1 Koningen 3:1-4
Hier wordt ons betreffende Salomo gezegd:
I. Iets dat ontwijfelbaar goed was, waarvoor hij geprezen en waarin hij nagevolgd moet worden.
1. Hij had de Here lief, vers 3. Gods liefde tot hem werd bijzonder opgemerkt, 2 Samuël 12:24. Daar had hij zijn naam van Jedidjah de beminde des Heren, en hier bevinden wij dat hij die liefde met liefde beantwoordde zoals Johannes, de beminde discipel, het volst was van liefde. Salomo was een wijs man, een rijk man, een groot man, en toch is zijn schoonste lofspraak datgene wat de hoedanigheid is van alle heiligen, zelfs van de armsten: hij had de Here lief, hij had de aanbidding des Heren lief, zegt de Chaldeër. Allen, die God liefhebben, hebben Zijn aanbidding lief, beminnen het om van Hem te horen, en tot Hem te spreken, en aldus gemeenschap met Hem te hebben.
2. Hij wandelde in de inzettingen zijns vaders Davids, dat is: in de inzettingen, die David hem heeft gegeven, Hoofdstuk 2:2, 3, 1 Kronieken 28:9, 10. (De last, die zijn stervende vader hem opdroeg, was hem heilig, was hem ten wet) of wel in Gods inzettingen, waarin zijn vader David voor hem had gewandeld, hij hield zich dicht aan Gods inzettingen, nam ze nauwkeurig waar, en woonde ze gestadig bij. Zij die God waarlijk liefhebben, zullen er een gewetenszaak van maken om in Zijn inzettingen te wandelen.
3. Hij was zeer grootmoedig en vrijgevig in hetgeen hij deed ter eer van God. Toen hij offerande offerde, offerde hij als een koning, in enige evenredigheid met zijn grote rijkdom, duizend brandofferen, vers 4. Waar God overvloedig zaait, verwacht Hij in evenredigheid te oogsten, en zij, die God waarlijk liefhebben, zullen niet morren over de onkosten van de Godsdienst. Wij kunnen in verzoeking zijn te zeggen: Waartoe dit verlies? Had dit vee niet aan de armen gegeven kunnen worden? Maar wij moeten nooit denken dat hetgeen voor de dienst van God besteed wordt, verkwist of verspild is. Het schijnt vreemd dat zoveel dieren op een altaar en op een feest verbrand werden, al duurde dit feest ook zeven dagen, maar het vuur op dat altaar wordt ondersteld levendiger en verterender te zijn dan gewoon vuur, want het stelde de grimmige ontzaglijke toorn van God voor, die op de offers viel, opdat de offeraars zouden ontkomen. Onze God is een verterend vuur. Bisschop Patrick haalt een overlevering aan van de Joden, die zegt dat de rook van de offeranden in een rechte kolom opsteeg naar de hemel, en niet verstrooid werd, want anders zouden zij, die de dienst bijwoonden, gestikt zijn, daar er zoveel offers geofferd werden.
II. Hier is iets, waarvan het twijfelachtig is, of het al of niet goed was.
1. Zijn huwelijk met de dochter van Farao vers 1. Wij willen onderstellen dat zij tot de Joodse Godsdienst was bekeerd, anders zou het huwelijk onwettig geweest zijn, maar indien dit zo was, dan was het huwelijk toch niet raadzaam, hij, die de Here liefhad, had om Zijnentwil zijn keuze moeten vestigen op een vrouw uit het volk des Heren, ongelijke huwelijken van de zonen Gods met de dochteren van de mensen zijn dikwijls van verderfelijke gevolgen geweest. Maar sommigen denken dal hij dit deed op aanraden van zijn vrienden dat zij een oprecht-bekeerde was, (want de goden van Egypte worden niet genoemd onder de vreemde goden, tot wier aanbidding zijn vreemde vrouwen hem hebben bewogen, Hoofdstuk 11:5, 6) en dat het Hooglied en de 45ste psalm bij die gelegenheid geschreven werden, door welke deze bruiloftsviering tot een type werd gemaakt van het mystieke huwelijk tussen Christus en de kerk, inzonderheid de kerk uit de heidenen.
2. Zijn aanbidding op de hoogten, waardoor het volk in verzoeking kwam om dit ook te doen, vers 2, 3. Abraham heeft zijn altaren op bergen gebouwd, Genesis 12:8, 22:2, en aanbad in een bos, Genesis 21:33, daar was de gewoonte aan ontleend, en zij was goed en betamelijk, totdat de Goddelijke wet hen tot een plaats beperkte, Deuteronomium 12:5, 6. David hield zich bij de ark, en gaf niet om hoogten, maar Salomo, hoewel hij in andere dingen wandelde in de inzettingen van zijn vader, bleef hierin bij hem achter, hij toonde hiermee grote ijver voor het offeren, maar gehoorzamen ware beter geweest, dit was een onregelmatigheid. Hoewel er nog geen huis gebouwd was, was er toch een tent opgericht voor de naam des Heren en de ark had het middelpunt hunner eenheid moeten wezen. Zij was dit door de Goddelijke instelling, de hoogten scheidden er zich van af, dewijl zij echter God alleen aanbaden, en het in andere dingen overeenkomstig de regel deden, heeft Hij hun zwakheid genadig voorbijgezien en hun dienst aangenomen en er wordt erkend, dat Salomo de Here liefhad hoewel hij rookte en offerde op de hoogten, en laat de mensen dan niet strenger zijn dan Hij is.