2 Koningen 9:30-37
De schuldigste van geheel het huis van Achab was Izebel. Zij was het, die de Baälsdienst had ingevoerd, de profeten des Heeren had gedood de moord op Naboth had beraamd, eerst haar man, en daarna haar zonen had aangepord tot goddeloosheid. Een vervloekte wordt zij hier genoemd, vers 34, een vloek voor het land, en voor wie allen, die het goed meenden met hun land, een vloek hadden. Haar heerschappij was over drie regeringen, maar nu is eindelijk de dag gekomen, dat zij moet vallen. Wij lezen van een valse profetes in de kerk van Thyatire die met Izebel wordt vergeleken, en met haar naam genoemd, Openbaring 2:20. Haar goddeloosheid is dezelfde, Gods dienstknechten verleidende tot afgoderij, een lange tijd werd haar gegeven opdat zij zich zou bekeren, vers 21, evenals aan Izebel, en een verschrikkelijk oordeel over haar gebracht ten slotte, zoals hierover Izebel, vers 22, 23. Zodat Izebels verderf beschouwd kan worden als een type van het verderf over afgodendienaars en vervolgers, inzonderheid over die grote hoer, die moeder van de hoererijen, die zich dronken heeft gemaakt met het bloed van de heiligen en de volken dronken heeft gemaakt met de wijn van haar hoererijen als God het in het hart van de koningen van de aarde zal geven om haar te haten, Openbaring 17:2-5, 6, 16. Nu zien wij hier:
I. Hoe Izebel het oordeel trotseert. Zij hoorde dat Jehu haar zoon had gedood, hem gedood had wegens haar hoererijen en toverijen, en zijn dood lichaam op het stuk land van Naboth had geworpen naar het woord des Heeren, en dat hij nu naar Jizreël kwam, waar zij niet anders kon verwachten, dan nu ook als slachtoffer van zijn wrekend zwaard te zullen vallen. Zie nu hoe zij haar lot tegentreedt, zij plaatste zich aan een venster aan de ingang van de poort om Jehu te beledigen en te trotseren.
1. In plaats van zich te verbergen als iemand, die bevreesd is voor de Goddelijke wraak, stelde zij er zich aan bloot en versmaadde het om te vluchten, zij lacht om vrees, en wordt niet ontsteld. Zie hoe een hart, dat verhard is tegen God, Hem tot het laatste toe tart, "tegen Hem aanloopt met de nek," Job 15:26. Maar nooit heeft iemand zich aldus tegen Hem verhard en is voorspoedig geweest.
2. In plaats van zich te verootmoedigen en zich in zware rouw te kleden over haar zoon blankette zij haar aangezicht en versierde haar hoofd, opdat zij zou verschijnen in haar karakter dat is, (naar zij dacht) groot en majestueus, hopende Jehu hierdoor ontzag in te boezemen, hem van zijn stuk te brengen, en hem te stuiten in zijn loop. "De Heere, de Heere van de heirscharen, riep tot geween en tot rouwklage, en tot kaalheid en tot omgorden met een zak, maar zie daar is blanketten en versieren en een wandelen in verzet met God", Jesaja 22:12, 13. Geen stelliger voorteken van verderf dan een onverootmoedigd hart onder verootmoedigende omstandigheden. Laat geblankette gezichten eens in Izebels spiegel zien, en dan zien hoe zij zich aanstaan.
3. In plaats van te sidderen voor Jehu, het werktuig van Gods wraak, denkt zij hem te doen sidderen door die dreigende vraag: Had Zimri vrede, die zijn heer doodsloeg?
Merk op:
a. Zij lette niet op de hand van God, die uitgegaan was tegen haar geslacht, maar beledigde en trotseerde hem, die slechts het zwaard was in Zijn hand. Als wij in benauwdheid zijn dan zijn wij maar al te geneigd om hartstochtelijk uit te varen tegen het werktuig van onze benauwdheid, terwijl wij ons behoorden te onderwerpen aan God, en slechts toornig moesten zijn op onszelf.
b. Zij verlustigde zich in de gedachte, dat hetgeen Jehu nu deed gewis in verderf op zijn eigen hoofd zou uitlopen, en dat hij er geen vrede in zou hebben. Hij had alle aanspraken op vrede voor haar afgewezen, vers 22, en nu denkt zij, dat ook zijn vrede afgesneden is. Het is niets nieuws dat zij, die Gods werk doen, beschouwd worden als buiten de weg van de vrede te zijn. IJverige hervormers, getrouwe bestraffers worden met moeite en onrust bedreigd, maar laat hen in geen ding verschrikt worden, Filipp. 1:28.
c. Zij haalde een precedent aan om hem terug te houden van met zijn onderneming voort te gaan, "Had Zimri vrede? Neen, die had hij niet, door bloed en verraad kwam hij op de troon, en binnen zeven dagen was hij genoodzaakt om het paleis boven zijn hoofd te verbranden, en hemzelf er mede, en kunt gij verwachten dat het u beter zal gaan?" Indien de zaak gelijk stond, het zou zeer gepast zijn geweest om hem dit in herinnering te brengen, want de oordelen van God over hen, die ons zijn voorgegaan op een zondige weg, moeten ons tot waarschuwing strekken, om niet in hun voetstappen te treden. Maar het voorbeeld van Zimri was niet van toepassing op Jehu. Zimri was niet gemachtigd om te doen wat hij deed hij werd er slechts toe aangespoord door zijn eigen eerzucht en wreedheid, terwijl Jehu door een van de zonen van de profeten gezalfd was, en dit deed op bevel van God, die hem rechtvaardigen zal in hetgeen hij hierin deed. Bij ons vergelijken van personen en zaken moeten wij nauwkeurig het kostelijke van het snode onderscheiden, en wèl toezien dat wij in het lot van zondige mensen het oordeel niet lezen over mensen, die nuttig en tot zegen zijn.
II. Jehu vroeg om hulp tegen haar, hij zag op naar het venster, geheel niet verschrikt door de dreigementen van haar onbeschaamde doch machteloze woede, en riep: Wie is met mij? Wie? vers 32. Hij was geroepen om Gods werk te doen in de hervorming van het volk en hen te straffen, die het verleid en verdorven hadden, en hier roept hij om bijstand voor dat werk, zag hij, of er iemand was die ondersteunde, Jesaja 63:5. Hij richt een banier op, en roept, evenals Mozes, "Wie de Heere toebehoort kome tot mij," Exodus 32:26, en als de psalmist: `Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners?" Psalm 94:16. Als het werk van de reformatie ter hand genomen is, dan is het tijd om te vragen: "Wie kiest er de zijde van?"
III. Haar eigen dienaren leveren haar over aan zijn rechtvaardige wraak. Twee of drie kamerlingen zagen uit naar Jehu met een uitdrukking op hun gelaat, die hem aanmoedigde om te geloven dat zij aan zijn zijde waren, en hun riep hij toe, niet om haar te grijpen en gevangen te houden tot nadere orders, maar om haar terstond naar beneden te werpen, dat ook een manier was om boosdoeners te stenigen, namelijk hen van een steilte neer te werpen. Aldus werd wraak aan haar geoefend voor het stenigen van Naboth. Zij stieten haar van boven neer, vers 33. Indien Gods gebod Jehu zal rechtvaardigen, dan zal zijn gebod hen rechtvaardigen. Misschien hadden zij een stille, verborgen afkeer van Izebels slechtheid, en haatten zij haar, hoewel zij haar dienden. Of misschien was zij wreed en beledigend voor haar omgeving, en waren zij blij met de gelegenheid om aan haar gewroken te worden, of wel, ziende Jehu's voorspoed en welslagen, hoopten zij zich aangenaam bij hem te maken, om aldus hun plaats aan het hof te behouden. Hoe dit nu zij: aldus werd zij smadelijk ter dood gebracht, verpletterd tegen de muur en op het plaveisel, en toen vertreden door de paarden, die bespat waren met haar bloed en haar hersenen. Zie het einde van hoogmoed en wreedheid, en zeg: De Heere is rechtvaardig.
IV. Tot zelfs de honden voltooiden haar schande en haar verderf, overeenkomstig de profetie. Nadat Jehu enige spijs en drank gebruikt had in het paleis, bedacht hij om aan Izebels sekse en rang toch de eerbied te betonen van haar te laten begraven. Slecht als zij was, was zij toch een koningsdochter, echtgenote van de koning, moeder van een koning Ziet nu naar die vervloekte en begraaf haar, vers 34. Maar hoewel hij vergeten had wat de profeet had gezegd, vers 10 :ook zullen de honden Izebel eten, God had het niet vergeten. Terwijl hij at en dronk, verslonden de honden haar dood lichaam, de honden, die gaan rondom de stad, Psalm 59:7, en zich voeden met aas, zodat er niets van haar was overgebleven dan haar naakte schedel-het geblankette aangezicht was verdwenen-en haar voeten en handen. De hongerige honden hadden geen eerbied voor haar rang en afkomst, de dochter van een koning was hun niets meer dan een gewoon persoon. Als wij ons lichaam vertroetelen en er zo keurig op zijn, zo laat ons bedenken hoe gering en vernederd het is, en dat het weldra de prooi zal zijn of van de wormen onder de grond, of van de roofdieren boven de grond. Toen aan Jehu hiervan kennis werd gegeven, herinnerde hij zich de bedreiging, 1 Koningen 21:23 :De honden zullen Izebel eten aan de voorwal van Jizreël. Niets moest van haar overblijven dan de gedenktekenen van haar slechtheid en schande. Zij placht met grote staatsie in het openbaar te verschijnen, en dan was de roep: "Dit is Izebel! Welk een majestueuze houding en gestalte! Welk een groots schoon aanzien heeft zij!" Maar nu zal dit niet meer van haar gezegd worden. Wij hebben dikwijls de goddelozen zien begraven Prediker 8:10, maar soms hebben zij, zoals deze hier, geen begrafenis, Prediker 6:3. Izebels naam bleef in de Heilige Schrift niet anders dan als geschandvlekt bestaan. Men kon niet eens zeggen: "Dit is Izebels stof, dit is Izebels graf" of "dit is Izebels zaad." Aldus zal de naam van de goddelozen verrotten, verrotten boven de grond.