1 Koningen 20:31-43
Hier is een bericht van hetgeen volgde op de overwinning, die Israël over de Syriërs had behaald.
I. Benhadads gedweeë en lage onderwerping, zelfs in zijn binnenkamer is hij nog bang, en zou, indien hij het gekund had, nog verder weg zijn gevlucht, hoewel niemand hem vervolgde. Zijn knechten hem en zichzelf tot het uiterste gebracht ziende, raden hem aan om zich op genade of ongenade over te geven, en Achab om lijfsbehoud te smeken, vers 31. De dienaren zullen hun leven in de waagschaal stellen en het eerst tot Achab gaan, en dan zal hun meester zien hoe het hun gaat en daarnaar voor zichzelf handelen. Wat hen bewoog tot deze maatregel was, dat de koningen van Israël vermaard waren om hun goedertierenheid. "Wij hebben gehoord dat de koningen Israëls goedertieren koningen zijn, hun onderdanen niet verdrukken (in vergelijking met de meeste regeringen van die tijd, was die van Israël zacht en welwillend), en daarom ook niet wreed zijn jegens hun vijanden, die in hun macht zijn." Misschien koesterden zij die mening van de koningen van Israël, omdat zij gehoord hadden, dat de God Israëls Zijn naam had uitgeroepen als genadig en barmhartig, en kwamen zij tot de gevolgtrekking dat hun koningen zich hun God ten voorbeeld zouden stellen. Het was een eer voor de koningen van Israël, dat men zich die voorstelling van hen maakte, en inderdaad is ook ieder Israëliet in het hem passend gewaad gekleed, als hij de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid aandoet. "Zij zijn barmhartige koningen, daarom kunnen wij hopen barmhartigheid te zullen vinden, als wij ons aan hen onderworpen hebben", deze aanmoediging hebben arme zondaren om zich te bekeren en voor God te verootmoedigen: "Hebben wij niet gehoord dat de God Israëls een barmhartige God is? Hebben wij Hem niet aldus bevonden? Zo laat ons dan ons hart scheuren en ons tot Hem bekeren," Joël 2:13. Dat is Evangelisch berouw, hetwelk voortvloeit uit een besef van Gods barmhartigheid in Christus. Bij Hem is vergeving.
Zij nemen op zich om twee dingen aan Achab voor te stellen.
1. Hun meester als berouwhebbende, want zij deden zakken om hun lenden als rouwdragenden, en koorden om hun hoofden als veroordeelde misdadigers, die ter executie gaan voorgevende het te betreuren, dat zij een inval hadden gedaan in zijn land en zijn rust hadden verstoord, en te erkennen dat zij verdienden gehangen te worden, hier zijn zij, gereed en bereid om er boete voor te doen, en zich aan de voeten te werpen van hem, die zij beledigd hadden. Velen nemen op zich om berouw te hebben van hun onrecht doen, als zij er niet in geslaagd zijn, maar, zo zij er voorspoedig in waren geweest, zij zouden er in geroemd hebben.
2. Hun meester een smekeling, een smekeling om zijn leven: Uw knecht Benhadad zegt: laat toch mijn ziel leven, vers 31. Al moet ik ook in altijddurende ballingschap leven, ver van mijn eigen land, en als gevangene in dit land, "zo laat mij toch onder elk beding leven." Welk een grote verandering hebben wij hier:
a. In zijn toestand. Hoe is hij gevallen van de hoogte van macht en voorspoed, in de diepte van schande en ongeluk en al de ellende van armoede en slavernij! Let op het onzekere van de zaken van de mensen, aan welke veranderingen zij onderhevig zijn, zodat de spaak van het wiel, die bovenaan was, spoedig onderaan zal komen. b. In zijn gemoedsgesteldheid. In het begin van het hoofdstuk: bluffend, zwerend en dreigend, niemand hoger in zijn eisen dan hij, maar hier zich vernederende en beklagende, en niemand nederiger in zijn beden. Hoe erbarmelijk smeekt hij om zijn leven hem, die hij vernederd en vertrapt had! Die het hoogmoedigst zijn in voorspoed, zijn gewoonlijk het laagst en verachtelijkst in tegenspoed. Zie hoe God zich verheerlijkt, als Hij "de hoogmoedigen ziet en hen tenonder brengt, en hen tezamen in het stof verbergt," Job 40:12,13.
II. Achabs dwaze aanneming van zijn onderwerping, en het verbond, dat hij nu plotseling met hem maakt. Het streelde zijn hoogmoed om zich aldus het hof gemaakt te zijn door hem, die hij had gevreesd. Met grote tederheid vraagt hij naar hem: Leeft hij dan nog? Hij is mijn broeder, broeder-koning, hoewel niet broeder-Israeliet. Achab liet zich meer voorstaan op zijn koningschap dan op zijn godsdienst. "Is hij uw broeder, Achab? Heeft hij u als een broeder behandeld, toen hij u die wrede boodschap zond? vers 5, 6. Zou hij u broeder genoemd hebben, indien hij de overwinnaar ware geweest? Zou hij zich nu uw knecht genoemd hebben, indien hij niet tot de uiterste nood was gekomen? Kunt gij u aldus om de tuin laten leiden door een gedwongen en valse onderwerping?" Dit woord broeder moedigt hen aan om hem te gaan halen en tot de koning te brengen. Hij, die hem broeder noemt, zal hem laten leven. Laat arme boetvaardigen God horen in Zijn woord hen kinderen noemende, Jeremia 31:20, en er een weerklank op geven door Hem Vader te noemen. Na zijn onderwerping zal Benhadad niet slechts op eervolle wijze vervoerd worden, (hij deed hem op de wagen klimmen), maar behandeld worden als bondgenoot, vers 34, hij maakte een verbond met hem, noch met Gods profeten, noch met de oudsten des lands te rade gaande, omtrent hetgeen goed en gepast was om tot voorwaarden te stellen van dat verbond, maar alsof Benhadad de overwinnaar was, wordt het hem overgelaten de voorwaarden aan te geven. Hij zou nu enige van Benhadads steden hebben kunnen eisen, toen zij alle in de macht waren van zijn zegevierend leger, maar hij is tevreden met de teruggave van zijn eigene. Hij zou nu de voorraad, de schatten en magazijnen van Damascus hebben kunnen eisen om de rijkdom en de sterkte van zijn eigen rijk te vermeerderen, maar hij is tevreden met het armzalig verlof om er op zijn eigen kosten straten aan te leggen, een punt van eer, maar geen voordeel, en niet meer dan de koningen van Syrië hadden in Samaria, hoewel zij nooit zo'n macht hadden als hij nu had om er de eis van te ondersteunen. Met dit verbond zond hij hem weg zonder hem ook maar te bestraffen voor zijn lasterlijke aanmerking op de God Israëls, om wiens eer Achab zich niet in het minst bekommerde. Er zijn van de zodanigen, aan wie voorspoed slecht besteed is, zij weten noch God noch hun geslecht te dienen met hun voorspoed, ja zelfs niet hun eigen belangen. Wordt de goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid.
III. De bestraffing aan Achab gegeven voor zijn goedertierenheid jegens Benhadad en zijn verbond met hem. Zij werd hem gegeven door een profeet in de naam des Heeren, de Joden zeggen dat het Micha was, en dat is niet onwaarschijnlijk, want Achab klaagt over hem Hoofdstuk 22:8, dat hij kwaad over hem heeft geprofeteerd. Deze profeet wilde Achab bestraffen door een gelijkenis, om hem te noodzaken zichzelf te veroordelen, zoals Nathan en de vrouw van Thekoa David op die wijze bestraft hebben. Om aan zijn gelijkenis meer waarschijnlijkheid te geven, vond hij het nodig zich als een gewond krijgsman voor te doen.
1. Het kostte hem enige moeite om gewond te worden, want hij wilde niet zichzelf wonden, hij gebood een van de andere profeten, zijn naaste of zijn metgezel, om hem te slaan en dat wel in de naam van God, vers 35 maar bevindt dat deze niet zo bereid is om hem de slag te geven als hij om de slag te ontvangen. Hij weigerde hem te slaan, anderen waren ijverig en gewillig genoeg om profeten te slaan, het was niet nodig, dat zij elkaar sloegen. Wij kunnen niet anders denken dan dat hij het uit een goed beginsel heeft geweigerd. "Als dit moet, zo laat een ander het doen, ik doe het niet, ik kan het niet over mij verkrijgen mijn vriend te slaan". Godvruchtige mensen kunnen veel gemakkelijker een onrechtvaardiger slaag ontvangen dan geven, maar, omdat hij aan een uitdrukkelijk bevel van God ongehoorzaam was (hetgeen zoveel te slechter was, indien hijzelf een profeet was), werd hij, evenals die andere ongehoorzame profeet, Hoofdstuk 13:24, door een leeuw gedood, vers 36. Dit was bedoeld, niet alleen om aan te tonen in het algemeen, hoe Godtergend ongehoorzaamheid is, Colos. 3:6, maar om te kennen te geven aan Achab aan wie dit ongetwijfeld werd meegedeeld, dat indien een Godvruchtige profeet aldus gestraft werd omdat hij zijn en Gods vriend gespaard heeft, toen God zei: Sla, een goddeloze koning veel zwaarder straf waardig geacht zal worden, die zijn en Gods vijand spaarde, toen God gezegd had: Sla. Zal de sterfelijke mens voorgeven rechtvaardiger te zijn dan God, reiner of barmhartiger te zijn dan zijn maker? Wij moeten barmhartig zijn gelijk Hij barmhartig is, maar niet anders. De volgende persoon, die hij ontmoette, maakte geen zwarigheid om hem te slaan, "volenti non fit injuria-hem, wie om schade of letsel vraagt, wordt er geen onrecht mee gedaan,' en hij deed het zo, dat hij hem wondde, vers 37, sloeg hem, waarschijnlijk in het aangezicht, tot bloedens toe.
2. Gewond als hij was, en vermomd door as boven zijn ogen, ten einde niet als profeet herkend te worden, wendde hij zich tot de koning met een verhaal, waarin hij zichzelf een misdaad ten laste legde als die waaraan de koning zich schuldig had gemaakt door Benhadad te sparen, en hij wacht op des konings oordeel er over. De zaak is, in korte woorden, als volgt: iemand, die in de veldslag gevangen was genomen, werd hem ter bewaking overgegeven door een man, (die, naar wij kunnen veronderstellen, met gezag bekleed was als zijn meerdere in rang) met deze last: indien hij gemist wordt, zo zal uw ziel, dat is uw leven, in de plaats van zijn ziel, of van zijn leven zijn, vers 39. Door zijn onachtzaamheid is de gevangene ontkomen. Zou nu de koning niet voor hem tussenbeide willen komen bij zijn overste, die zijn leven eist in de plaats van het leven van de ontvluchte gevangene? "Geenszins", zegt de koning, "gij had of die post niet op u moeten nemen of er meer zorgvuldig en getrouw op moeten zijn, er is niets aan te doen "Curat lex-het recht hebbe zijn loop, " gij hebt uw leven verbeurd. Zo is uw oordeel, gij zelf hebt het geveld ". Nu is de profeet waar hij wezen wil, hij legt zijn vermomming af, en wordt door Achab zelf herkend als een van de profeten, vers 41, en nu zegt hij hem ronduit: "Gij zijt de man. Is het mijn oordeel? Neen, het is het uwe, gij zelf hebt het geveld, uit uw eigen mond zijt gij geoordeeld. God, uw meerdere, uw opperbevelhebber heeft iemand in uw hand gegeven, die duidelijk ten verderve getekend was, zowel door zijn eigen hoogmoed als door Gods voorzienigheid, en gij hebt hem niet door achteloosheid verloren, maar hebt hem willens en wetens laten gaan, en aldus hebt gij het doel van uw overwinning verloren. Verwacht dus niets anders dan dat uw ziel in de plaats van zijn ziel zal zijn, die gij gespaard hebt", (en zo bleek het, Hoofdstuk 22:35) "en uw volk in de plaats van zijn volk dat gij evenzo gespaard hebt, en zo is het later geschied, 2 Koningen 10:32, 33. Toen hun andere zonden hen naar de diepte gebracht hebben, kwam ook dit in rekening. Er is een tijd wanneer "het zwaard van het bloed te onthouden is des Heeren werk bedrieglijk te doen," Jeremia 48:10. Een dwaas medelijden verderft de stad.
3. Er wordt ons meegedeeld hoe Achab die bestraffing opnam, hij ging gemelijk en toornig naar zijn huis, vers 43, niet waarlijk boetvaardig of zoekende het verkeerde dat hij gedaan had ongedaan te maken, maar woedend op de profeet, verbitterd tegen God (alsof Hij te streng was in het oordeel, dat Hij over hem uitsprak) en toch ook geërgerd over zichzelf, op alle manier verdrietig, en dat wel niettegenstaande zijn overwinning. Hij, die door Zijn voorzienigheid de hoogmoed vernederd heeft van de ene koning, heeft door Zijn woord de andere ter neergeslagen in zijn triomf. "Zo handelt dan verstandig, gij koningen, dient de Heere met vreze, en verheugt u met beving," Psalm 2:10, 11.