1 Samuël 14:1-15
Hier moeten wij nota nemen:
I. Van de goedheid Gods in de Filistijnen, die een groot leger van kloeke mannen te velde hadden, te weerhouden van een aanval te doen op de handvol vreesachtige, sidderende lieden die Saul bij zich had, en die zij gemakkelijk op eenmaal hadden kunnen verdoen.
Het is een onzichtbare macht, die grenzen stelt aan de boosaardigheid van de vijanden van de kerk, en hun niet toelaat datgene te doen, wat, naar wij denken, niets hen verhindert te doen.
II. Van de zwakheid van Saul, die hier geheel verlegen scheen te staan, volstrekt onmachtig om zichzelf te helpen.
1. Hij sloeg zijn tent op onder een boom, en had slechts zes honderd man bij zich, vers 2. Waar waren nu de drie duizend mannen, die hij had verkoren, en waar hij zo op had vertrouwd? Hoofdstuk 13:2.
Zij, op wie hij al te veel had vertrouwd, verlieten hem, toen hij hen het meest nodig had. Hij durfde niet in Gibea blijven, maar begaf zich naar een onbekende plaats aan het uiterste van de stad onder een granaatboom, onder Rimmon zoals het in het Hebreeuws is, Ha-Rimmon, dat Rimmon nabij Gibea, in de spelonken waarvan de zes honderd Benjaminieten, die ontkomen waren, zich hadden verborgen, Richteren 20:47.
Sommigen denken dat Saul zich daar verborg, zo laag en verachtelijk was zijn geest, nu hij onder Gods misnoegen was gevallen, ieder uur verwachtende dat de Filistijnen hem zouden aanvallen, en dat alzo Samuëls bedreiging zou vervuld worden, Hoofdstuk 13:14.
Diegenen kunnen zich nooit veilig gevoelen, die zich buiten Gods bescherming gesteld hebben.
2. Nu zond hij om een priester en de ark een priester van Silo en de ark van Kirjath-Jearim, vers 3, 18. Saul had eenmaal gezondigd door zelf te offeren, Hoofdstuk 13:9, nu besluit hij nooit weer in die dwaling te vervallen, en daarom zendt hij om een priester en hoopt de zaak door een gedeeltelijke reformatie met de Almachtige in orde te brengen, zoals velen doen, wier hart onverootmoedigd en onveranderd is. Samuël, de profeet des Heeren, had hem verlaten, maar hij denkt dat verlies te kunnen vergoeden door Ahia, des Heeren priester, te bevelen tot hem te komen, en deze zal hem niet laten wachten, noch hem bestraffen, zoals Samuël gedaan heeft maar alles doen wat hij zeggen zal, vers 18,.
Velen hebben gaarne leraren, die precies zo zijn als zij hen hebben willen, en zachte dingen tot hen spreken, en hun liefkozen van hen, omdat zij priesters zijn zal, hopen zij, hun vijandschap goed maken tegen die leraren, die getrouw en open met hen handelen.
Hij wil ook dat de ark gebracht zal worden, als een verwijt misschien aan Samuël, die, voorzoveel blijkt, er gedurende zijn regering geen openbaar gebruik van heeft gemaakt, of in de hoop, dat zij een vergoeding zal wezen voor zijn gebrek aan strijdkrachten. Men zou gedacht hebben dat zij wel nooit weer de ark in het leger zouden brengen sedert de vorige keer, toen zij niet alleen hen niet gered heeft, maar zelf de Filistijnen in handen was gevallen.
Maar het is een geheel gewone zaak voor hen die het wezen van de Godsdienst verloren hebben, om de grootste liefde te hebben voor de schaduw er van, zoals hier een verlaten vorst een verlaten priester liefkoosde.
III. Van de dapperheid en Godsvrucht van Jonathan, de zoon van Saul, die veel geschikter was om de kroon te dragen dan zijn vader. "Een lieflijke spruit uit een wilden, oningeënten boom", zegt bisschop Hall.
1. Hij besloot incognito-onbekend aan ieder-in het kamp van de Filistijnen te gaan. Hij heeft zijn voornemen niet aan zijn veder te kennen gegeven, want hij wist dat hij het hem zou verbieden, noch aan het volk, want hij wist dat zij hem allen zouden ontmoedigen, en omdat hij besloten was geen acht te geven op hun tegenwerpingen, wilde hij hen ook niet horen, noch hun om raad vragen, vers 1, 3.
Hij had ook geen hoge mening genoeg van de priester, om hem te raadplegen, maar zich bewust zijnde van een aandrang, die van God kwam, wierp hij zich het gevaar in de mond, in de hoop er zijn land dienst mee te bewijzen.
De toegang tot het kamp des vijands wordt in vers 4 en 5 beschreven als zeer bijzonder moeilijk, en hun natuurlijke verschansingen schenen onneembaar, maar dat ontmoedigt hem niet, de sterkte en scherpte van de rotsen versterkten hem slechts in zijn besluit.
Grootmoedige mannen worden door tegenstand bezield en aangevuurd, en vinden er een genoegen in om er door heen te breken.
2. Hij bemoedigde zijn wapendrager, een jonge man, die hem vergezelde, om alleen met hem op die gevaarlijke onderneming uit te gaan, vers 6. "Kom, laat ons ons leven in onze hand stellen, en naar de bezetting des vijands overgaan, en zien wat wij kunnen doen om hen in verwarring te brengen". Zie waaruit hij moed schept.
a. "Zij zijn onbesneden, en hebben niet, zoals wij, het zegel des verbonds in hun vlees. Vrees niet, wij zullen wel klaar met hen komen, want zij zijn niet onder de bescherming van Gods verbond, zoals wij, kunnen Hem niet de hun noemen, zoals wij het door het teken van de besnijdenis kunnen." Indien zij, die onze vijanden zijn, vreemdelingen zijn voor God, dan behoeven wij hen niet te vrezen.
b. "God is machtig aan ons tweeën de overwinning te geven over hun talloze regimenten. Bij de Heere is geen verhindering, er is geen beperking in de Heilige Israëls, want voor Hem is het volkomen gelijk, om te verlossen door velen of door weinigen". Het is een waarheid, die in het algemeen gemakkelijk toegestemd wordt, dat het voor de Almacht volkomen gelijk is, door welke middelen zij werkt, en toch is het niet zo gemakkelijk om het in toepassing te brengen in een bijzonder geval, als wij slechts weinigen en zwak zijn, om dan te geloven, dat God ons niet alleen kan redden, maar door ons redding kan geven, dat is een daad van geloof, die, waar zij ook gezien wordt, getuigenis zal verkrijgen. Laat dit de zwakken versterken, de moedelozen bemoedigen, laat er op gepleit worden bij God om kracht bij te zetten aan onze gebeden, en bij onszelf om onze vrees tot zwijgen te brengen: "Het is niets bij God om te helpen, hetzij de machtige, hetzij de krachteloze", 2 Kronieken 14:11.
c. Wie weet of Hij, die ons tot Zijn eer en heerlijkheid kan gebruiken, het ook niet zal? Misschien zal de Heere voor ons werken. met ons werken, een teken of wonder voor ons werken", aldus de Chaldeër. Wij kunnen ons bemoedigen met de hoop, dat God voor ons zal verschijnen, al hebben wij ook geen grond om er de verzekerdheid op te bouwen.
Een werkzaam geloof zal zich in Gods zaak ver wagen op een "misschien". Zijn wapendrager of schildknaap beloofde-alsof hij niet alleen zijn wapens had leren dragen, maar ook zijn hart-bij hem te blijven, en hem te volgen overal waar hij zou heengaan, vers 7.
Wij hebben reden te geloven dat Jonathan een Goddelijke aandrift gevoelde, om op deze stoute onderneming uit te gaan, waardoor hij aangemoedigd werd door de instemming en medewerking van zijn dienaar want anders zou het gevaar, dat hij tegemoet ging zo groot geweest zijn, dat hij eerder God verzocht dan op Hem vertrouwd had.
En wellicht heeft hij zeer bijzonder gelet op het woord van Jozua, Jozua 23:10 : "Een enig man onder u zal er duizend jagen", ontleend aan Mozes, Deuteronomium 32:30.
3. Hoe stoutmoedig hij nu ook was in zijn besluit, besloot hij toch Gods voorzienigheid te volgen in de uitvoering er van, die, naar hij geloofde, hem zou leiden, "Gods oog zou op hem zijn", Psalm 32:8, waarop hij dus zeer zorgvuldig zal letten om er de wenken van te ontvangen en te volgen. Zie:
A. Hoe hij zich op de leiding van Gods voorzienigheid verlaat, en vast besloten is haar te volgen. "Kom", zegt hij tot zijn dienaar "wij zullen ons aan de vijand ontdekken als degenen, die niet schromen hen in het aangezicht te zien, vers 8.
Indien zij dan zo voorzichtig zijn om ons te zeggen stil te staan dan zullen wij niet verder gaan, daar dit ons een wenk van de voorzienigheid zal wezen dat God wil dat wij verdedigenderwijs zullen handelen, en dan zullen wij ons zo goed wij kunnen bereiden om hun een warme ontvangst te geven, vers 9.
Maar als zij vermetel genoeg zijn om ons uit te dagen, en de eerste schildwacht, die wij ontmoeten, ons zegt voorwaarts te gaan, dan zullen wij voorwaarts gaan, en een stouter aanval doen, daar het ons hieruit blijkt dat het Gods wil is, dat wij aanvallenderwijs te werk zullen gaan, en dan niet twijfelen, dat God ons zal bijstaan, vers 10. Daar laat hij het dus van afhangen, vastelijk gelovende, zoals wij allen behoren te geloven:
a. Dat God het bestuur heeft over het hart en de tong van alle mensen, zelfs van hen, die Hem niet kennen, noch acht op Hem slaan, en door hen Zijn eigen doeleinden tot stand brengt, hoewel zij het zo niet menen, en hun hart alzo niet denkt. Jonathan wist dat God hem Zijn wil kon te kennen geven, zo Hem dit behaagde en het ook zou doen, daar hij op Hem steunde en bebouwde, even gewis door de mond van een Filistijn. als door de mond van een priester. b. Dat God op de een of andere wijze de voetstappen zal leiden van hen, die Hem erkennen in al hun wegen, en op Hem zien voor leiding, met een vast voornemen des harten om Zijn leiding te volgen. Soms vinden wij de meeste vertroosting in hetgeen het minst ons eigen doen is, maar waarin wij geleid werden door de niet verwachte, maar nauwkeurig opgemerkte wendingen van Gods voorzienigheid.
B. Gods voorzienigheid gaf hem het teken dat hij verwachtte, en hij beantwoordde het sein. Hij en zijn wapendrager hebben de Filistijnen niet overvallen in hun slaap, maar zich bij daglicht aan hen ontdekt, vers 11. De wachten van de Filistijnen:
a. Minachtten hen verweten hun de lafhartigheid van velen onder hun volk, en zagen op hen als behorende tot het regiment van de sluipers.
Zie, de Hebreeën zijn uit de holen uitgegaan. Als sommigen van Christus' krijgsknechten de lafaard uithangen, kunnen anderen, die zich als mannen gedragen het verwijt er van moeten horen.
b. Zij daagden hen uit, vers 22. Komt, wij zullen u wat laten zien, alsof zij kwamen als kinderen om eens rond te kijken, maar bedoelende als Goliath, Hoofdstuk 17:44, dat zij hun vlees de vogelen des hemels geven zouden.
Zij bespotten hen, niet twijfelende of zij zouden hun ten prooi worden. Dit heeft Jonathan grotelijks aangemoedigd. Daarmee heeft hij ook zijn dienaar aangemoedigd. Hij had met onzekerheid gesproken, vers 6.
Misschien zal de Heere door ons werken, maar nu spreekt hij met verzekerdheid, vers 12. De Heere heeft hen gegeven, niet in onze hand-hij zocht zijn eigen eer niet-maar in de hand Israëls, want hij had niets dan het algemene welzijn op het oog. Zijn geloof aldus versterkt zijnde, kan geen moeilijkheid hem terughouden. Op handen en voeten klimt hij de rots op, vers 13, hoewel hij generlei bedekking had, geen hulp had van zijn dienaren, behalve van zijn wapendrager, en hij naar menselijk aanzien slechts de dood tegemoet ging.
4. Het wonderbare welslagen van deze stoute onderneming. De Filistijnen, inplaats van Jonathan aan te vallen en hem te doden of gevangen te nemen, zijn op de eersten slag, die hij hun toebracht, op onbegrijpelijke wijze voor zijn aangezicht gevallen, vers 13. Zij vielen, dat is:
A. Velen van hen werden door hem en zijn wapendrager gedood, vers 14, twintig Filistijnen zijn terstond gevallen. Het was niet zozeer de naam van Jonathan, die hen zo gedwee maakte (hoewel sommigen denken dat hij sedert hij een hunner bezettingen geslagen had, een schrik voor hen was geworden, Hoofdstuk 13:, maar het was Gods rechterhand, en Zijn arm, die hem deze overwinning gaf.
B. De overigen werden op de vlucht gedreven, en kwamen in botsing met elkaar vers 15. Er was een beving in het leger. Er was geen zichtbare oorzaak voor vrees, zij waren talrijk, stoutmoedig, en hadden zeer voordelige stellingen ingenomen, de Israëlieten waren gevloden voor hun aangezicht, er was geen vijand om hun het hoofd te bieden dan een enkel persoon met zijn dienaar, en toch sidderden zij als een espenblad, de ontsteltenis was algemeen, allen beefden, zelfs de verdervers, zij, die het stoutst en het vurigst waren, deelden in de algemenen schrik, de banden hunner lenden werden los, en hun knieën stieten tegen elkaar aan, en toch kon niemand hunner zeggen waarom, het wordt een beving Gods genoemd, in de oorspronkelijke uitdrukking betekenende, niet alleen, zoals wij het overzetten: een zeer grote of sterke beving, die zij niet konden weerstaan, noch door redenering van zich af konden schudden, maar dat zij bovennatuurlijk was, en onmiddellijk van de hand Gods kwam. Hij, die het hart heeft gemaakt, weet hoe het te doen beven. Om de verwarring te voltooien, heeft ook de aarde gebeefd, zodat het hun was, alsof zij hen ging verzwelgen. Hen, die de eeuwigen God niet willen vrezen, kan Hij bevreesd maken voor een schaduw. Zie Spreuken 28:1, Jesaja 33:14.