1 Koningen 22:29-40
De zaak in geding tussen Gods profeet en Achabs profeten is hier spoedig beslist, en het werd nu openbaar wie gelijk had.
I. De twee koningen rukken met hun krijgsmacht op naar Ramoth in Gilead, vers 29. Dat de koning van Israël, die Gods profeten haatte zo weinig geloof sloeg aan zijn waarschuwing dat hij bij zijn voornemen bleef, is niet vreemd maar dat Josafat, die Godvruchtige vorst, die verlangd had dat een profeet des Heeren gevraagd zou worden, omdat hij geen vertrouwen had in Achabs profeten, toch bij zijn besluit bleef, na zo duidelijke waarschuwing te hebben ontvangen, dat is wel iets, waarover men zich moet verbazen. Maar door het meegaande van zijn temperament werd hij mee gevoerd in de begoocheling van zijn vrienden (zoals Barnabas mee afgetrokken werd door hun veinzing), Galaten 2:1. Hij gaf al te veel acht op Achabs profeten, omdat zij voorgaven ook van Godswege te spreken, en in zijn eigen land is hij nog nooit door zulke bedriegers misleid geworden. Hij was bereid met de meerderheid te stemmen, en te denken dat het vierhonderd tegen één was, dat zij voorspoedig zouden zijn. Micha had hun niet verboden op te trekken, ja meer, in het eerst had hij gezegd: Trek op, en gij zult voorspoedig zijn. Als het op zijn ergst kwam, was toch alleen Achabs val voorzegd, en daarom hoopte hij zich te mogen wagen.
II. Achab weet het zo aan te leggen, dat hijzelf veilig is en zijn vriend aan gevaar wordt blootgesteld, vers 30. Als ik mij vermomd heb, zal ik in de strijd komen. "Ik zal mij kleden als een gewoon soldaat, maar gij, trek uw klederen aan, om als generaal te verschijnen". Hij wendde voor hiermede Josafat te eren, door hem alleen het bevel te laten voeren over het leger in deze veldtocht, hij moet besturen en orders geven, en Achab zal als gewoon krijgsman onder hem dienen, maar hij bedoelde:
1. Een leugenaar te maken van de goede profeet, zo hoopte hij het gevaar te ontwijken en aldus de bedreiging teniet te doen, alsof hij door zich te vermommen aan de kennis van God zou kunnen ontsnappen en aan de oordelen, die hem vervolgden.
2. Om een goede koning te misleiden, die hij niet van harte liefhad, omdat hij iemand was, die God aankleefde en dus zijn afval veroordeelde. Hij wist dat zo iemand moest omkomen, het de herder moest wezen, dat had Micha voorzegd, en misschien was het tot zijn kennis gekomen, dat aan het vijandelijk leger geboden was om voornamelijk tegen de koning van Israël te strijden, en daarom leverde hij laaghartig Josafat over aan het gevaar ten einde zelf veilig te wezen. Achab was ten verderve opgeschreven, men zou zich voor nog zoveel niet in zijn klederen willen steken, maar hij zal deze Godvruchtige koning tegen zijn zin overreden om zijn plaats in te nemen. Zie wat zij er bij winnen, die in verwantschap willen komen met slechte mensen, wier geweten verkracht is, en die alle eer en deugd van zich afgeschud hebben. Hoe kan men verwachten dat hij trouw zal zijn aan zijn vriend, die ontrouw is aan zijn God?
III. Josafat, die meer Godvruchtig dan staatkundig was, nam de ereplaats, hoewel het de plaats was van het gevaar, waardoor hij in levensgevaar kwam, maar God heeft hem genadig verlost. De koning van Syrië had zijn krijgsoversten gelast, hun strijdmacht te richten, niet tegen de koning van Juda, daar zijn twist niet met hem was, maar alleen tegen de koning van Israël, vers 31, het op zijn persoon te munten, alsof hij een bijzondere vijandschap tegen hem koesterde. Nu werd Achab zijn sparen van Benhadad vergolden, die zoals het zaad van de slang gewoonlijk doet, in de borst beet, waaraan hij gekoesterd was. Sommigen denken dat hij slechts bedoelde hem gevangen te nemen ten einde hem dan een even eervolle behandeling te doen ondervinden als hij van hem ondervonden had. Wat nu ook de reden was, zijn krijgsoversten ontvingen die last, en trachtten hun vorst in deze te verplichten want Josafat ziende in zijn koninklijk gewaad hielden zij hem voor de koning van Israël, en omsingelden hem.
1. Door dit gevaar heeft God hem doen weten dat Hij misnoegd op hem was wegens zijn bondgenootschap met Achab. In plichtpleging jegens Achab had hij gezegd, vers 4. Zo zal ik zijn gelijk gij zijt, en werd hij inderdaad voor hem aangezien, zij die zich met boosdoeners vergezellen lopen gevaar om in hun plagen te delen.
2. Door zijn redding heeft God hem doen weten dat Hij wel misnoegd op hem was, maar hem toch niet had verlaten. Sommigen van de oversten, die hem kenden, bemerkten de vergissing, en lieten toen af van hem te vervolgen. Maar in 2 Kronieken 18:31, wordt gezegd: God wendde hen van hem af (want Hij heeft alle harten in Zijn hand). Tot Hem riep hij, niet in lafhartigheid, maar in Godsvrucht en van Hem kwam zijn hulp. Achab was in geen zorg om hem bijstand te bieden, God is een vriend die ons niet zal begeven als andere vrienden ons in de steek laten.
IV In weerwil van zijn pogingen om zich te beveiligen in de kleding van een gewoon krijgsman, ontving Achab een dodelijke wonde. Laat niemand denken zich te kunnen beschutten tegen het oordeel Gods, neen zelfs niet in een vermomming, vers 34. Uw hand zal al Uw vijanden vinden. De Syriër, die hem schoot heeft weinig gedacht zulk een dienst te verrichten voor God en zijn koning, want hij spande de boog in zijn eenvoudigheid, op niemand in het bijzonder aanleggende, maar God richtte de pijl zo, dat:
1. Hij de juiste persoon trof, de man die getekend was voor het verderf, en die indien zij hem levend gevangen hadden genomen Benhadad misschien gespaard zou hebben, diegenen kunnen niet ontkomen met hun leven, die God ten dode gedoemd heeft.
2. Hij trof hem in de rechte plaats, tussen de gespen en tussen het pantser de enige plaats aan zijn lichaam waar deze pijl des doods ingang kon vinden. Geen wapenrusting is bestand tegen de schichten van de Goddelijke wraak, hul de misdadiger in staal, het is hem van geen nut, Hij, die hem gemaakt heeft, kan Zijn zwaard tot hem doen naderen. Wat voor ons geheel toevallig schijnt, geschiedt door de bepaalde raad en de voorkennis Gods.
V. Het leger werd verstrooid door de vijand en naar huis gezonden door de koning. Josafat of Achab gaf bevel tot de aftocht van de schapen, toen de herder geslagen was. Een ieder kere naar zijn stad, want het is doelloos de strijd voort te zetten, vers 36. Achab zelf leefde nog lang genoeg om dat deel van Micha's profetie vervuld te zien, dat geheel Israël verstrooid zal zijn op de bergen van Gilead, vers 17, en misschien heeft hij met stervende lippen zelf er het bevel toe gegeven, want, hoewel hij uit het leger weggevoerd wilde worden om zijn wonden te laten verbinden, vers 34, wilde hij toch met de wagen staande gehouden worden om te zien of zijn leger zegevierde, maar toen hij zag dat de strijd toenam tegen hem, ontzonk hem de moed, en hij stierf, maar zijn sterven ging zo langzaam, dat hij tijd had om zich te voelen sterven, en wij kunnen ons voorstellen met welk een afgrijzen hij nu dacht aan de goddeloosheid, dat hij had bedreven aan de waarschuwingen, die hij in de wind had geslagen, aan Baäls altaren, aan Naboths wijngaard, aan Micha's gevangenschap. Nu ziet hij zich gevleid tot zijn verderf, en Zedekia's ijzeren horens niet de Syriërs, maar hemzelf ten verderve stotende. Aldus is hij tot de koning van de verschrikkingen gebracht zonder hoop in zijn dood.
Vl. Het dode lichaam van de koning wordt naar Samaria gebracht en aldaar begraven, vers 37, en daarheen werden ook de bebloede wagen en de bebloede wapenrusting gebracht, waarin hij gestorven is, vers 38. Er wordt nota genomen van een bijzondere omstandigheid, omdat er de vervulling in was van een profetie, namelijk dat, toen zij de wagen naar de vijver van Samaria brachten om er gereinigd te worden de honden (en de zwijnen, zegt de Septuaginta er zich om heen verzamelden, en, naar gewoonte het bloed lekten, of, naar sommigen denken het water, waarin de wagen werd schoongemaakt, waarmee het bloed vermengd was, honden maken geen verschil tussen koninklijk bloed en ander bloed. Nu was Naboths bloed gewroken, Hoofdstuk 21:19, en dat woord van David, zowel als Elia's woord werd vervuld: "opdat gij uw voet, ja de tong van uw honden moogt steken in het bloed van de vijanden," Psalm 68:24. Dat de honden het schuldig bloed lekten was misschien bedoeld om de verschrikkingen voor te stellen, waaraan de schuldige ziel ten prooi is na de dood.
Eindelijk. De geschiedenis van Achab is hier ten einde gebracht in de gewone vorm, vers 39, 40. Onder zijn werken wordt een ivoren huis genoemd, dat hij gebouwd heeft, aldus genoemd omdat vele delen er van met ivoor waren ingelegd, misschien was het bestemd om te wedijveren met het statige paleis van de koningen van Juda, dat Salomo gebouwd heeft.