1 Koningen 21:17-29
In deze verzen kunnen wij opmerken:
I. Het zeer slechte karakter, dat aan Achab toegeschreven wordt, vers 25, 26, hetgeen hier voorkomt om God te rechtvaardigen in het zware oordeel, dat over hem wordt uitgesproken, en te tonen dat, hoewel het uitgesproken werd bij gelegenheid van zijn zonde in de zaak van Naboth (die maar al te zeer geleek op Davids zonde in de zaak van Uria), God hem toch niet zo zwaar gestraft zou hebben, indien hij niet ook schuldig was aan veel andere zonden, in het bijzonder aan afgoderij, terwijl David, behalve in die een zaak, gedaan heeft wat recht was in de ogen des Heeren. Maar wat Achab betreft, er was niemand geweest gelijk Achab, zo vernuftig en zo ijverig in de zonde en die er als het ware een beroep van maakte, er handel in dreef, hij had zichzelf verkocht om te doen dat kwaad was in de ogen des Heeren, dat is: hij maakte zich tot slaaf van zijn lusten, en stond evenzeer onder hun bevelen als iedere dienstknecht onder de bevelen staat van zijn meester. Hij was geheel overgegeven aan de zonde en, zo hij er slechts het genot van kon hebben, wilde hij er ook wel de bezoldiging van hebben, die de dood is, Romeinen 6:23. De uitnemende apostel Paulus klaagt, dat hij "verkocht was onder de zonde" Romeinen 7:14, als een arme gevangene tegen zijn wil, maar Achab was het vrijwillig, hij had zichzelf verkocht aan de zonde, het was zijn keus, zijn eigen vrijwillige doen, hij onderwierp zich aan de heerschappij van de zonde. Het was geen verontschuldiging voor hem, dat Izebel, zijn huisvrouw, hem ophitste om goddeloos te doen, en hem in vele opzichten nog slechter maakte dan hij anders geweest zou zijn. Tot welk een toppunt van goddeloosheid is hij niet gekomen, die zo'n tonder van bederf had in zijn hart, en zo'n verleidster aan zijn borst om er vuur in te slaan. In vele dingen heeft hij slecht gedaan, maar zeer gruwelijk deed hij door achter de afgoden te wandelen naar alles wat de Amorieten gedaan hadden, zij onzedelijkheid was Godtergend, maar zijn afgoderij was dit in de hoogste mate. Zeer treurig was de toestand van Israël nu een vorst van zo'n karakter over hen heerste.
II. De boodschap, waarmee Elia tot hem gezonden werd, toen hij Naboths wijngaard in bezit ging nemen, vers 17-19. Totnutoe heeft God gezwegen. Hij heeft de brieven van Izebel niet onderschept, noch het proces van de oudsten van Jizreël gestuit, maar nu wordt Achab bestraft, zijn zonde hem ordelijk voor ogen gesteld.
1. De persoon, die gezonden wordt is Elia. Een profeet van mindere rang werd met boodschappen van goedertierenheid tot hem gezonden, Hoofdstuk 20:13. Maar de vader van de profeten wordt tot hem gezonden om hem in verhoor te nemen wegens zijn moord en hem te veroordelen.
2. De plaats is Naboths wijngaard, de tijd juist het ogenblik toen hij er bezit van ging nemen, op die tijd en op die plaats moet hem zijn oordeel bekend worden gemaakt. Door bezit te gaan nemen erkende hij alles wat er geschied was, en maakte hij zich schuldig `ex post facto -als medeplichtige nadat de daad geschied is." Daar werd hij, als het ware, gegrepen in het bedrijven van het onrecht, op heterdaad betrapt, en daarom zal de overtuiging met des te meer kracht tot hem komen. "Wat hebt gij in deze wijngaard te doen? Welk goed kunt gij er van verwachten, nu hij met bloed verkregen is, Habakuk 2:12, en gij "de eigenaar er van het leven hebt doen verliezen?" Job 31:39. Nu hij zich ging verlustigen in zijn onrechtvaardig verkregen goed, en orders gaf om de wijngaard in een moestuin te verkeren, "zal zijn spijs in zijn ingewand veranderd worden. God zal over hem de hitte zijns toorns zenden, over hem regenen op zijn spijs" Job 20:14, 23. Laat ons zien wat er tussen hen voorviel.
A. Achab geeft lucht aan zijn toorn tegen Elia, geraakt in drift op de aanblik van hem, en in plaats van zich voor de profeet te verootmoedigen, zoals hem gevoegd zou hebben 2 Kronieken 36-12, gaat hij hem beledigen en trotseren, hem toeroepende: Hebt gij mij gevonden, o mijn vijand? vers 20. Dit toont aan:
a. Dat hij hem haatte. De laatste maal, dat wij hen tezamen zagen, zijn zij als goede vrienden gescheiden, Hoofdstuk 18:46. Toen had Achab de reformatie gesteund, en daarom was toen alles wel tussen hem en de profeet maar nu was hij in de afgoderij teruggevallen, en was hij slechter dan ooit. Zijn geweten zei hem dat hij God tot zijn vijand had gemaakt, en daarom kon hij niet verwachten dat Elia zijn vriend zou zijn. Zeer ellendig is de toestand van die mens, die het woord Gods tot zijn vijand heeft gemaakt, en zeer ongelukkig is hij, die de bedienaren van dat woord tot zijn vijanden rekent, omdat zij "hem de waarheid zeggen," Galaten 4:16. Achab had zich verkocht aan de zonde, en was besloten zich aan zijn koop te houden, hij kon de man niet verdragen, die hem zou helpen om weer vrij te worden.
b. Dat hij hem vreesde. Hebt gij mij gevonden? Te kennen gevende dat hij hem zoveel mogelijk vermeed, en het nu angstwekkend voor hem was om hem te zien. Zijn aanblik was voor hem wat het schrift op de muur was voor Belsazar, het maakte dat de glans van zijn gezicht zich veranderde, dat zijn gedachten hem verschrikten, de banden van zijn lenden los werden, en zijn knieën tegen elkaar aanstootten. Nooit was een arme schuldenaar of misdadiger zo ontsteld op het gezicht van de beambte, die hem kwam arresteren. De mensen hebben het zichzelf te wijten, als zij God en Zijn woord tot een verschrikking voor zich maken.
B. Elia kondigt Gods toorn aan over Achab. Ik heb u gevonden, zegt hij, vers 20, vermits gij uzelf verkocht hebt, om te doen dat kwaad is in de ogen des Heeren. Zij, die zich overgeven aan de zonde, zullen gewis vroeg of laat gevonden, ontdekt worden en wel tot hun onuitsprekelijke verschrikking. Achab wordt nu evenals Naboth voor het gericht gesteld, en hij siddert meer dan Naboth gesidderd heeft.
a. Elia vindt de aanklacht tegen hem bewezen door de daad zelf, en verklaart hem schuldig, vers 19. Hebt gij doodgeslagen, en ook een erfelijke bezitting ingenomen? Hij wordt hier beschuldigd van moord op Naboth, en het kon hem niet baten te zeggen dat de wet hem gedood heeft (het verdraaide, verdorven recht is het hoogste onrecht) of dat, zo hij ten onrechte vervolgd was, het niet zijn doen is geweest, dat hij er niets van heeft geweten, want het was om hem te behagen, dat het gedaan was, en hij had getoond dat het hem welgevallig was, en zo heeft hij zich schuldig gemaakt aan alles wat in de onrechtvaardige vervolging van Naboth geschied is. Hij heeft doodgeslagen, want hij heeft een erfelijke bezitting ingenomen. Als hij die hof neemt, neemt hij er ook de schuld mede. "Terra transit cum onere-de grond met de lasten," die er aan verbonden is.
b. Hij spreekt het vonnis over hem uit: dat zijn geslacht ten verderve gebracht en uitgeroeid zal worden, vers 21. Dat zijn huis gelijk gemaakt zal worden aan de huizen van zijn goddeloze voorgangers, Jerobeam en Baesa, vers 22, dat zij, die in de stad sterven, door de honden gegeten zullen worden, en die in het veld sterven, zullen door de vogelen des hemels gegeten worden, vers 24, hetgeen voorzegd is van Jerobeams huis, Hoofdstuk 14:11, en van Baesa's huis, Hoofdstuk 16:4. Dat inzonderheid Izebel door de honden verslonden zal worden, vers 23, hetgeen vervuld werd, 2 Koningen 9:36, en wat Achab zelf betreft, de honden zullen zijn bloed lekken op de plaats waar de honden Naboths bloed gelekt hebben, vers 19, uw bloed, ja het uwe, al is het ook koninklijk bloed, al doet het uw aderen zwellen van hoogmoed, en al kookt het in uw hart van toorn, weldra zal het een gastmaal zijn voor de honden, hetgeen vervuld werd, Hoofdstuk 22:38. Dit duidt aan dat hij een geweldige dood zal sterven, met bloed ten grave zal dalen, en dat schande over hem zal komen, het vooruitzicht waarvan wel een grote vernedering moest wezen voor een hoogmoedig man. Het meest wordt hier de nadruk gelegd op straffen na de dood die wel alleen het lichaam betroffen, maar misschien bedoeld waren als aanduiding van de rampzalige toestand van de ziel na de dood.
III. Achabs verootmoediging onder het oordeel, dat over hem was uitgesproken, en de gunstige boodschap, die hem hierop gezonden werd.
1. Achab was een soort van boetvaardige. De boodschap, die Elia hem in de naam van God heeft overgeleverd, bracht hem voor het ogenblik in angst, zodat hij zijn kleren scheurde en een zak om zijn lichaam legde, vers 27. Nog was hij een trots verhard zondaar, en toch aldus tenondergebracht, God kan het hardste hart doen sidderen, en de hoogmoedigsten er toe brengen om zich te vernederen. Zijn woord is levend en krachtig, en als het Hem behaagt kan Hij het als "een vuur en een hamer" maken, Jeremia 23:29. Het heeft Felix doen sidderen. Achab nam het gewaad en het voorkomen aan van een boetvaardige, en toch was zijn hart niet veranderd, niet verootmoedigd. Een weinig later bevinden wij dat hij een getrouw profeet haat, Hoofdstuk 22:8. Het is niets nieuws een vertoning en een belijdenis van berouw en bekering te vinden, waar toch de waarheid en het wezen er van ontbreken. Achabs berouw was slechts wet door de mensen gezien kon worden: hebt gij gezien, zegt God tot Elia, dat Achab zich vernedert voor Mijn aangezicht? Het was slechts uitwendig, de kleren waren gescheurd, maar niet het hart. Een geveinsde kan zeer ver gaan in zijn uitwendig waarnemen van heilige plichten, en toch achterblijven.
2. Hierdoor verkreeg hij uitstel, dat ik een soort van vergeving kan noemen. Wel was het slechts een uitwendig berouw (treurende over het oordeel, maar niet over de zonde), wel heeft hij zijn afgoden niet verlaten, noch de wijngaard aan Naboths erfgenamen teruggegeven, maar toch heeft hij hiermede enigermate God geëerd, en daar heeft God nota van genomen, en Hij gebood aan Elia om er nota van te nemen, Hebt gij gezien dat Achab zich vernedert? vers 29. Uit aanmerking daarvan zal de bedreigde ondergang van zijn huis, waarvoor nog geen tijd was bepaald, uitgesteld worden tot de dagen van zijn zonen. Het vonnis zal niet herroepen, maar de uitvoering er van uitgesteld worden.
a. Dit openbaart de grote goedheid van God en Zijn bereidwilligheid om genade te betonen, die hier roemt tegen het oordeel. Aan deze slechte man wordt gunst betoond, opdat God Zijn goedheid groot zou maken, zegt bisschop Sanderson, op gevaar zelfs van Zijn andere Goddelijke volmaaktheden alsof, zegt hij, God nog liever zou willen dat men Hem voor onheilig, onwaar, of onrechtvaardig (hoewel Hij dit alles niet is) dan voor onbarmhartig zou aanzien.
b. Dit leert ons nota te nemen van hetgeen goed is, zelfs bij hen, die niet zo goed zijn als zij behoorden te wezen, laat dit goede, voorzover het gaat, geprezen worden. c. Dit geeft een reden aan waarom slechte mensen soms lang voorspoed hebben. God beloont hun uitwendige diensten met uitwendige zegeningen.
d. Dit is een aanmoediging voor allen, die in waarheid bekeerd zijn en ongeveinsd in het heilig Evangelie geloven. Indien een man, die slechts ten dele boetvaardig is, met uitstel van straf naar huis wordt gezonden, dan voorzeker zal een oprecht boetvaardige gerechtvaardigd afgaan naar zijn huis.