Galaten 4:12-16
Opdat deze Christenen zich des te meer schamen mochten over hun wijken van de waarheid des Evangelies, welke Paulus hun verkondigd had, herinnert hij hun de grote toegenegenheid, die zij vroeger hem en zijne bediening getoond hadden, en toont hun aan hoe onverenigbaar hun tegenwoordig gedrag met hun toenmalige houding was. Hier hebben wij te letten op:
I. Hoe liefdevol hij zich tot hen wendt. Hij noemt hen broeders, ofschoon hij wist dat hun harten in grote mate van hem afgetrokken waren. Hij begeert dat alle gevoeligheid ter zijde gezet wordt, en dat zij hem dezelfde genegenheid zullen toedragen als hij voor hen gevoelt, hij wenste: weest gij als ik, want ook ik ben als gij, en daarbij zegt hij hun: gij hebt mij geen ongelijk gedaan. Hij had over deze zaak met hen geen twist. Ofschoon hij, hun gedrag veroordelende, zich met enige warmte en vurigheid van geest uitgelaten had, verzekert hij hun dat dit niet toe te schrijven was aan enig gevoel van persoonlijke belediging of verongelijking, zoals zij wellicht zouden denken, maar geheel en alleen voortkwam uit ijver voor de waarheid en zuiverheid des Evangelies, en voor hun welvaren en geluk. Dus tracht hij hun harten jegens hem te vertederen, zodat zij des te beter gezind zouden zijn het oor te openen voor zijne waarschuwingen. Hierdoor leert hij ons dat wij, wanneer wij anderen vermanen, zorg dragen moeten hen te overtuigen, dat onze bestraffingen niet haar oorsprong vinden in persoonlijke gevoeligheid of geraaktheid, maar in het oprecht verlangen naar de eer van God en Zijn dienst en naar hun welzijn, want bestraffingen hebben de meeste kans van vrucht te dragen wanneer ze het meest blijken belangeloos te zijn.
II. Hij verheft hun vroegere genegenheid voor hem, opdat zij daardoor des te meer beschaamd mogen worden over hun tegenwoordige houding. Met dit doel:
1. Herinnert hij hen aan de vele moeiten, onder welke hij gearbeid heeft, toen hij de eerste maal tot hen kwam. Gij weet, zegt hij, dat ik u door zwakheid des vlezes het Evangelie eerstmaal verkondigd heb. Wij kunnen geen zekerheid verkrijgen van wat deze zwakheid des vlezes was, welke hij in de volgende woorden noemt: ene verzoeking, die in zijn vlees geschiedde (ofschoon zij zonder twijfel bij de Christenen aan welken hij schreef zeer goed bekend was). Sommigen denken dat de apostel doelt op de vervolgingen, die hij ter wille van het Evangelie doorstond, anderen menen dat er gewaagd wordt van iets in zijn persoon of in zijne wijze van spreken, waardoor zijn bediening minder aanlokkelijk en aangenaam gemaakt werd, en beroepen zich op 2 Corinthiërs 10:10 en 12:7- 10. Maar, wat het ook geweest zij, het had naar `t schijnt op hen geen nadeligen invloed gehad. Want:
2. Hij vermeldt, dat ongeacht zijn onvolmaaktheid (die hem misschien in de achting van anderen dalen deed) zij hem niet verachtten of verwierpen, maar integendeel hem aannamen als een engel Gods, ja als Christus Jezus. Zij toonden hem zeer veel eerbied, hij was hun een welkom gezant, even alsof een engel Gods, ja Jezus Christus zelf door hem gepredikt had, ja zo groot was hun achting voor hem dat zij, indien het hem enig voordeel had kunnen aanbrengen, hun ogen uitgegraven en hem gegeven zouden hebben. Hoe onzeker is de achting der mensen, hoe gereed zijn zij om van gevoelen te veranderen, hoe gemakkelijk zijn zij er toe te brengen om vijanden te worden van degenen, dien zij de grootste achting en liefde toedroegen, zodat zij later liever hun de ogen uitgraven dan hun eigen ogen voor hen op te offeren! Wij moeten daarom in ons werk staan naar de goedkeuring van God en kunnen zeggen: Mij is het minste van enig menselijk oordeel geoordeeld te worden, 1 Corinthiërs 4:3.
III. Zeer ernstig gaat hij hierover voort: Welke was dan, zo vraagt hij, uwe gelukachting? Alsof hij zeggen wilde: Er is een tijd geweest waarin gij de grootste blijdschap en voldoening over de blijde boodschap des Evangelies te kennen gaaft, en zeer bereid waart om mij, als degene die haar u verkondigd had, uw beste gaven te schenken, sedert wanneer zijt gij zo veranderd, dat gij nu zo weinig nut daarvan en zo weinig eerbied voor mij hebt? Eens waart gij overgelukkig door het Evangelie te ontvangen, waarom zijt gij nu geheel van gevoelen veranderd? Merk op: Zij, die hun eerste liefde verlaten hebben, zouden wèl doen door te overwegen: Waar is nu de zegen, waarvan wij eens spraken? Wat is er geworden van ons genoegen in de gemeenschap met God en het gezelschap van Zijn kinderen? Om hun nog sterker schaamte over hun tegenwoordig gedrag te geven, vraagt hij, vers 16 :Ben ik dan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende? Hoe komt het dat ik, die eerst uw gunsteling was, nu voor uw vijand gehouden word? Kunt gij daarvoor enige andere reden opgeven, dan dat ik u de waarheid gezegd heb, getracht heb u te verzoenen met en u te bevestigen in de waarheid van het Evangelie? En hoe onredelijk is dan uw afkeer van mij? Merk op:
1. Het is geen ongewoon verschijnsel, dat de mensen hen voor hun vijanden houden, die hun beste vrienden zijn, vooral hen, die- bedienaren des Woords of anderen-,hun de waarheid zeggen en vrijmoedig en getrouw met hen handelen over hun eeuwige belangen, zoals de apostel met deze Christenen deed.
2. Dienaren maken zich soms vijanden door zich getrouw van hun plicht te kwijten, want in dat geval was Paulus, hij werd hun vijand gerekend omdat hij hun de waarheid zei.
3. Toch moeten dienaren niet terugdeinzen om de waarheid te zeggen, uit vrees van anderen te mishagen en hun ongenoegen op zich te laden.
4. Zij zullen voor zich zelven vrede hebben wanneer zij ervan bewust zijn, dat anderen hun vijanden werden alleen omdat zij de waarheid gezegd hebben.