedaan heeft, dat is: hij heeft de zaak Gods omhelsd, en God heeft zijn pogingen gezegend, en daarom is zijn leven te kostelijk, om wegens een nietigheid weggeworpen te worden." Wij kunnen onderstellen dat Saul niet zo de betrekking van een vader vergeten heeft, of hij wilde Jonathan wel gaarne gered zien, en dat hij tevreden was dat gedaan werd, wat hijzelf toch niet wilde doen, en hij die het hart eens vaders kent, kan er hem niet om laken.
Eindelijk. Door dit voorval is het plan tegen de Filistijnen in duigen gevallen, vers 46. Saul nu toog op van achter de Filistijnen, en zo ging de gelegenheid teloor om de overwinning te voltooien. Als Israëls schilden tegen elkaar stoten, dan zal de openbare veiligheid en dienst er door verliezen.