1 Samuël 14:16-23
Wij hebben hier de vervolging en het gebruik, dat gemaakt werd van het grote voordeel, dat Jonathan en zijn wapendrager op de Filistijnen hadden behaald.
I. De Filistijnen waren door de macht van God zo verbijsterd, dat zij elkaar aanvielen en vernielden. Zij versmolten als sneeuw voor de zon, en gingen voort met elkaar neer te slaan, vers 16, want het zwaard des enen was tegen de anderen, vers 20.
Toen zij van vrees en schrik vloden, hebben zij, inplaats van zich te keren tegen hen, die hen vervolgden, slechts diegenen voor vijanden gehouden, die hun in de weg stonden, en hen als zodanig behandeld.
De Filistijnen waren zo gerust geweest, omdat al de zwaarden en spiesen in hun handen waren, Israël had er geen, behalve die Saul en Jonathan hadden, maar nu toonde God hun de dwaasheid van dat vertrouwen door hun eigen zwaarden en spiesen tot de werktuigen te maken van hun verderf en ze in hun eigen handen noodlottiger te doen zijn, dan zij in Israëls handen geweest waren.
Zie hetzelfde geschied in Richteren 7:22, 2 Kronieken 20:23.
II. Hierdoor werden de Israëlieten tegen hen bemoedigd.
1. Er werd spoedig kennis van genomen door de wachters van Saul, die op schildwacht stonden te Gibea, vers 16. Zij bespeurden dat het leger des vijands in grote verwarring was en dat er een grote slachting onder hen was aangericht, en toch bleek na onderzoek niemand van hun eigen strijdmacht afwezig, behalve Jonathan en zijn dienaar, vers 17, wat hen ongetwijfeld grotelijks heeft bemoedigd, en hun heeft verzekerd, dat het niet anders kon, of dit was van de Heere geschied, als er niets meer van van de mensen doen in was dan hetgeen deze twee tegen een groot heir hebben kunnen doen.
2. Saul begon de mond Gods te vragen, maar liet er spoedig van af. Zijn geest was nog niet zo verootmoedigd om hem er toe te brengen Samuël te raadplegen, hoewel deze waarschijnlijk in zijn nabijheid was, want wij lezen, Hoofdstuk 13:15, dat hij naar Gibea-Benjamins was opgegaan.
Maar hij liet de ark komen, vers 18, wensende te weten of het veilig voor hem was de Filistijnen aan te vallen bij de wanorde, die hij onder hen bespeurde.
Velen willen God raadplegen omtrent hun veiligheid, die Hem nooit raadplegen omtrent hun plicht. Maar horende van zijn verkenners' dat het rumoer in des vijands leger toenam, gebood hij de dienstdoenden priester plotseling af te breken. "
Haal uw hand in, vers 19, raadpleeg niet meer, wacht niet langer op een antwoord. Hij was voorwaar zeer onverstandig indien hij (zoals sommigen denken) hem verbood zijn handen op te heffen in gebed, want toen Jozua met Amalek streed, bleef Mozes zijn handen opheffen. Maar hij verbood hem veeleer de Heere nog verder te vragen, hetzij: a. Omdat hij dacht nu geen antwoord nodig te hebben, daar de zaak duidelijk genoeg was. En toch, hoe meer blijkbaar het was dat God alles gedaan heeft, hoe meer reden hij had, om te vragen of Hij hem wilde vergunnen iets te doen. Of:
b. Omdat hij er nu niet op wilde wachten, hij was in zo'n haast om met de vallende vijand te strijden, dat hij niet wilde wachten om zijn gebeden te eindigen, of om te horen welk antwoord God hem geven zou. Een ijdel, vleselijk gezind hart zal zich door het minste en geringste laten storen in het beoefenen van Godsvrucht. Hij die gelooft zal niet haasten, zich niet op zo'n wijze haasten, noch enigerlei zaak zo dringend achten, om God de tijd niet te geven van met hem te gaan.
3. Met de kleine krijgsmacht, die hij had deed hij een krachtigen aanval op de vijand, en al het volk werd samengeroepen, vers 20, uit gebrek aan de zilveren trompetten, waarmee God hun gebood een alarm te blazen ten dage des strijds, Numeri 10:9. Zij riepen hen tezamen door gejuich, en hun aantal was niet zo groot of zij zouden spoedig bij elkaar zijn. En nu schijnen zij stoutmoedig en dapper, nu het werk reeds voor hen gedaan is.
Onze Heere Jezus heeft onze geestelijke vijanden overwonnen, verslagen en verstrooid, zodat wij in waarheid lafaards zijn, indien wij niet onder de wapens blijven, als wij toch niets anders te doen hebben dan de overwinning te vervolgen en de roof te delen.
4. Iedere Hebreeër, zelfs die, van wie men dit het minst verwacht zou hebben, keerde nu zijn hand tegen de Filistijnen.
a. Zij, die gedeserteerd hadden, en tot de vijand waren overgelopen, en zich onder hen bevonden, streden nu tegen hen, vers 21.
Sommigen denken dat het degenen waren, die door hen gevangen waren genomen, en nu als prikkels in hun zijden waren. Maar het schijnt veeleer dat zij vrijwillig tot hen gegaan waren, maar nu zij hen zagen vallen, weer het hart van Israëlieten kregen, en zich dapper kweten voor hun land.
b. Zij, die hun vaandel hadden verlaten, en zich in het gebergte hadden verscholen, keerden terug naar hun post en voegden zich bij de vervolgers, vers 22, hopende dat zij door hun grote ijver en gedienstigheid, nu het gevaar voorbid en de overwinning zeker was, hun vorige lafhartigheid goed te maken. Het was niet zeer tot hun lof, dat zij nu opkwamen. maar het zou nog groter smaad voor hen geweest zijn, indien zij niet waren opgekomen. Diegenen zijn wel waarlijk lafhartig. die in de zaak Gods niet werkzaam willen zijn, als zij haar overwinnend zowel als rechtvaardig zien.
Zo waren alle handen aan het werk tegen de Filistijnen, en ieder Israëliet versloeg er zoveel hij kon zonder zwaard of spies, maar in vers 23 wordt gezegd:
Alzo verloste de Heere Israël te dien dage. Hij deed het door hen, want zonder Hem konden zij niets doen. Het heil is des Heeren.