Jozua 23:1-10
Wat betreft de datum van dit edict van Jozua:
I. Wij vinden volstrekt geen melding gemaakt van de plaats, waar deze algemene vergadering gehouden werd. Sommigen denken, dat het te Timnath-Serah, Jozua's eigen stad was, waar hij woonde, en vanwaar hij, zeer ver gevorderd zijnde in jaren, zich niet goed verplaatsen kon. Maar het blijkt niet dat hij zo'n hogen staat heeft gevoerd, en daarom is het meer waarschijnlijk dat deze bijeenkomst plaats had te Silo, waar de tent van de samenkomst was, en waar misschien alle mannen, die konden, bijeengekomen waren ter aanbidding op een van de drie grote feesten, welke gelegenheid Jozua gebruikte om hun deze last over te leveren.
II. Slechts in algemene bewoordingen wordt melding gemaakt van de tijd, wanneer dit geschiedde. Het was na vele dagen, nadat de Heere Israël rust gegeven had, maar er wordt niet gezegd na hoevele dagen, vers 1. Het was:
1. Na zovele dagen, dat Israël de tijd had om het aangename te gevoelen van hun rust en hun bezit van Kanaän, en om de voordelen van dat goede land te genieten.
2. Na zovele dagen, dat Jozua de tijd had om waar te nemen aan welke kant hun gevaar lag om verdorven te worden, namelijk door hun gemeenzaamheid met de Kanaänieten, die nog overgebleven waren, waartegen hij hen dus zorgvuldig wil wapenen.
III. De personen, tot wie Jozua deze rede gericht heeft: tot geheel Israël, hun oudsten enz, vers 2. Zij konden niet allen binnen het bereik van zijn stem komen, maar hij riep al de oudsten, dat is de raadsheren, die in latere tijden het groot sanhedrin vormden, de hoofden van de stammen, dat zijn de edelen, of aanzienlijken, de rechters, die wetgeleerden of rechtsgeleerden waren, die criminele zaken onderzochten, en er uitspraak in deden-eindelijk de ambtlieden, aan wie de uitvoering van de rechterlijke vonnissen was opgedragen. Dezen riep Jozua tezamen en tot hen richtte hij het woord:
1. Opdat zij van hetgeen hij zei, of tenminste van de zakelijke inhoud ervan, mededeling zouden doen aan hen, die in hun verschillende landstreken hun onderhorigen waren, en deze last aldus door het gehele land bekend zou worden.
2. Omdat, zo zij bewogen werden om God te dienen en Hem aan te hangen, zij het volk door hun invloed op de rechten weg zouden houden. Als grote mannen Godvrezende mannen zijn, dan kan dit grotelijks helpen om de Godsvrucht bij velen ingang te doen vinden.
IV. Jozua's toestand, toen hij hun deze last gaf: hij was oud en wel bedaagd, vers 1. Het was waarschijnlijk in het laatste jaar van zijn leven, en hij is honderd en tien jaren oud geworden, Hoofdstuk 24:29. En in de eerste woorden van zijn rede maakt hij zelf melding hiervan vers 2. Toen hij enige jaren geleden oud begon te worden, heeft God er hem aan herinnerd Hoofdstuk 13:1 Gij zijt oud. Maar nu hij zelf het verval van de ouderdom zo gevoelde, dat hij er niet aan herinnerd behoefde te worden spreekt hij er zelf over: Ik ben oud geworden en wel bedaagd. Hij gebruikt dit: 1. Als een argument voor zichzelf om hun deze last te geven, omdat hij, oud zijnde, verwachten kon nog slechts weinig tijds met hen te zijn om hen te onderwijzen en hun raad te geven, en daarom zal hij (zoals Petrus zegt, 2 Petrus 1:1 zolang hij in deze tabernakel is, alle gelegenheden waarnemen om hen te herinneren aan hun plicht, door de toenemende gebreken van de ouderdom wetende, dat hij weldra deze tabernakel zal moeten afleggen, en begerende dat zij na zijn dood even Godvruchtig zullen blijven als zij nu waren. Als wij de dood snel tot ons zien naderen, dan moet dit ons opwekken om met al onze macht het werk des levens te doen.
2. Als een argument bij hen, om acht te geven op hetgeen hij zei. Hij was oud en ervaren, en daarom moet er temeer acht op hem gegeven worden, want dagen behoren te spreken. Hij was oud geworden in hun dienst, en had zich voor hun welzijn te koste gegeven en daarom behoorden zij temeer acht op hem te slaan. Hij was oud en stervende, hij zal niet lang meer tot hen kunnen spreken, zo laat hen nu dan achtgeven op hetgeen hij zegt, en zijn woorden bewaren voor latere tijden.
V. De rede zelf, waarvan doel en strekking is, hen en hun zaad na hen te bewegen om te volharden in het ware geloof en de aanbidding van de God Israëls.
1. Hij herinnert hen aan de grote dingen, die God voor hen gedaan heeft, nu in zijn dagen en onder zijn bestuur, want hij gaat hier niet verder terug. En ten bewijze hiervan beroept hij zich op hun eigen ogen, vers 3. "Gijlieden hebt gezien alles, wat de Heere, uw God, gedaan heeft, niet wat ik gedaan heb, of wat gijlieden gedaan hebt, wij zijn slechts werktuigen geweest in Gods hand, en wat God zelf gedaan heeft door mij en voor ulieden." Vele grote en machtige volkeren (naar de maatstaf van de volkeren van die tijd) waren uitgedreven van zo'n mooi land als er toen ergens op aarde was, om plaats te maken voor Israël. "Gij ziet wat Hij gedaan heeft aan deze volken, die Zijn schepselen waren, het werk van Zijn handen, en die Hij tot nieuwe schepselen had kunnen maken, geschikt voor Zijn dienst, gij ziet welke verwoestingen Hij onder hen heeft aangericht om uwentwil, vers 3, hoe Hij hen van uw aangezicht heeft verdreven, vers 9, alsof zij voor Hem van geen belang waren, hoewel zij, bij ulieden vergeleken, groot en sterk waren.
b. Zij zijn niet slechts uitgedreven-dat zou kunnen geschied zijn, maar tevens zijn heengezonden naar een ander, minder rijk land, om er een nieuwe volksplanting te beginnen, naar die woestijn bijvoorbeeld, waarin Israël zo lange tijd omgewandeld heeft en zo zouden zij dan als het ware van woonplaats met hen geruild hebben-maar zij werden voor hun aangezicht vertreden en verdaan. Hoewel zij hun met de grootst mogelijke hardnekkigheid tegenstand hebben geboden, werden zij toch ten ondergebracht, hetgeen het bezit van hun land zoveel te meer glorierijk maakte voor Israël, en een zoveel heerlijker voorbeeld deed zijn van de macht en goedheid van de God Israëls. De Heere uw God heeft u niet slechts geleid, en gevoed, en onderhouden, maar Hij heeft als een krijgsman voor u gestreden", vers 3, bij deze titel van krijgsman was Hij hun bekend, toen Hij hen uitgevoerd had uit Egypte, Exodus 15:3. Zo onbetwist en zo gemakkelijk waren al hun overwinningen in de loop van deze langdurige oorlog dat niemand voor hun aangezicht bestaan heeft, vers 9, dat is om hun het hoofd te bieden, hetzij om hen bevreesd te maken, hun moeilijkheden in de weg te leggen, of de voortgang van hun overwinnende wapens te stuiten. In iedere veldslag behaalden zij de overwinning, bij ieder beleg namen zij de stad in. Hun verlies voor Ai was om een bijzondere reden, was gering en diende slechts om hun te tonen in welke verhouding zij tot God stonden, maar anders werd nooit een leger met zo'n onafgebroken reeks van overwinningen gekroond als Israëls leger in de oorlogen van Kanaän.
c. Zij hadden de Kanaänieten niet slechts overwonnen, maar waren in het volle bezit van hun land gekomen, vers 4. "Ik heb u deze overige volken door het lot doen toevallen, zowel die welke uitgeroeid waren, als die welke nog overgebleven zijn, niet slechts opdat gij hen plunderen en beroven kunt, en voor een tijd naar goeddunken in hun land zoudt wonen, maar als een blijvend erfdeel voor uw stammen. Gij hebt het niet slechts onder uw voet, maar in uw handen."
2. Hij verzekert hun van Gods bereidheid om dit glorierijke werk te bestemder tijd voort te zetten en te voleindigen. Het is waar, er bleven nog Kanaänieten over, en in sommige plaatsen waren zij sterk en stoutmoedig, maar dat zal geen teleurstelling wezen voor hun verwachting, als Israël zo vermenigvuldigd zal wezen, dat zij dit land kunnen vervullen, dan zal God de Kanaänieten tot de laatste man toe uitdrijven, mits Israël zijn voordeel vervolgt, en de oorlog tegen hen met kracht voortzet vers 5. "De Heere uw God zelf zal hen van voor ulieder aangezicht verdrijven, zodat er geen Kanaäniet meer te zien zal zijn in het land, en zelfs dat deel des lands, dat nu nog in hun handen is, zult gij bezitten. Als hier tegen ingebracht zou worden dat de krijgslieden van de verschillende stammen naar hun onderscheidene plaatsen verstrooid zijnde, en het leger ontbonden, het moeilijk zou zijn om hen weer bij elkaar te krijgen, als het nodig was om de oorlog met de nog overgebleven Kanaänieten te vernieuwen, dan zegt hij hun, in antwoord hierop, hoe weinig zij in zorg behoeven te zijn over het aantal van hun krijgslieden, vers 10. Een enig man onder u zal er duizend jagen, zoals Jonathan gedaan heeft, 1 Samuël 14:13. "Elke stam kan uitgaan om zijn erfdeel in bezit te nemen, zonder het nadeel te vrezen, voortvloeiende uit het onevenredige van de getallen, want de Heere uw God, wiens alle macht is, beide om te bemoedigen en om te ontmoedigen, en die alle schepselen in Zijn bedwang heeft, Hij is het, die voor u strijdt, en voor hoevelen rekent gij Hem?
3. Hierop vermaant hij hen zeer ernstig en zeer nadrukkelijk bij hun plicht te blijven en te volharden in de goede wegen des Heeren waarin zij zo goed begonnen waren te wandelen. Hij zegt hun:
A. Zeer sterk te zijn, vers 6. "God strijdt voor u tegen uw vijanden, gedraagt gij u dan kloekmoedig voor Hem. Houdt en doet met een vast voornemen des harten alles, dat geschreven is in het wetboek van Mozes." Hij dringt op niets meer bij hen aan, dan hetgeen, waartoe zij reeds gehouden en verplicht waren. "Houdt zorgvuldig, doet naarstiglijk en in oprechtheid wat geschreven is."
B. Zeer voorzichtig te zijn. Wijkt daar niet van af ter rechter noch ter linkerhand, want beide ter rechter en ter linkerhand zijn dwalingen. Hoedt u voor een onheilig veronachtzamen van Gods inzettingen, of een bijgelovig toevoegen van uw bedenkselen er aan. Inzonderheid moeten zij zich hoeden voor alles wat zweemt naar afgoderij, de zonde, waar zij het eerst toe geneigd zijn, en het meest toe in verzoeking zullen komen, vers 7. a Zij moeten niet bekend worden met afgodendienaars, hen niet gaan bezoeken, hun feesten niet bijwonen, want zij kunnen niet gemeenzaam met hen worden, geen omgang met hen hebben, zonder gevaar te lopen van besmet te worden.
b. Zij moeten niet de minste eerbied aan de dag leggen voor enigerlei afgod, de naam van hun goden niet noemen, maar er naar streven om er de gedachtenis van in eeuwige vergetelheid te begraven, opdat hun aanbidding niet weer in zwang kome, laat zelfs hun naam worden vergeten. "Ziet op afgoden als vuile, verfoeilijke dingen, die niet zonder de uiterste walging en afkeer genoemd moeten worden." De Joden wilden aan hun kinderen niet toelaten zwijnevlees te noemen, omdat het verboden was opdat het noemen er van de begeerte er naar niet bij hen zou opwekken, maar als zij ervan spreken moesten, dan moesten zij het "dat vreemde ding" noemen. Het is te betreuren dat onder Christenen de namen van heidense godheden zo dikwijls gebruikt worden dat zij er zo gemeenzaam mee zijn, inzonderheid in drama's en gedichten, Iaat die namen, welke in mededinging met God gekomen zijn, voor altijd verafschuwd en weggedaan worden.
c. Zij moeten anderen niet steunen om er eerbied aan te bewijzen. Niet slechts moeten zij zelf niet bij hen zweren, maar zij moeten ook anderen niet bij hen doen zweren, waarin opgesloten ligt dat zij met afgodendienaars geen verbond moeten aangaan, omdat zij ter bevestiging van hun verbond of verdrag bij hun afgoden zouden zweren, geen Israëlieten moeten zo'n eed toelaten of erkennen.
d. Zij moeten zich wachten voor deze aanleidingen tot afgoderij uit vrees van anders stap voor stap tot de hoogsten trap er van te komen, namelijk valse goden te dienen, zich voor hen neer te buigen tegen de letter van het tweede gebod in
C. Zeer standvastig te zijn, vers 8. De Heere, uw God, zult gij aanhangen, dat is: Verlustigt u in Hem, steunt op Hem, wijdt uzelf toe aan Zijn eer en heerlijkheid en blijft dit doen ten einde toe, gelijk als gij tot op deze dag gedaan hebt, van dat gij in Kanaän zijt gekomen", want, daar hij hen gaarne in het gunstigste licht beziet, wil hij niet naar de ongerechtigheid van Peor terugzien. Er kon wel veel verkeerds onder hen wezen, maar den, Heere hun God hadden zij niet verlaten, en het is om zijn vermaning tot volharding met te meer kracht ingang bij hen te doen vinden dat hij hen prijst. "Gaat voort, en weest voorspoedig, want de Heere is met u, zolang gij met Hem ziet." Zij, die bevelen, behoren te loven, het middel om de mensen beter te maken, is het goede in hen te zien en op prijs te stellen. "Totnutoe zijt gij de Heere blijven aanhangen, gaat dan zo voort, want anders verliest gij de lof en het loon van hetgeen gij gewrocht hebt. Uwe gerechtigheden, die gij gedaan hebt, zullen niet gedacht worden, indien gij u er van afkeert.