1 Koningen 18:21-40
Achab en het volk verwachtten dat Elia in deze plechtige vergadering het land zou zegenen en om regen zou bidden, maar eerst heeft hij ander werk te doen. Het volk moet tot berouw en bekering worden gebracht, en dan kunnen zij de wegneming van het oordeel verwachten, maar niet eerder. Dat is de rechte methode, God zal eerst "ons hart bereiden, en dan Zijn oor doen opmerken," Psalm 17:3, eerst ons wenden tot Hem, en dan zich wenden tot ons. De verlaters van God moeten niet verwachten dat Hij hun gunst zal betonen voor zij tot hun trouw aan Hem zijn weergekeerd. Elia zou zeventig maal zeven malen naar regen hebben kunnen uitzien, en hem niet ontdekt hebben, indien hij zijn werk niet aldus van de rechte zijde had aangevat.
Drie en een half jaar van hongersnood heeft hen niet tot God teruggebracht, Elia zal nu trachten hun verstand te overtuigen, en door volmacht en leiding van boven ongetwijfeld wil hij nu de twist tussen God en Baäl door een openbare proefneming laten beslechten. Het was een grote neerbuigende goedheid in God, dat Hij zo'n eenvoudige zaak nog tot een twistgeding wilde laten worden, en wilde toelaten, dat Baäl Hem ten mededinger gesteld zou worden, maar zo wilde God dat alle mond gestopt zou worden en alle vlees voor Zijn aangezicht zou zwijgen. Gods zaak is zo onbetwistbaar recht, dat zij voor geen onderzoek naar het bewijs er van behoeft te vrezen.
I. Elia bestraft het volk voor hun vermenging van de aanbidding van God met die van Baäl. Niet slechts aanbaden sommige Israëlieten God en anderen Baäl, maar dezelfde Israëlieten aanbaden nu eens God en dan weer Baäl. Dit noemt hij hinken op twee gedachten, vers 21. Zij aanbaden God om aan de profeten genoegen te doen, maar aanbaden Baäl om Izebel te behagen en de gunst van het hof te winnen. Zij dachten de zaak te schikken door beide zijden voor te staan, zoals de Samaritanen, 2 Koningen 17:33. Nu toont Elia hun het ongerijmde hiervan aan. Hij dringt niet aan op hun betrekking tot God. "Is hij uw God niet en de God van uw vaderen, terwijl Baäl de god van de Zidoniërs is? "Heeft ook een volk de goden veranderd?" Jeremia 2:11. Neen, hij komt terstond tot het wezen van de zaak. Er kan slechts één God zijn, slechts één die oneindig is, één die oppermachtig is. Er behoeft ook slechts één God te zijn, één die almachtig en algenoegzaam is, kan er toevoeging nodig wezen aan hetgeen volmaakt is? Indien het nu na gedaan onderzoek blijkt, dat Baäl dat een oneindig, almachtig wezen is, die een opperheer en algenoegzame weldoener, dan behoort gij JAHWEH te verlaten en Baäl alleen aan te kleven, maar indien JAHWEH die ene God is, dan is Baäl een bedrog, en dan moet gij niets meer met hem te doen hebben.
1. Het is zeer verkeerd te hinken tussen God en Baäl. "In verschil, dat vereffend kan worden (zegt Bisschop Hall), is niets meer veilig dan onpartijdigheid in praktijk en mening, maar in gevallen van zo noodwendige vijandschap, zoals tussen God en Baäl is hij, die niet voor God is, tegen Hem." Vergelijk Marcus 9:38, 39 met Mattheus 12:30. De dienst van God en de dienst van de zonde, de heerschappij van Christus en de heerschappij van de lusten, dat zijn de twee gedachten, op welke te hinken gevaarlijk is. Dat doen zij, die tot geen besluit komen onder hun overtuigingen, onvast en onstandvastig zijn in hun voornemens, veel beloven maar niets volbrengen, goed beginnen maar niet voortgaan, zich ongelijk blijven, onverschillig en lauw zijn voor hetgeen goed is. `Hun hart is verdeeld," Hosea 10:2, terwijl God het geheel of in het geheel niets wil hebben.
2. De keus wordt ons duidelijk voorgesteld wie wij willen dienen, Jozua 24:15. Indien wij iemand kunnen vinden, die meer recht voor ons is, of een beter meester voor ons zijn zal dan God, dan kunnen wij dien, op ons gevaar kiezen. God eist van ons niets meer dan hetgeen, waarop Hij bewijzen kan recht te hebben.
Op Elia's redelijke voorstelling van de zaak wist het volk niets te zeggen. Het volk antwoordde hem niet een woord. Zij konden niets zeggen om zich te rechtvaardigen, en zij wilden niets zeggen om zich te veroordelen, maar als mensen, die beschaamd staan, lieten zij hem zeggen wat hij wilde.
II. Hij stelt voor om de zaak aan een proef te onderwerpen, en dit was zoveel billijker, omdat alle uitwendige voordelen aan de zijde van Baäl waren. De koning en het hof waren allen voor Baäl, en evenzo het gros van het volk. Die Baäls zaak moesten voorstaan waren vier honderd en vijftig man, welvarende, wèl doorvoede personen, vers 22, en nog vier honderd anderen, die hun helpers waren, vers 19. Die Gods zaak voorstond en bepleitte was slechts een enkel man, kort geleden nog een arme balling, ternauwernood voor de hongerdood bewaard, zodat Gods zaak door niets anders ondersteund werd dan door haar recht. Maar er zal nu deze proef genomen worden: "Laat er van elke zijde een offer bereid worden, en laat iedere zijde tot haar God bidden, en de God, die door vuur antwoorden zal, die zal God zijn. Indien geen van beide antwoordt, zo laat hen dan atheïsten worden, indien beide antwoorden, zo laat hen dan voortgaan met op twee gedachten te hinken." Elia had ongetwijfeld een bijzondere opdracht van God om die proefneming te doen, want anders had hij God verzocht en de Godsdienst beledigd. maar het was hier een buitengewoon geval, en de uitspraak zal nuttig wezen niet slechts toen maar in alle eeuwen. Het is een voorbeeld van Elia's moed, dat hij in de zaak Gods alleen durfde staan tegenover zulke machten en getallen, en de uitkomst is een bemoediging voor al Gods getuigen om nooit het aangezicht van de mensen te vrezen. Elia zegt niet: "De God die door water zal antwoorden," (hoewel dat de zaak was, die het land behoefde) maar "die door vuur antwoordt, die zal God zijn", omdat de verzoening geschieden zou door offerande, eer het oordeel in barmhartigheid kon weggenomen worden. De God dus, die macht heeft de zonde te vergeven, en dit aan te duiden door het zondoffer te verteren, moet de God zijn, die deze ramp van ons kan wegnemen. Hij, die vuur kan geven, kan regen geven. Zie Mattheus 9:2, 6.
III. Het volk wil zich aan de uitslag van die proefneming onderwerpen. Dat woord is goed, vers 24. Zij erkennen dat het voorstel billijk en onwraakbaar is. "God heeft dikwijls door vuur geantwoord, indien Baäl dat niet kan, zo laat hem als een indringer verworpen worden." Zij waren zeer begerig om die proefneming te zien, en schenen besloten om bij de uitkomst te blijven, zich er aan te houden, hoe die ook wezen mocht. Zij, die standvastig voor God waren, twijfelden niet of het zou uitlopen tot Zijn eer, zij, die onverschillig waren, wilden wel tot een beslissing komen. Achab en de Baäls profeten durfden zich niet verzetten, uit vrees voor het volk, en hoopten, òf dat zij vuur van de hemel zouden verkrijgen, (ofschoon dit hun nog nooit gebeurd was) en dit te meer omdat zij, naar sommigen denken, in Baäl de zon aanbaden, of dat Elia het niet kon, omdat hij niet in de tempel was, waar God op die wijze Zijn heerlijkheid placht te openbaren. Indien de proefneming slechts onbeslist bleef, dan zou door de voordelen, die zij aan hun zijde hadden, voor hun toch de overwinning zijn. Zo laat de proefneming dan maar voortgaan.
IV. De Baälsprofeten beproeven het het eerst met hun god, maar tevergeefs. Zij begeren de voorrang, niet slechts om de eer, maar opdat, zo zij ook maar in het minst hun doel schijnen te bereiken, Elia tot de verdere proefneming niet zou worden toegelaten. Elia geeft hun de voorrang, vers 23, staat hun tot hun grotere beschaming de leiding toe, alleen maar, wetende dat de werking des Satans is in wonderen van de leugen, draagt hij zorg om bedrog te voorkomen. Er moet geen vuur aan gelegd worden. Nu is er bij hun proefneming op te merken:
1. Hoe dringend en luidruchtig de profeten van Baäl zich tot hem hebben gewend. Zij hadden hun offer bereid, en wij kunnen ons voorstellen welk een geraas die vier honderd en vijftig mannen daarbij maakten, toen zij allen, als een man, riepen, riepen met al hun macht: O Baäl, antwoord ons, en dit urenlang, langer dan de aanbidders van Diana schreeuwden: "Groot is de Diana van de Efeziërs!" Handelingen 19:34. Hoe onzinnig en woest waren zij in hun gebed tot Baäl. Als dwazen sprongen zij op het altaar vers 26, alsof zij zelf met hun var offers wilden worden of, wel omdat zij aldus aan de grote vurigheid van hun geest uiting wilden geven. Zij sprongen heen en weer, of dansten om het altaar. Zij hoopten door hun dansen hun god te behagen, zoals Herodias Herodes heeft behaagd, en daardoor hun bede te verkrijgen.
a. Als waanzinnigen sneden zij zich met messen en met priemen, vers 28, uit ergernis dat zij geen antwoord kregen of in een soort van profetische razernij, hopende de gunst van hun gods te verkrijgen, door hem hun eigen bloed te offeren toen zij haar niet konden verkrijgen door het bloed van hun var. God heeft van Zijn aanbidders nooit geëist Hem op die wijze te eren, maar de dienst van de duivel streeft en vertroetelt soms wel het lichaam, maar is er in andere opzichten wezenlijk wreed voor, zoals in nijd en dronkenschap. Dit schijnt de manier te zijn geweest van de Baäls- aanbidders. God heeft Zijn aanbidders uitdrukkelijk verboden zich te snijden, Deuteronomium 14:1. Hij dringt er op aan dat wij onze lusten en ons bederf doden maar lichamelijke boetedoening en strengheid zoals zij bij de papisten in gebruik zijn, die deze strekking niet hebben, zijn Hem niet welbehaaglijk. Wie heeft zulks van uw hand geëist?
2. Hoe Elia hen bespotte, vers 27. Hij stond bij hen, en had geduldig vele uren lang hun bidden tot een afgod aangehoord, hoewel met innerlijke verontwaardiging en verachting, en des middags, als de zon het heetst was, en zij toen, indien ooit, vuur verwachtten, verwees hij hun hun dwaasheid. En niettegenstaande de waardigheid van zijn ambt en het ernstige zwaarwichtige van het werk dat hem wachtte steekt hij de draak met hen. "Roept met luider stem, want hij is een god, een mooie god, die men niet zonder al dit gedruis en rumoer kan doen horen! Gij denkt zeker dat hij praat of peinst, in diepzinnige gedachten is verzonken of aan iets anders denkt, en op zijn eigen zaken geen acht geeft, als toch niet alleen uw reputatie, maar zijn eer op het spel staat en zijn deel en invloed in Israël. Wat hij pas veroverd heeft zal hij verliezen indien hij niet terstond goed om zich heen ziet". De aanbidding van afgoden is uiterst bespottelijk, en het is niet meer dan recht om haar als zodanig tentoon te stellen en van de verachting prijs te geven. Dit zal volstrekt hen niet rechtvaardigen, die de aanbidders van God in Christus bespotten, omdat die aanbidding niet op hun wijze geschiedt. Baäls profeten waren door de rechtvaardigen smaad, die Elia op hen wierp, zo weinig overtuigd en beschaamd gemaakt, dat het hen nog heftiger maakte en zij zich nog bespottelijker aanstelden. Het bedrogen hart heeft hen terzijde afgeleid, zij konden hun zielen niet redden door te zeggen: is er niet een leugen in onze rechterhand?
3. Hoe doof Baäl voor hen was. Elia heeft hen niet gestoord, maar liet hen hun gang gaan, totdat zij moede waren en geheel en al wanhoopten aan succes, hetgeen niet was voor de tijd van het avondoffer, vers 29. Gedurende al die tijd hebben sommigen van hen gebeden, terwijl anderen van hen profeteerden, hymnen zongen ter ere van Baäl misschien, of liever hen aanmoedigden, die baden, om met bidden voort te gaan, hun verzekerende, dat Baäl hen eindelijk wel zou verhoren, maar er was geen stem, en geen antwoorder, en geen opmerking Afgoden konden goed noch kwaad doen. Indien God het had veroorloofd zou de overste van de macht van de lucht bij deze gelegenheid vuur van de hemel hebben kunnen doen komen, en het gaarne gedaan hebben om zijn Baäl te ondersteunen. Wij bevinden dat het beest, hetwelk de wereld bedriegt, het doet Openbaring 13:13, "het doet vuur uit de hemel afkomen op de aarde voor de mensen' en aldus verleidt het hen, vers 14. Maar God wilde de duivel niet toelaten om dit nu te doen, omdat met toestemming van beide partijen door dit wonder nu uitgemaakt zou worden wie de ware God is.
V. Elia verkrijgt spoedig van zijn God een antwoord door vuur. De aanhangers van Baäl zijn genoodzaakt hun zaak op te geven, en nu is het Elia's beurt. Laat ons zien of hij beter slaagde.
1. Hij maakte een altaar. Hij wilde geen gebruik maken van het hunne, dat verontreinigd was door hun gebeden aan Baäl, maar de overblijfselen daar vindende van een altaar, dat voormaals in de dienst des Heeren gebruikt was, wilde hij dit herstellen, vers 30, om te kennen te geven dat hij geen nieuwe Godsdienst ging invoeren, maar het geloof en de aanbidding van de God van hun vaderen wilde doen herleven, en hen wilde terugbrengen tot hun eerste liefde en hun eerste werken. Hij kon hen niet naar het altaar te Jeruzalem brengen, tenzij hij de twee rijken weer kon verenigen, (hetgeen, ter kastijding van beide, God niet wilde dat nu geschieden zou) daarom bouwt hij door zijn gezag als profeet een altaar op de berg Karmel, en erkent dus dat, hetwelk daar vroeger gebouwd was. Als wij een hervorming niet zover kunnen doorvoeren als wij wel zouden willen, dan moeten wij doen wat wij kunnen en liever het een of ander dulden dat verkeerd is, dan niet alles te doen om Baäl te verderven en geheel uit te roeien. Hij herstelde het altaar des Heeren, dat verbroken was, met twaalf stenen naar hef getal van de stammen, vers 31. Hoewel tien van de stammen waren afgevallen en Baäl dienden, zal hij hen toch beschouwen als nog behorende aan God krachtens het aloude verbond met hun vaderen, en hoewel deze tien ongelukkig van de andere twee afgescheiden waren voor burgerlijke zaken en belangen, hadden zij in de aanbidding van de God Israëls toch gemeenschap met elkaar, en waren zij twaalven één. Er wordt melding van gemaakt, dat God hun vader Jakob bij de naam Israël genoemd heeft, vers 31, een vorst Gods ter bescherming van zijn ontaarde nakomelingen, die een god aanbaden welke, naar zij zagen, hen niet kon horen noch antwoorden en de profeet te bemoedigen, die nu, evenals Jakob, met zijn God zal gaan worstelen, ook hij zal een vorst Gods zijn, Psalm 24:6, "die uw aangezicht zoeken, o Jakob. Aldaar sprak Hij met ons," Hosea 12:5.
2. Zijn altaar gebouwd hebbende in de naam des Heeren, vers 32, volgens Zijn aanwijzing, en met het oog op Hem, en niet tot zijn eigen eer, bereidde hij nu zijn offer, vers 33. "Ziedaar de var en het hout, maar waar is het vuur?" Genesis 22:7, 8, "God zal zichzelf van vuur voorzien." Als wij in oprechtheid ons hart aan God offeren, dan zal Hij er door Zijn genade een heilig vuur in ontsteken. Elia was geen priester, en zijn helpers waren geen Levieten, op de Karmel was noch tabernakel noch tempel, hij was op grote afstand van de ark van de getuigenis en de plaats, die God zich had verkoren, dit was niet het altaar, dat de gave heiligde, maar nooit was een offerande Gode meer welbehaaglijk dan deze. Van de bijzondere Levietische inzettingen werd zo dikwijls vrijstelling verleend (zoals in de tijd van de richteren, in Samuëls tijd en nu) dat men geneigd zou zijn te denken dat zij meer bedoeld waren als typen om vervuld te worden in de antitypen van het Evangelie, dan om vervuld te worden in de strikte, nauwkeurige waarneming er van. Het verderven er van door het gebruik, zoals de apostel het noemt, Coloss. 2:22, moest de algehele opheffing ervan aanduiden, Heb. 8:13. 3. Hij gebood dat overvloed van water op zijn altaar uitgestort zou worden, en hij had een groeve rondom het altaar laten maken om het op te vangen, vers 32, en sommigen denken dat hij het altaar hol gemaakt heeft. Twaalf kruiken water (waarschijnlijk zeewater want de zee was nabij, en in deze tijd van droogte was zoet water te kostbaar om er zo verkwistend mee te zijn) driemaal vier, goot hij op zijn offer, om de verdenking te voorkomen dat er vuur onder verborgen was, want indien er vuur onder verborgen was, dan zou het door al dat water wel uitgeblust zijn, en om alzo het verwachte wonder nog treffender te maken.
4. Toen wendde hij zich plechtig tot God in het gebed voor zijn altaar, Hem nederig smekende "om zijn brandoffer tot as te maken," zoals de uitdrukking luidt in Psalm 20:4, en er Zijn welbehagen in te kennen te geven. Zijn gebed is niet lang, want hij gebruikte geen ijdele herhalingen, ook dacht hij niet om zijn vele spreken verhoord te zullen worden, maar het is zeer ernstig, zeer kalm en rustig, en toont dat zijn geest zeer kalm en rustig was, verre van de woeste onstuimigheid, die de profeten van Baäl vervulde, vers 36, 37. Hoewel hij niet op de bestemde plaats was, koos hij toch de bestemde tijd om het spijsoffer te offeren, ten einde hierdoor zijn gemeenschap te betuigen met het altaar te Jeruzalem. Hoewel hij een antwoord verwachtte door vuur, kwam hij toch in vrijmoedigheid tot het altaar en vreesde dat vuur niet. Hij wendde zich tot God als de God van Abraham, Izak en Israël, geloof oefenende in Gods oude verbond, en ook het volk herinnerende aan hun betrekking tot God en de aartsvaders. Hij pleit op twee dingen:
a. Op de eer van God: "Heere, verhoor mij, en antwoord mij, opdat het heden bekend worde (want het wordt nu door de meesten ontkend of vergeten) dat Gij God in Israël zijt, aan wie alleen de hulde en de aanbidding van Israël toekomen, en dat ik Uw knecht ben, en alles wat ik gedaan heb, nu doe, en nog doen zal, doe als Uw agent, naar Uw woord en niet ter bevrediging van mijn lust of hartstocht. Gij gebruikt mij, Heere, laat het blijken dat Gij dit doet". Zie Numeri 16:28, 29. Elia heeft zijn eigen eer niet gezocht, maar diende Gods eer.
b. De stichting van het volk, opdat zij erkennen dat Gij, o Heere, die God zijt, en Uw genade mogen ervaren, door dit wonder hun hart omwendende, als een middel om tot U weer te keren, opdat Gij in genade wederkeert tot hen.
5. God heeft onmiddellijk door vuur geantwoord, vers 38. Elia's God praatte niet, wandelde niet, en sliep niet, behoefde noch gewekt noch levend gemaakt te worden. Terwijl hij nog sprak viel het vuur des Heeren en verteerde niet slechts, zoals op andere tijden, Leviticus 9:24, 1 Kronieken 21:26, 2 Kronieken 7:1 het offer en het hout ten teken van Gods welbehagen in het offer, maar lekte het water op dat in de groeve was, het doende verdampen voor de regen, die nu komen zal, en de vrucht was van dit offer en dat gebed meer dan van natuurlijke oorzaken. Vergelijk Psalm 135:7. "Hij doet dampen opklimmen van het einde van de aarde, Hij maakt de bliksemen met de regen, " voor die regen heeft Hij beide gemaakt. Zij, die vallen als slachtoffers van het vuur van Gods toorn, kunnen er door geen water tegen beschut worden. Maar dit was niet alles, om het wonder te voltooien verteerde het vuur de stenen van het altaar, ja zelfs het stof, om te tonen dat het geen gewoon vuur was, en misschien ook om te kennen te geven dat, hoewel God nu het offer van dit altaar aannam, zij toch in het vervolg al de altaren op hun hoogten moesten afbreken, en alleen van het altaar te Jeruzalem gebruik moesten maken voor hun gedurige offers. Het altaar van Mozes en dat van Salomo werd geheiligd door het vuur van de hemel, maar dit altaar hier werd vernietigd, omdat het niet meer gebruikt moest worden. Wij kunnen ons voorstellen welk een schrik en ontzetting het vuur in de schuldige Achab heeft teweeggebracht, evenals in al de aanbidders van Baäl, en hoe zij er zover zij slechts konden voor wegvluchtten, zeggende: opdat het ook ons niet vertere, met toespeling op Numeri 16:34.
Eindelijk. Wat de uitkomst, het gevolg was van deze proef. De profeten van Baäl hadden gefaald in het leveren van bewijs voor het rechtmatige van hun aanspraken ten behoeve van hun god, en werden volkomen afgewezen. Elia had door het overtuigendste en onmiskenbaarste bewijs het recht van zijn aanspraken getoond ten behoeve van de God van Israël. En nu:
1. Gaf het volk als jury hun uitspraak omtrent het onderzoek, en zij waren geheel eenstemmig er in. Het geval is zo eenvoudig, zo duidelijk en klaar, dat zij niet in raadskamer behoeven te gaan om over de uitspraak te beraadslagen, zij vielen op hun aangezichten, en allen, als een man, riepen: JAHWEH is God, en niet Baäl, wij zijn er geheel en al van overtuigd, JAHWEH is God, vers 39. En nu zou men denken dat zij hieruit tot deze gevolgtrekking zouden komen: "Indien Hij God is, dan zal Hij onze God zijn, en dan zullen wij Hem alleen dienen," zoals in Jozua 24:24. Van sommigen was, naar wij hopen, het hart aldus omgewend, maar het gros van het volk was wel overtuigd doch niet bekeerd, zij gaven de waarheid toe, dat Hij God is, maar stemden niet in met Zijn verbond, dat Hij hun God zal zijn. Zalig zij, die niet gezien hebben wat zij zagen, en nochtans geloofd hebben, en er meer onder de invloed van kwamen dan zij, die het gezien hebben. Laat dit nu voor altijd beschouwd worden als een uitgemaakte zaak tegenover allen (want zij werd beslist na een volledig onderzoek tegenover een van de stoutmoedigste mededingers, door wie de God Israëls ooit beledigd werd) dat Jehovah God is, Hij alleen.
2. De profeten van Baäl worden gegrepen, als misdadigers veroordeeld, en ter dood gebracht overeenkomstig de wet, vers 40. Indien JAHWEH de ware is, dan is Baäl een valse god, naar wie deze Israëlieten verraderlijk waren overgelopen, en anderen hadden verleid hem te aanbidden, en daarom moesten zij volgens de uitdrukkelijke wet van God ter dood gebracht worden, Deuteronomium 13:1-11. Er was geen bewijs nodig voor het feit, geheel Israël was er getuige van en daarom beveelt Elia-nog altijd handelende volgens een buitengewone opdracht, dat niet als precedent gesteld mag worden-dat zij allen terstond ter dood gebracht moesten worden als de beroerders van het land, en Achab zelf is zo verschrikt en ontsteld, voor het ogenblik, door het vuur van de hemel, dat hij er zich niet tegen durfde verzetten. Dat waren de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, de vierhonderd profeten van het bos (die, naar sommigen denken Zidoniërs waren) waren wel opgeroepen, vers 19, maar schijnen niet gekomen te zijn, en zo zijn zij aan de executie ontkomen, in welke ontkoming Achab en Izebel zich misschien gelukkig achtten, maar zij bleken de werktuigen te zijn van Achabs verderf, enige tijd daarna door hem aan te moedigen om naar Ramoth in Gilead te gaan, Hoofdstuk 22:6.