Numeri 18:1-7
De samenhang van dit hoofdstuk met het vorige is zeer opmerkelijk.
I. Aan het einde van dat hoofdstuk had het volk geklaagd over de moeilijkheid en het gevaar, die er in gelegen waren om tot God te naderen, waardoor zij de ontzettende vrees koesterden, dat de tabernakel in hun midden, die naar zij hadden gehoopt hun blijdschap en hun eer zou zijn, veeleer hun verschrikking en hun verderf zou wezen. In antwoord nu op deze klacht geeft God hun door Aaron te verstaan, dat de priesters als hun vertegenwoordigers zouden naderen, zodat het volk wel op een afstand moest blijven, maar dat hun niet tot schande of nadeel zou strekken, maar dat hun troostrijke gemeenschap met God onderhouden zou worden door tussenkomst of bemiddeling van de priesters.
II. God had nu aan Aaron zeer grote eer bewezen, zijn staf had gebloeid, terwijl de staven van de andere oversten droog en dor waren gebleven, ontbloot van vrucht, zowel als van sieraad. Opdat nu Aaron niet opgeblazen zou zijn door de veelheid van de gunsten, die hem waren bewezen, en de wonderen, die gewrocht waren tot zijn ondersteuning en handhaving in zijn hoge plaats, komt God tot hem om hem te herinneren aan de last, die hem was opgelegd, en de plicht die van hem, als priester, geëist werd. Hij zal reden zien om niet hovaardig te wezen op zijn bevordering, maar de eer van zijn ambt te ontvangen met eerbied en heilig vrezen, als hij bedenkt hoe groot de zorg, en hoe zwaar de last was, die hem waren opgelegd, en hoe moeilijk het voor hem zou wezen om goede rekenschap te geven van zijn gedrag in dit ambt. Wees niet hooggevoelende, maar vrees.
1. God spreekt hem van het gevaar, dat aan zijn waardigheid is verbonden, vers 1.
a. Dat beide priesters en Levieten Gij, en uw zonen en het huis uws vaders, de ongerechtigheid van het heiligdom zullen dragen, dat is: indien het heiligdom ontwijd werd door het indringen van vreemdelingen of van personen in hun onreinheid, dan zullen de Levieten en de priesters er de schuld van dragen, daar zij hen verwijderd hadden moeten houden. Hoewel de zondaar, die zich daar moedwillig binnendrong, in zijn ongerechtigheid zou sterven, zal zijn bloed toch van de hand van de wachter geëist worden. Of, het kan genomen worden in meer algemene zin: "Indien een van de ambtsplichten van het heiligdom verzuimd of veronachtzaamd wordt, indien een dienst niet op de bestemde tijd wordt verricht, of niet overeenkomstig de wet, indien er bij de verplaatsing van het heiligdom iets verloren of verlegd is, dan zult gij er rekenschap van hebben te geven, gij zult het hebben te verantwoorden".
b. Dat de priesters zelf de ongerechtigheid van hun priesterambt zullen dragen, dat is: indien zij enig deel van hun werk veronachtzamen, of iemand anders toestaan om zich in te dringen in hun ambt en hun het werk uit handen te nemen, dan zullen zij er de schuld van dragen. Hoe groter het werk of de macht is, die ons is toevertrouwd, hoe groter ons gevaar van schuld op ons te laden door er ontrouw aan te zijn. Het is een goede reden, waarom wij niet afgunstig moeten wezen op anderer eer of ambt, en waarom wij voor onszelf geen hoge plaatsen moeten begeren, dat grote eer en waardigheid ons blootstellen aan grote ongerechtigheid. Zij, aan wie de zorg voor het heiligdom is opgedragen, zullen zeer veel te verantwoorden hebben. Wie zou de zorg over zielen begeren, die denkt aan de rekenschap, die er van afgelegd moet worden?
2. Hij spreekt hem van de plicht, die aan zijn waardigheid is verbonden. a. Dat hij en zijn zonen moeten zijn-dat is: dienen-voor de tent van de getuigenis, vers 2, dat is (zoals bisschop Patrick het verklaart, voor het heilige van de heiligen, waarin de ark was, aan de buitenzijde van de voorhang van die tabernakel, maar binnen de deur van de tabernakel van de vergadering, zij moesten het gouden altaar bedienen, de tafel en de kandelaar verzorgen waartoe geen Leviet mocht naderen. Gij zult bedienen, vers 7, niet: "Gij zult heersen", er was nooit bedoeld dat zij de meester zouden spelen over het erfdeel des Heeren, maar "gij zult God en de vergadering dienen." Het priesterschap is een dienst. "Zo iemand tot een opzienersambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk." Evangeliedienaren moeten gedenken dat zij dienaren zijn, van wie geëist wordt dat zij ootmoedig, naarstig en getrouw zijn.
b. Dat de Levieten hem en zijn zonen behulpzaam moeten zijn, hen moeten dienen in allen dienst des tabernakels, vers 2-4, hoewel zij volstrekt niet mogen naderen tot de vaten van het heiligdom, noch zich mogen mengen met de gewichtige diensten om het vet te verbranden of het bloed te sprengen. Aarons gezin was zeer klein, en naarmate het toenam zullen ook de andere gezinnen van Israël toenemen, zodat hun handen thans niet volstonden voor al de dienst van de tabernakel, en ook in de toekomst er waarschijnlijk niet voor zullen volstaan. Daarom (zegt God) zullen de Levieten u bijgevoegd worden en u dienen, vers 2, en wederom in vers 4, waar een toespeling schijnt te wezen op de naam Levi, die "bijgevoegd" betekent. Velen van de Levieten hadden zich onlangs tegen Aaron verzet, maar God belooft dat zij van nu voortaan van harte met hem verenigd zullen zijn in belang en genegenheid, en niet meer met hem zullen twisten. Het was voor Aaron een goed teken dat God hem erkende toen Hij het hart neigde van hen, die hem moesten dienen om hem als hun meerdere te erkennen. De Levieten worden gezegd een gave te zijn, geschonken aan de priesters, vers 6. Wij behoren het als een grote gave van Gods goedheid te waarderen, dat ons diegenen bijgevoegd zijn, die ons behulpzaam zijn in de dienst van God.
c. Dat beide, priesters en Levieten, zorgvuldig moeten waken tegen de ontheiliging van de heilige dingen. De Levieten moeten de wacht waarnemen van de tabernakel opdat geen vreemde (dat is: ieder aan wie het verboden was) nabij kome, vers 4, en dat wel op straffe des doods, vers 7. En de priesters moeten de wacht waarnemen van het heiligdom vers 5, moeten het volk onderrichten, en hen waarschuwen ten opzichte van de behoorlijke afstand, waarop zij zich hadden te houden, en hun niet toelaten om de hun gezette perken te overschrijden, zoals Korachs vergadering gedaan had, opdat er geen verbolgenheid meer zij over de kinderen Israëls. Zonde voorkomen is toorn voorkomen, en het kwaad, dat de zonde gewrocht heeft, behoort ons een waarschuwing te zijn voor de toekomst, om er zowel in onszelf als in anderen tegen te waken.