2 Corinthiërs 1:15-24
De apostel verdedigt zich hier tegen de beschuldiging van luiheid en onstandvastigheid, daarin dat hij zijn voornemen om tot hen te Corinthe te komen, niet volvoerd had. Zijn tegenstanders zochten alle gelegenheden om zijn karakter te belasteren en aanmerking op zijn gedrag te maken, en het schijnt dat ze dit tot voorwendsel namen om zijn persoon verwijtingen te doen en zijn bediening in minachting te brengen. Tot zijn rechtvaardiging:
I. Handhaaft hij de oprechtheid van zijn voornemen, vers 15-17, en doet dit in vertrouwen op hun goede gedachten tegenover hem. Hij verzekert hun dat hij wilde, het stellige plan had, tot hen komen, en wel met het doel, niet dat hij zou hebben, maar dat zij zouden hebben een tweede genade, dat is: voortgezet voordeel van zijn dienst. Hij zegt hun, dat hij daarin geen lichtvaardigheid gebruikt heeft, vers 17, dat hij niet gestreefd had naar enig bijzonder voordeel voor zichzelf (want hij nam het zich niet naar het vlees voor, dat is met vleselijke wensen en bedoelingen), het was geen overijld en onstandvastig besluit, dat hij genomen had, want hij had overlegd: door uwe stad naar Macedonië te gaan, en wederom van Macedonië tot u te komen, en van ulieden naar Judea geleid te worden, vers 16. Daaruit konden zij opmaken, dat er sommige gewichtige redenen waren, die hem van besluit hadden doen veranderen, en dat het bij hem niet was ja, ja, en neen, neen, vers 17. Hij kon niet van traagheid en onstandvastigheid beschuldigd worden, of van tegenspraak tussen zijne woorden en zijne voornemens. Gelovigen moeten zorgvuldig zijn om den roep van oprechtheid en standvastigheid te bewaren, zij moeten geen besluit nemen na onrijpe overleggingen, en zij mogen niet van besluit veranderen zonder gewichtige redenen.
II. Hij wenste dat de Corinthiërs niet zouden gaan denken, dat zijn Evangelie vals of onzeker was, of in tegenspraak met zichzelf, of met de waarheid, vers 18, 19. Want al ware het geval geweest, dat hij in zijn voornemen gewankeld had, of zelfs ongemeende belofte gedaan had toen hij zei tot hen te zullen komen (waarvan hij valselijk beschuldigd werd, en gelijk sommigen de woorden in vers 18 :Ons woord hetwelk tot u geweest is, is niet geweest ja en neen, opvatten), daaruit volgde nog niet dat het Evangelie, door hem en door anderen in volle overeenstemming met hem gepredikt, onbetrouwbaar of vals zou zijn. Want God is getrouw, en Zijn Zoon Jezus Christus is getrouw, de waarachtige God en het eeuwige leven. Jezus Christus, dien de apostelen verkondigden, is niet ja en neen, maar in Hem is ja, vers 19, niets dan onfeilbare waarheid. En de beloften van God in Christus zijn niet ja en neen, maar ja en amen, vers 20. Er is onwankelbare zekerheid en onbetwistbare oprechtheid en vastheid in alle delen van het Evangelie van Christus. Indien de bedienaren des Evangelies soms reden hebben om in beloften, die ze als gewone mensen en omtrent hun eigen zaken afgelegd hebben, verandering te brengen, toch zijn de beloften des Evangelies, die zij prediken, standvastig en onwrikbaar. Slechte mensen zijn vals, goede mensen zijn betrouwbaar, maar God is getrouw. Na de vastheid van de goddelijke beloften te hebben vermeld, maakt de apostel ene uitweiding om nader toe te lichten de grote en heerlijke waarheid, dat al Gods beloften ja en amen zijn.
1. Ze zijn beloften van den God der waarheid, vers 20, van Hem die niet liegen kan, wiens trouw evenals Zijn barmhartigheid eeuwiglijk duurt.
2. Ze zijn gegeven in Christus Jezus, vers 20, de Amen, de waarachtige en getrouwe getuige, Hij heeft gesticht en bevestigd het verbond der belofte, en is de borg van dat verbond, Hebreeën 7:22. 3. Zij worden bevestigd door den Heiligen Geest. Hij bevestigt de Christenen in het geloof aan het Evangelie, Hij heeft hen gezalfd met Zijn heiligmakende genade, welke in de Schrift dikwijls vergeleken wordt met olie, Hij heeft hen tot hun verzekering en bevestiging verzegeld, en Hij is als onderpand in hun harten gegeven, vers 22. Een onderpand verzekert de belofte en is een deel van de vervulling. De verlichting door den Geest is een onderpand van eeuwig licht, de levendmaking door den Geest een onderpand van eeuwig leven, de vertroosting door den Geest een onderpand van eeuwige blijdschap. De waarachtigheid van God, het middelaarschap van Christus en de werkzaamheid des Geestes zijn alle begrepen in de beloften, die getrouw zijn al den zade, en hare vervulling zal zijn Gode tot heerlijkheid, vers 20, van de heerlijkheid Zijner rijke en vrijmachtige genade en nooit-falende trouw.
III. De apostel geeft een goede reden op waarom hij niet, gelijk verwacht was, naar Corinthe gekomen was, vers 23. Het was om hen te sparen. Zij konden daaraan zijn vriendelijkheid en tederheid leren kennen. Hij wist dat er verkeerde dingen onder hen waren, en zulke die banvonnis vereisten, maar hij was begerig hun tederheid te betonen. Hij verzekert hen dat dit de ware reden is, op deze zeer plechtige wijze: Ik aanroepe God tot een getuige over mijne ziel, een wijze van spreken, die in gewone gevallen ongeoorloofd zou zijn, maar die zeer verdedigbaar was in den apostel, tot zijn noodzakelijk verweer, en voor het vertrouwen in de nuttigheid zijner bediening, welke door zijn tegenstanders aangevallen werd. Om misverstand te voorkomen, voegt hij er bij dat zijn doel niet is heerschappij te voeren over hun geloof, vers 24. Christus alleen is de Heere van ons geloof, Hij is de overste leidsman en voleinder des geloofs, Hebreeën 12:2. Hij openbaart ons wat wij te geloven hebben. Paulus, en Apollos, en de overige apostelen waren slechts dienaren door wie zij geloofd hadden, 1 Corinthiërs 3:5, en dus medewerkers hunner blijdschap, van de blijdschap des geloofs. Want door het geloof staan wij zeker, en leven veilig en gemakkelijk. Onze kracht en bekwaamheid danken wij het geloof, en onze vertroosting en blijdschap moeten uit het geloof voortkomen.