1 Koningen 17:8-16
Wij hebben hier een verder bericht van de bescherming, waaronder Elia zich bevond, en de verdere voorziening, die voor hem gemaakt was in zijn afzondering. Hij, die God tot zijn vriend heeft om hem te behoeden en te onderhouden, kan lachen tegen de verwoesting en de honger. De beek Krith is uitgedroogd, maar Gods zorg over Zijn volk en Zijn goedertierenheid jegens hen falen nooit en verflauwen nooit maar zijn nog altijd dezelfde, zijn nog steeds "uitgestrekt over degenen, die Hem kennen,' Psalm 36:11. Toen de beek was uitgedroogd, was de Jordaan niet uitgedroogd, waarom heeft God hem niet daarheen gezonden? Voorzeker omdat Hij wilde tonen dat Hij verscheidenheid van middelen heeft om te voorzien voor Zijn volk, en aan geen enkel er van gebonden is. God zal nu voor hem voorzien daar waar hij enig gezelschap zal hebben en een gelegenheid om nuttig te zijn, en niet meer, zoals in het eerst, levend begraven zijn. Let op:
I. De plaats, waarheen hij gezonden wordt, naar Zarfath of Sarepta, een stad van Zidon buiten de grenzen van het land Israëls, vers 9. Onze Heiland merkt dit op als een vroeg teken van de gunst, die God voor de arme heidenen in de volheid des tijds heeft weggelegd Lukas 4:25, 26. "Er waren vele weduwen in Israël in de dagen van Elia,' en sommigen van haar zouden hem waarschijnlijk welkom geheten hebben in haar huis, en toch wordt hij gezonden naar een stad van Zidon, een heidense stad om haar te eren en tot zegen te zijn door zijn tegenwoordigheid, en zo wordt hij, zegt Dr. Lightfoot, de eerste profeet van de heidenen. Israël had zich verdorven met de afgoderij van de heidenen, en was erger dan zij geworden, met recht is dus hun verwerping de rijkdom van de wereld geworden. Elia was gehaat en verdreven door zijn landgenoten, daarom: `Zie, hij keert zich tot de heidenen,' zoals dit later de apostelen bevolen was te doen, Hand 18:6. Maar waarom naar een stad in Zidon? Misschien wel omdat de Baäldienst, die nu de schreeuwende zonde was in Israël, onlangs vandaar gekomen was met Isebel, die een Zidonische was, Hoofdstuk 16:31, en daarom moet hij derwaarts heengaan, opdat de verdelger van die afgoderij vandaar komen zou, zelfs uit Zidon heb Ik Mijn profeet geroepen, Mijn hervormer. Isebel was Elia's grootste vijandin, maar om haar de machteloosheid van haar boosaardigheid te tonen, zal God zelfs in haar eigen land een schuilplaats voor hem vinden. Christus is nooit naar de heidenen gegaan behalve eens `naar de delen van Tyrus en Zidon," Mattheus 15:21.
II. De persoon, die hem daar gastvrijheid moest verlenen. Het is niet een van de rijke kooplieden of aanzienlijke mannen van Zidon, niet iemand zoals Obadja, die hofmeester was van Achab en de profeten heeft gespijzigd, maar een arme weduwe, arm en verlaten, krijgt bevel (dat is: zij wordt bekwaam en gewillig gemaakt) om hem te onderhouden. Het is Gods wijze van doen, en het is Zijn heerlijkheid, om gebruik te maken van en eer te leggen op het dwaze en zwakke van de wereld. Hij is op bijzondere wijze de God van de weduwen, en onderhoudt haar, en daarom moeten zij zich beijveren Hem Zijn weldaden te vergelden.
III. De voorziening, die aldaar voor hem gemaakt was. Gods voorzienigheid heeft haar hem juist doen ontmoeten toen hij aan de poort van de stad kwam, vers 10, en door hetgeen hier verhaald wordt van wat er voorviel tussen Elia en haar worden wij bekend:
1. Met haar toestand en karakter, en het blijkt: A. Dat zij zeer arm en nooddruftig was. Zij had niets om van te leven dan een handvol meel en een weinigje olie, op haar best was zij nog arm, maar nu was zij door de algemene schaarsheid tot de uiterste ellende gebracht. Als het weinigje dat zij heeft op is, dan zal zij en haar zoon, voorzover zij nu ziet, wel van gebrek moeten omkomen, vers 12. Zij had geen brandstof, dan een paar houten die zij opgeraapt heeft van de straat, daar zij geen dienstbode heeft moest zij zelf het hout gaan opzoeken, vers 10. Zij is dus iemand, die meer waarschijnlijk aalmoezen zal moeten ontvangen dan gastvrijheid geven. Tot haar is Elia gezonden, opdat hij ook nog verder van Gods voorzienigheid zou leven, evenzeer als toen hij door de raven werd gevoed. Het was in ontferming jegens de nederige staat van Zijn dienstmaagd, dat God de profeet tot haar zond, niet om van haar zijn onderhoud te vragen, maar om bij haar in te wonen, en hij zal goed voor zijn onderhoud betalen.
B. Dat zij zeer nederig en naarstig was. Hij vond haar hout sprokkelend en zich gereed makende om haar eigen brood te bakken vers 10, 12. Haar geest, haar gemoed, schikt zich naar haar toestand, en zij klaagt niet over de ontbering, die zij heeft te lijden, twist niet met de Goddelijke voorzienigheid wegens het onthouden van regen, maar schikt er zich in zo goed als zij kan. Zij, die van zo'n gemoedsgesteldheid zijn in de dag van de benauwdheid, zijn het best bereid om hulp en eer van God te ontvangen.
C. Dat zij zeer liefdadig en edelmoedig was. Toen deze vreemdeling haar vroeg om een weinig water voor hem te halen om te drinken ging zij terstond, op zijn eerste woord reeds, vers 10, 11. Zij maakte geen bezwaar vanwege de tegenwoordige schaarsheid van water, vroeg hem ook niet wat hij haar voor een teug water zou kunnen geven, want thans was het geld waard, sprak er ook niet van dat hij een vreemdeling was, een Israëliet, met wie de Zidoniërs misschien, evenals later de Samaritanen, niet graag omgang wilden hebben, Johannes 4:9. Zij weigerde het ook niet vanwege haar zwakheid door de hongersnood, of omdat zij het te druk had met haar eigen zaken, zei hem niet dat zij wel wat anders te doen had dan op zijn boodschappen uit te gaan, maar zij hield op met haar sprokkelen van hout voor zichzelf, om voor hem water te gaan halen hetgeen zij misschien zoveel bereidvaardiger deed, omdat zij door de ernst van zijn voorkomen getroffen was. Wij moeten graag bereid zijn, om zelfs aan vreemdelingen liefdediensten te bewijzen. Als wij het vermogen niet hebben om te geven aan hen, die in nood zijn, dan moeten wij des te meer bereid zijn om voor hen te arbeiden, een beker koud water zal, al kost die ons ook niets meer dan de moeite van hem te halen, zijn loon geenszins verliezen.
D. Dat zij groot vertrouwen had in het woord van God. Het was een grote beproeving van haar geloof, toen de profeet, nadat zij hem gezegd had hoe klein haar voorraad meel en olie was, slechts genoeg voor haar en haar zoon, haar gebood een koek voor hem te maken, en de zijne het eerst te maken en daarna voor haar en haar zoon wat te maken. Als wij nadenken zullen wij zien, dat het in zo'n kleine zaak een zo groot mogelijke beproeving was. "Laat de kinderen het eerst bediend worden", had zij kunnen zeggen, "de liefde begint thuis. Men kan van mij niet verwachten dat ik zal geven, daar ik zelf zo weinig heb, en als dat weinige op is, niet weet hoe aan meer te komen." Zij had veel meer reden dan Nabal om te vragen: "Zal ik mijn spijs en mijn olie nemen, en ze geven aan iemand, die ik niet weet vanwaar hij is?" Het is waar: Elia noemde de God Israëls, vers 14. Maar wat betekende dat voor een Zidonische? Of indien zij eerbied had voor de naam JAHWEH en de God van Israël waardeerde als de ware God, welke verzekerdheid had zij dan nog, dat deze vreemdeling Zijn profeet was, of volmacht had om in Zijn naam te spreken? Het was voor een hongerige landloper gemakkelijk haar te bedriegen. Maar over al die bezwaren en tegenwerpingen komt zij heen, gehoorzaamt het bevel in vertrouwen op de belofte, zij ging heen en deed naar het woord van Elia, vers 15. O vrouw, groot was uw geloof, alles in aanmerking nemende werd zelfs in Israël zo'n groot geloof niet gevonden, het overtrof nog het geloof van de weduwe, die, toen zij nog slechts twee penningskens had, ze in de schatkist wierp. Zij nam het woord van de profeet aan, dat zij er niet bij verliezen zou, maar dat het haar met interest vergoed zou worden. Zij, die zich op de belofte Gods durven wagen, zullen geen bezwaar maken om zich aan gevaar bloot te stellen, of zich te ontledigen in Zijn dienst, door Hem uit een weinigje nog het Zijne te geven en Hem het eerst Zijn deel te geven. Zij, die met God handelen, moeten op krediet handelen, eerst Zijn koninkrijk zoeken, en dan zullen de andere dingen hun toegeworpen worden. Door de wet waren voor God de eerstelingen, het tiende werd eerst genomen, en het hefoffer van de eerstelingen hun deeg werd het eerst geofferd. Numeri 15:20, 21. Maar voorzeker, de toeneming van het geloof van deze weduwe tot zo'n mate, dat zij instaat was zich aldus te verloochenen en op de belofte Gods te vertrouwen, was een even groot wonder in het rijk van de genade, als de toeneming van haar meel en haar olie het was in het rijk van de natuur, of liever van Gods voorzienigheid. Zalig zijn zij, die aldus tegen hoop geloven en gehoorzamen kunnen in hope.
2. Gods zorg over haar en haar gast. Het meel van de kruik werd niet verteerd, en de olie van de fles ontbrak niet, want naarmate zij er uit namen, werd er door de macht Gods meer bijgedaan, vers 16, Nooit is koren of olijf zo toegenomen in het groeien, zegt bisschop Hall, als deze in het gebruik, maar het vermenigvuldigen van het zaaisel, 2 Corinthiers 9:10, in de gewone weg van de Voorzienigheid, is een voorbeeld van de macht en goedheid van God, dat niet voorbijgezien moet worden vanwege het gewone, het dagelijks voorkomen ervan. Het meel en de olie vermenigvuldigden, niet in het sparen of verzamelen er van, maar in het gebruiken er van, want daar is een, die uitstrooit aan wie nog meer toegedaan wordt, als God het weinige zegent, zal het zeer ver gaan, boven verwachting ver, evenals in het tegenovergestelde geval er overvloed kan zijn maar zo Hij er in blaast wordt het weinig, Haggai 1:9, 2:17.
A. Dit was een onderhoud voor de profeet, nog moeten wonderen zijn dagelijks brood wezen. Tot hiertoe was hij gevoed met brood en vlees, nu met brood en olie, dat zij gebruikten, zoals wij boter gebruiken. Het manna bestond uit beide, want "zijn smaak was als de beste vochtigheid van de olie," Numeri 11:8. Elia was er dankbaar voor, hoewel hij gewoon was geweest aan tweemaal per dag vlees, en er nu in het geheel geen had. Zij, die niet leven kunnen zonder tenminste eenmaal per dag vlees, omdat zij er aan gewoon zijn, zouden niet tevreden zijn geweest om bij Elia in de kost te wezen, neen, al was het ook, om van een wonder te leven.
B. Het was een onderhoud voor de arme weduwe en haar zoon en een beloning voor haar gastvrijheid aan de profeet. Men verliest niets door vriendelijk te zijn jegens Gods volk en dienstknechten, zij, die een profeet ontving had het loon van een profeet. Zij verleende hem intrek, en hij beloonde haar met voedsel voor het gezin. Christus heeft aan hen, die hun deuren voor Hem openen, beloofd dat Hij tot hen zal inkomen en "avondmaal met hen zal houden en zij met Hem," Openbaring 3:20. Evenals Elia hier, brengt Hij aan hen, die Hem welkom heten, niet slechts Zijn eigen onderhoud, maar ook het hunne. Zie hoe de beloning beantwoordde aan de dienst: zij maakte edelmoedig een kleine koek voor de profeet, en werd betaald met vele voor haarzelf en voor haar zoon. Toen Abraham zijn enige zoon aan God offerde, werd hem gezegd dat hij de vader zal zijn van menigten. Wat besteed wordt aan Godsvrucht of liefdadigheid, wordt tot de hoogste interest belegd en op de soliedste wijze. Een armoedig maal van meel gaf deze arme weduwe de profeet, en ter beloning daarvan heeft zij en haar zoon vele dagen gegeten, vers 15, meer dan twee jaren in een tijd van algemene schaarste. En hun voedsel van Gods bijzondere gunst te ontvangen, en het in zo goed gezelschap te nuttigen, als Elia's gezelschap was, maakte het meer dan dubbel zoet. Aan hen, die op God vertrouwen, is beloofd dat zij "niet beschaamd zullen worden in de kwaden tijd, en in de dagen van honger verzadigd zullen worden," Psalm 37:19.