Deuteronomium 7:1-11
I. Hier is een zeer strenge waarschuwing tegen alle vriendschap en gemeenschap met afgoden en afgodendienaars. Zij, die in gemeenschap met God zijn toegelaten, moeten geen gemeenschap hebben met de onvruchtbare werken van de duisternis. Deze dingen werden hen bevolen om hen te bewaren voor de strik, die thans op hun weg lag.
1. Zij moeten geen genade betonen, vers 1.
2. Er wordt hen hier bloedig werk te doen gegeven, maar het is Gods werk, en goed werk, op zijn tijd en plaats nodig, Gode welbehagelijk en eervol.
A. God verbindt zich hier om het Zijne te doen. Er wordt van gesproken als van een aangenomen, overeengekomen zaak, dat God hen in het beloofde land zal brengen, dat Hij de volken, die de tegenwoordige bezitters van het land zijn, voor hun aangezicht zou uitdrijven, daar bleef geen twijfel over. Zijn macht is onweerstaanbaar, en daarom kan Hij het doen, Zijn belofte is onverbreekbaar, en daarom zal Hij het doen.
a. Deze aan het verderf gewijde natiën worden hier genoemd en geteld, vers 1. Het zijn er zeven, en zeven tegen een scheen wel een zeer ongelijke strijd te zullen opleveren. Zij worden genoemd, opdat Israël de perken en grenzen van zijn opdracht zou kennen, tot hiertoe moet hun strengheid gaan, maar niet verder, en zij moesten ook niet onder schijn of voorgeven van hun opdracht, allen doden, die in hun weg kwamen. De beperking van hun opdracht tot de hiergenoemde volken geeft duidelijk te kennen, dat dit in latere eeuwen niet tot precedent moet genomen worden, het zal de barbaarse oorlogen niet rechtvaardigen, waarin geen lijfsgenade wordt verleend. Hoezeer deze methode, toen God zelf haar voorschreef, in overeenstemming moge geweest zijn met de bedeling, onder welke zo'n menigte van dieren geslacht en verbrand werden tot offeranden, thans, nu alle zoenoffers volmaakt zijn in en vervangen door de grote verzoening aangebracht door het bloed van Christus is menselijk bloed wellicht kostbaarder geworden dan het geweest is, en zij die de meeste macht hebben, moeten het niet verspillen.
b. Hier wordt erkend dat die volken groter en machtiger waren dan Israël. Zij waren lang gevestigd in dat land, voor hetwelk de Israëlieten vreemdelingen waren, zij waren talrijker, van groter lichaamsbouw en meer ervaren in de oorlog, dan Israël, en toch zal dat alles niet beletten dat zij voor het aangezicht van Israël uitgedreven zullen worden. De kracht van Israëls vijanden verheerlijkt de kracht van Israëls God die hen voorzeker te groot zal zijn.
B. Hij spoort hen aan om dan nu ook het hunne te doen. Gij zult hen slaan en hen ganselijk verbannen, vers 2. Als God hen uitwerpt, moet Israël hen niet binnenlaten, neen zelfs niet als huurders, of schatplichtigen, of dienstknechten. Generlei verbond, van welke aard ook, moet met hen gemaakt, geen genade hen bewezen worden. Die strengheid werd geboden:
a. Om de boosheid te straffen, waaraan zij en hun vaderen zich hadden schuldig gemaakt. De ongerechtigheid van de Amorieten was nu vervuld, en hoe langer het heeft geduurd eer zij vervuld was, hoe strenger de wraak was, toen die eindelijk kwam.
b. Om het kwaad te voorkomen, dat zij aan Gods Israël zouden doen, indien zij in het leven werden gelaten. Het volk van deze verfoeiselen moet niet gemengd worden met het heilig zaad, opdat zij dit niet tot bederf brengen. Het is beter dat al deze levens van de aarde verdelgd worden, dan dat de Godsdienst, de ware aanbidding van God in Israël verloren ga. Aldus moeten wij handelen met onze lusten, die oorlogvoeren tegen onze ziel, God heeft ze in onze handen overgeleverd door deze belofte: "De zonde zal over u niet heersen, tenzij het uw eigen schuld is." Laat ons er dan geen verbond mee sluiten, of hen genade bewijzen, maar ze doden en kruisigen, en volkomen uitdelgen.
2. Zij moeten geen huwelijk aangaan met diegenen van hen, die aan het zwaard zijn ontkomen, vers 3,4. De geslachten van de Kanaänieten waren oud, en waarschijnlijk werden sommigen er van edel of aanzienlijk genoemd, en dat zou voor de Israëlieten, inzonderheid voor diegenen van hen, die minder in tel waren in hun stam, een verzoeking kunnen zijn om een verbintenis met hen te wensen, ten einde tot beter bloed te geraken, te meer, omdat hun bekendheid met het land hen van dienst zou kunnen zijn voor de bebouwing ervan, maar de Godsdienst en de vreze Gods moeten over al deze bedenkingen en overwegingen de bovenhand hebben. Wederzijdse huwelijken onder hen waren ongeoorloofd, omdat zij gevaarlijk waren, het was juist deze zaak, die van zo noodlottige gevolgen is gebleken voor de oude wereld, Genesis 6:2. En in de tegenwoordige wereld zijn duizenden door ongodsdienstige, goddeloze huwelijken ten verderve gegaan, want bij gemengde huwelijken is er meer grond om te vrezen dat de goeden verkeerd, dan om te hopen dat de kwaden bekeerd zullen worden. In de uitkomst is ook het redelijke gebleken van deze waarschuwing: "zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken." Aan Salomo is zijn dwaasheid hierin zeer duur te staan gekomen. Wij lezen van een nationaal berouw over deze zonde om vreemde vrouwen te huwen, en van zorg die toen gedragen werd voor een hervorming in dit opzicht, Ezra 10:19 enz, Nehemia 13:23, en er is een Nieuw-Testamentische waarschuwing om niet een ander juk aan te trekken met de ongelovigen, 2 Corinthiërs 6:14. Zij, die bij het kiezen van echtgenoot of echtgenote niet binnen de perken blijven van tenminste een goede belijdenis van Godsdienst, kunnen niet verwachten in hen een geschikte hulp voor zichzelf te zullen vinden. De Chaldeeuwse paraphrast voegt hierbij als een reden voor dit gebod, vers 3. "Want hij die afgodendienaars trouwt, huwt zich hierdoor aan hun afgoden."
3. Zij moeten alle overblijfselen van hun afgoderij vernietigen, vers 5. Hun altaren en zuilen, hun bossen en opgerichte beelden en gesneden beelden, het moet alles verwoest en vernietigd worden, beide in heilige toorn tegen afgoderij, en om besmetting te voorkomen. Dit gebod was reeds tevoren gegeven, Exodus 23:24, 34:13. Veel goed werk van die aard werd door het volk in hun vrome ijver gedaan, 2 Kronieken 31:1, en door de Godvruchtige Josia, 2 Kronieken 34:3,7, en daarmee kan vergeleken worden het verbranden van de toverboeken, Handelingen 19:19.
II. Hier zijn goede redenen, om aan deze waarschuwing kracht bij te zetten.
1. Dat God zich dit volk ten eigendom had verkoren, vers 6. Er was een verbond gemaakt en een gemeenschap gevestigd tussen God en Israël, zoals er niet was tussen Hem en enig ander volk ter wereld. Zullen zij nu door hun afgoderijen Hem onteren, die hen aldus geëerd heeft? Zullen zij Hem geringschatten, die aldus Zijn vriendelijkheid aan hen heeft bewezen? Zullen zij zich op een lijn stellen met andere volken, als God hen aldus boven alle andere volken geëerd en verhoogd heeft? Had God zich hen, en niemand dan hen, tot een bijzonder volk aangenomen en zullen zij dan God niet aannemen tot hun God, en niemand anders dan Hem?
2. Het vrije van de genade, die deze keus gedaan heeft. A. Er was in hen niets, dat hen voor deze gunst heeft aanbevolen of hen er recht op gaf. "In de menigte des volks is des konings heerlijkheid", Spreuken 14:28. Maar hun aantal was gering, zij waren slechts zeventig zielen toen zij naar Egypte gingen, en hoewel zij daar zeer vermenigvuldigd werden, waren andere volken toch veel talrijker, gij waart het weinigste van alle volken, vers 7. De schrijver van de Jeruzalemse Targum bewijst zijn natie al te veel eer door deze lezing te geven van de tekst: "Gij waart nederig van gemoed, en zachtmoedig boven alle volken", het tegendeel was waar. Zij waren veeleer boven alle andere volken hardnekkig en gemelijk.
B. God ontleent de reden er voor zuiver en alleen aan zichzelf, vers 8.
a. Hij heeft u liefgehad omdat Hij u wilde liefhebben. Ja Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U. Alles wat God liefheeft heeft Hij vrijwillig lief, Hosea 14:4. Zij, die omkomen, komen om door hun eigen verdiensten, maar allen, die behouden worden, worden behouden door voorrecht, dat is door de vrije genade Gods.
b. Hij heeft Zijn werk gedaan omdat Hij Zijn woord wilde houden. "Hij heeft u uitgeleid uit Egypte ingevolge van de eed, gezworen aan uw vaderen." Niets in hen, of gedaan door hen, kon God tot een schuldenaar van hen maken, maar Hij heeft zich tot een schuldenaar gemaakt van Zijn eigen belofte, die Hij niettegenstaande hun onwaardigheid wilde vervullen.
3. De zin, of inhoud, van het verbond, waarin zij waren opgenomen, was in korte woorden dat wat zij voor God waren, God voor hen zijn zou. Zij zullen Hem voorzeker bevinden te zijn:
A. Goed en goedertieren voor Zijn vrienden, vers 9. De Heere, uw God, is niet gelijk de goden van de volken, de schepselen van de verbeelding, geschikte onderwerpen voor loszinnige poëzie, maar geen gepaste voorwerpen van ernstige aanbidding, neen, Hij is God, in waarheid God, alleen God, de getrouwe God, in staat en bereid niet alleen om Zijn eigen beloften te vervullen, maar om te beantwoorden aan al de rechtmatige verwachtingen van Zijn aanbidders, "en Hij zal gewis het verbond en de weldadigheid houden", dat is: "weldadigheid betonen overeenkomstig het verbond aan hen, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden" en tevergeefs wenden wij voor Hem lief te hebben, indien wij er geen gewetenszaak van maken om Zijn geboden te houden en (gelijk hier bijgevoegd is ter verklaring van het tweede gebod), "dit niet slechts aan duizenden van personen, maar aan duizenden van geslachten". Zo onuitputtelijk is de bron, zo gestadig zijn de stromen!
B. Rechtvaardig jegens Zijn vijanden, Hij vergeldt een ieder van hen, die Hem haten, vers 10.
a. Moedwillige zondaars zijn haters van God, want het bedenken des vleses is vijandschap tegen Hem. Afgodendienaars zijn dit op bijzondere wijze, want zij zijn in verbond met Zijn mededingers.
b. Zij, die God haten, kunnen Hem niet schaden, maar zullen gewis zichzelf ten verderve brengen. Hij zal hen vergelden in hun aangezicht, in weerwil van hen en van hun machteloze boosaardigheid. Van Zijn pijlen wordt gezegd, dat zij gericht zijn op hun aangezicht, Psalm 21:13. Of, Hij zal die oordelen over hen brengen, die voor henzelf zullen blijken de rechtvaardige straf te zijn van hun afgoderij. Vergelijk Job 21:19. Hij vergeldt hem, dat hij het gewaar wordt. Hoewel de wraak traag schijnt, is zij toch niet slap. De goddeloze en zondaar zal vergolden worden op de aarde, Spreuken 11:31. Ik kan de uitlegging van de Jeruzalemse Targum op deze plaats niet stilzwijgend voorbijgaan, omdat zij het geloof aanduidt van de Joodse kerk betreffende een toekomstige staat. "Hij geeft hen, die Hem haten, het loon van hun goede werken in deze wereld, teneinde hen te verderven tn de toekomende wereld."