1. En Salomo, nadat hij door een strenge handhaving van recht en gerechtigheid omtrent de voornaamste oproerstokers, zijn rijk gevestigd had (2:46), verbond zich met farao, de koning, van Egypte, 1) en nam de dochter van farao (Psusennes, de toenmalige koning), en bracht ze in de stad van David, niet in het koninklijk paleis te Sion, dat zijn vader gebouwd had (
2 Samuël 5:11), en dat hij in die tijd zelf nog bewoonde, omdat dit hem heilig was vanwege de in diens nabijheid staande tent van de samenkomst (
2 Kronieken 8:11). Hij bracht haar in een van de koninklijke huizen, die zich op Sion bevonden, totdat hij voleind zou hebben het bouwen van zijn huis (zijn eigen prachtig paleis, 7:1-12) en hetHuis van de HEERE (de tempel op Moria,
Hoofdstuk 6:1vv. en 7:13vv.) en de muur van Jeruzalem rondom (11:27), om na volbrenging van al deze bouwplannen voor de dochter van farao een eigen harem te stichten (9:24).
1) De naam vam deze prinses was Tachpanhes, zij was zijn tweede vrouw, de eerste was een Ammonitische, Naäma geheten (14:21)..
De vroegste geschiedenis van Egypte tot op Psammetichus in de 7de eeuw voor Chr., met wie de geloofwaardige geschiedenis van een Egyptische monarchie een aanvang neemt, is met fabels doorweven en nog slechts in brokstukken aanwezig (Genesis 12:10); wat wij er nog van weten is van de hand van Manetho, opperpriester uit Heliopolis, die het op bevel van Ptolomeüs Philadelfus (284-216 v. Chr.) in het Grieks te boek stelde, hierbij afgaande op de archieven van de tempel. Volgens hem kan men tot op Psammetichus 25 dynastieën of koningsgeslachten tellen, waaromtrent wij hier kort het voor goed begrip van de Bijbel noodzakelijke laten volgen, terwijl wij de laatste of de 26ste dynastie bij "2 Koningen 23:29"zullen behandelen.
Alle bronnen van de oudste geschiedenis van Egypte noemen Menes uit de stad This als eerste koning van Egypte; deze gaf aan de Nijl, die vroeger dicht langs de Lybische bergketen heen vloeide, door afdamming een andere loop en bouwde op de daardoor verkregen ruimte de nieuwe hoofdstad van zijn rijk, die de naam Memphis verkreeg. Van de vierde koning, Menephis, van deze dynastie (de
Thinistische) wordt verhaald, dat hij verscheidene piramiden gebouwd zou hebben, bij deze dynastie behoren trouwens 60 koningsgraven. In de derde dynastie wordt Sesortotis I als grondlegger van de geneeskunde geprezen, hij heeft waarschijnlijk ook het kastenwezen (Ge 41:45) bij de wet geregeld. Van de beide beroemdste koningen van de vierde dynastie Cheops en Chephreh zijn de twee grootste piramiden, die wij kennen, afkomstig; de gouden eeuw van Egypte begon echter met de twaalfde dynastie, uit deze dynastie noemen wij, de door Herodotus Sesostris genoemde, geweldige vorst, op wiens naam alles gesteld werd, wat door al de vorsten van deze roemrijke en lange periode groots en merkwaardigs werd verricht. Hij verdeelde het land in twaalf tempel-districten en elke tempel afdeling in drie stadhouderschappen en bepaalde het getal van de hoofdsteden op drie naar de drie jaargetijden van de dierenriem (zoals trouwens de gehele Egyptische staatsinrichting aan de sterrenhemel ontleend zou zijn). Deze hoofdsteden waren Thebe in Opper-Egypte, Memphis in Middel-Egypte en Heliopolus in Neder-Egypte. Tevens worden hem vele krijgstochten en aanzienlijke veroveringen toegeschreven. De laatste koning van deze dynastie was Amenemha III, de bouwmeester van het Labyrint en van de zich in de nabijheid daarvan bevindende piramiden. Onder de laatste koning van de volgende dynastie, Amentima, toen het Egyptische rijk sedert Menes reeds verscheidene eeuwen bestaan had, deed een woeste volksstam vanuit het noordoosten een inval in het land; deze stammen noemde men daar Hyksos (Genesis 40:11). De koningen van de 14de tot 16de dynastie behoorden tot deze stam. Zij hadden Memphis tot residentie (Genesis 41:14). Zij werden echter na een 500 jarige heerschappij, zoals men gewoonlijk aanneemt (hoogst waarschijnlijk duurde echter de heerschappij niet langer dan 300 jaar) door de Thebesche koning Amenophis II verdreven uit Egypte en dat wel voorgoed onder Thutmes IV, uit de 17de dynastie. Deze laatstgenoemde, met wie een nieuw rijk, dat van de 18de dynastie een aanvang neemt is vermoedelijk de in Exodus 1:8 bedoelde "nieuwe koning" zijn regeringstijd valt omstreeks 1575-1550 v. Chr. (volgens Lepsius begint deze koningsrij met het jaar 1550 v. Chr.). In de 19de dynastie volgde op Sethos I (omstreeks 1450 v. Chr.) diens zoon Ramses II, een groot en beroemd koning, wiens bijnaam Sesothis de Grieken waarschijnlijk aanleiding gaf, hem eveneens Sesostris te noemen, te meer omdat zijn roemrijke daden met die van de vroegere Sesostris uit de 12de eeuw veel overeenkomst hadden. Met diens zoon Menephta, die Lepsius verkeerdelijk voor die farao houdt, onder wie Israël uittrok (want het begin van zijn regering valt omstreeks 1322 v. Chr. de uittocht van de kinderen van Israël in het jaar 1492 v. Chr.) begint een nieuwe periode. De van nu aan volgende koningen van de 20ste dynastie dragen allen de naam van Ramses; maar Egypte's grootheid en macht neigden reeds tot de ondergang. Met voorbijgang van de vroegere koningen van de 21ste dynastie, of de Tanitische, noemen wij slechts de voorlaatste, Psinaches, aan wie wij te denken hebben bij hetgeen in 11:18vv. verteld wordt, en de laatste uit dit huis, die 35 jaar geregeerd heeft en Psusennes heet. Hij is degene, met wie Salomo zich verbond en het is eerder te denken, dat het denkbeeld van deze vereniging van de Egyptische koning dan van Salomo uitging; want Israël was door David tot een voor de naburen geduchte macht en hoogte gebracht, terwijl Egypte toentertijd in weelde en vadsige rust verzonken lag. De eerste koning van de 22ste of Bubastitische dynastie, Sesonchis is zeker de in 14:25vv. genoemde Sisak, die in het 5de jaar van Rehabeams regering (970 v. Chr.) Juda met strijd vervulde en Jeruzalem veroverde. Van deze tijd aan komt de Egyptische geschiedenis niet weer in aanmerking als eerst in de 25ste dynastie, die na 750 v. Chr. aan de regering kwam, kregen de Ethiopische koningen de overhand. De eerste koning van deze dynastie was Sabako; zijn opvolger wordt door Manetho Sevichos genoemd. Zo ver als de onderzoekingen in Egypte thans gevorderd zijn, laat het zich nog niet bepalen of onder de in 2 Koningen 17:4 genoemde koning So de eerste dan wel de laatste moet verstaan worden. De derde en laatste van de Ethiopische koningen heet Tarkos; hij is de in 2 Koningen 19:9 aangehaalde Thirhake, koning van de Moren (Ethiopië) wiens regering 28 jaren duurde. Strabo, een Grieks schrijver roemt hem als een groot veroveraar; de tijd van zijn regering kan niet chronologisch zuiver bepaald worden. Tot afschudding van het Ethiopische juk vormde zich nu de van Sais in Neder-Egypte uitgaande Dodekarchie of regering van de twaalf koningen, die onder elkaar als hoofden van de twaalf tempel-districten de koninklijke macht verdeelden. Spoedig echter geraakten deze vorsten in onenigheid (Jesaja 19:2) en nadat in de daaruit ontstane burgeroorlog de derde koning Necho I gevallen was, lukte het diens zoon Psammetichus, met hulp van Griekse soldaten, omstreeks het jaar 656 v. Chr. zich tot alleenheerser in Egypte te maken, doordat hij door zijn militaire staatsinrichting aan de priesterheerschappij een einde maakte. Met hem begint een nieuwe periode in de Egyptische geschiedenis. Onder deze 26ste dynastie verhief het land zich nog eenmaal tot de oude bloei.
Om nogmaals hier op de in dit vers genoemde Psusennes terug te komen, zo merken wij hier op, dat Salomo's huwelijk met diens dochter geen overtreding van de wet was, die alleen het huwelijk met Kanaänitische vrouwen uitdrukkelijk verbiedt (Exodus 34:16 Deuteronomium 7:3), overigens toestaat zelfs krijgsgevangen vreemde vrouwen te huwen. (Deuteronomium 21:10,17). Deze huwelijken waren echter eerst dan in overeenstemming met de geest van het gebod, als de vreemde vrouwen de afgodendienst lieten varen en het geloof van de HEERE aannamen. Dit mogen wij ook van farao's dochter veronderstellen, omdat deze in 11:1 uitdrukkelijk van de vreemde vrouwen onderscheiden wordt, en Salomo in de eerste jaren van zijn regering de Heere zo trouw aanhing, dat hij geen afgodendienst in zijn omgeving geduld zou hebben..
De naam van deze vrouw was Thachpanhes. Zij was zijn tweede vrouw. De eerste was Naëma, een Ammonitische..
Sommigen denken dat farao's dochter een oprechte bekeerling was (want de goden van de Egyptenaren worden niet genoemd onder de vreemde goden, die Salomo door zijn vrouwen overgehaald werd te dienen (11:5,6), en dat het Hooglied en de 45ste Psalm voor deze gelegenheid vervaardigd werden, in de huwelijksbeschrijving waarvan de type wordt gezien van het geestelijk huwelijk van Christus met zijn Kerk, bepaald de Kerk uit de heidenen.. Maar dit is twijfelachtig..
Het huwelijk van Salomo met een dochter van farao was wel is weer eigenlijk een staatkundig huwelijk, maar heeft desalniettemin ook een geschiedkundige betekenis, die met het heil, dat uit Israël zou voortkomen, in het nauwste verband staat. De grote en machtige koning van het land, dat voor Israël het huis van dienstbaarheid was geweest, waarin het het brood van ellende had gegeten, geeft nu aan de koning van dit eens zo veracht en verdrukt volk zijn dochter tot vrouw, en moet naar Gods beleid tot bevestiging van Israël's troon en tot vermeerdering van macht en heerlijkheid van het Israëlitisch rijk behulpzaam zijn. Zo was dit huwelijk tegelijk een getuigenis van de goddelijke heilsdaad van de redding uit Egypte, welk doel Israël met de regering van Salomo, als de tijd van de hoogste bloei van het rijk volkomen bereikt heeft. Het is evenzeer een goddelijk zegel op de met de uitvoering uit Egypte begonnen en nu tot voleinding gebrachte zelfstandigheid van het volk.