1 Kronieken 23:24-32
I. Hier wordt een verandering gemaakt in de telling van de effectieve mannen van de Levieten, terwijl zij in Mozes' tijd niet in dienst genomen werden voordat zij dertig jaren oud waren, noch tot de proeftijd werden toegelaten voor hun vijf en twintigste jaar, Numeri 8:24, heeft David, onder leiding en bestuur van God bevolen, dat zij "voor de dienst van het huis des Heeren" geteld zouden worden van twintig jaren oud en daar boven, vers 14.
Deze order bevestigde hij door zijn laatste woorden, vers 27.
Toen hij de laatste hand legde aan het ontwerp van deze inrichting, heeft hij uitdrukkelijk bevolen dat dit voor altijd later gedaan zou worden, doch niet hij, maar de Heere.
1. Daar aan de jonge Levieten geen werk was aangewezen voor zij vijf en twintig jaren oud waren, hebben velen van hen zich misschien aan luiheid en ledigheid gewend of zich overgegeven aan vermaak, wat een vlek bleek te worden op hun goede naam en hen later hinderde in hun nuttige arbeid.
Om dit nu te voorkomen, worden zij reeds op twintigjarige leeftijd aan het werk gezet en onder tucht gebracht.
Zij, die tot uitnemendheid willen komen, moeten vroeg leren zich moeite te geven en zorgvuldig te zijn.
2. Toen het werk van de Levieten bestond in het dragen van lasten, zware lasten, de tabernakel met zijn toebehoren, wilde God hen er niet toe roepen voordat zij tot hun volle kracht waren gekomen, want Hij weet wat maaksel wij zijn, en rekent er mee als Hij ons roept tot dienen zowel als tot lijden, en zal ons niet meer opleggen dan wij dragen kunnen.
Maar nu had God rust gegeven aan Zijn volk, en Jeruzalem tot Zijn eeuwige woning gesteld, zodat het nu niet meer nodig was de tabernakel met zijn gereedschappen te dragen. De dienst was veel lichter, zodat zij niet overwerkt werden indien zij er op twintigjarige leeftijd in opgenomen werden.
3. Het volk van Israël was in aantal toegenomen, er was reeds een algemene toeloop naar Jeruzalem, die nog zou toenemen als de tempel gebouwd zal zijn, meer dan ooit naar Silo, of Nob of Gibeon, er werden dus meer handen vereist voor de tempeldienst, opdat ieder Israëliet, die een offer bracht, een Leviet zou vinden, gereed en bereid om hem te helpen.
Als meer werk gedaan moet worden, dan is het billijk om meer werklieden op te roepen om het te doen. Waarom zouden de arbeiders weinigen zijn, als de oogst overvloedig is?
II. Nadere bijzonderheden omtrent het werk van de Levieten. Wat het werk van de priesters was werd ons gezegd in vers 13 : de allerheiligste dingen te heiligen, te roken, dat is reukwerk te branden, voor het aangezicht des Heeren, en in Zijn naam te zegenen. Met dat werk hadden de Levieten zich niet te bemoeien, en toch hadden zij werk genoeg, en goed werk, naar hetgeen hun was aangewezen, vers 4, 5.
1. Diegenen, die het werk van het huis des Heeren moesten aandrijven, vers 4, moesten hierin wezen aan de hand van de zonen Aarons vers 28 , zij moesten het zware, het verachtelijke werk (indien enigerlei werk voor God verachtelijk genoemd kan worden) van het huls Gods doen, de voorhoven en de kameren rein houden, de dingen op hun plaats zetten, om ze bij de hand te hebben als zij gebruikt moesten worden.
Zij moesten de toonbroden bereiden, die de priesters op de tafel moesten leggen, het meelbloem en de vladen bezorgen voor de spijsoffers, opdat voor de priesters alles in gereedheid zou zijn bij hun werk.
2. Diegenen van hen, die rechters en ambtlieden waren, hadden het oog op alle maat en afmeting, vers 29.
De standaards van alle gewichten en maten werden in het heiligdom bewaard, en de Levieten hadden de zorg er over om toe te zien dat zij nauwkeurig waren, en er andere maten en gewichten aan te beproeven, door ze er mee te vergelijken als daar een beroep voor werd gedaan op hen.
3. Het werk van de zangers was de Heere te loven en te prijzen, vers 30, bij het offeren van het morgen en het avondoffer, en andere offeranden op de sabbaten, van de nieuwe maanden, enz, vers 31.
Mozes gebood dat zij met de trompetten moesten blazen over hun brandofferen en in hun gezette hoogtijden, Numeri 10:10.
De klank daarvan was ontzagwekkend, en kon de aanbidders aandoen en ontroeren, maar was niet zo'n redelijke dienst als door David werd verordineerd in het zingen van psalmen bij deze gelegenheden. Naarmate de Joodse kerk opgroeide uit haar kindsheid, werd zij al meer verstandelijk in haar godsdienstoefeningen, totdat zij er eindelijk toe kwam, om in het Evangelie teniet te doen wat eens kinds was, 1 Corinthiers 13:11 , Galaten 4:3, 9.
4. Het werk van de portiers was de wacht van de tent van de samenkomst en de wacht des heiligdoms waar te nemen, opdat niemand er toe zou naderen dan zij, aan wie dit vergund was, en deze niet dichter, dan het hun veroorloofd was, vers 32.
Zij meesten ook de wacht van de zonen Aarons waarnemen, hun ten diepste staan, hun boodschappen doen, die toch "hun broeders" genoemd worden tot een herinnering aan de priesters, dat zij, hoewel tot een hoge waardigheid bevorderd, toch "uit dezelfde rotssteen gehouwen" waren als de gewone Levieten, en dus niet de heer en meester over hen moesten spelen, maar hen bij alle gelegenheden als broeders moesten behandelen.