1 Koningen 15:1-8
Wij hebben hier een kort bericht van de korte regering van Abiam, de zoon van Rehabeam, koning van Juda. Hij maakt een betere figuur in 2 Kronieken 13, waar wij een bericht hebben van zijn strijd met Jerobeam, de rede door hem uitgesproken eer de legers slaags raakten, en de wonderbare overwinning, die hij met Gods hulp behaald heeft. Daar wordt hij Abia genoemd, waarvan de betekenis is: Mijn vader is de Heere, omdat hem daar geen goddeloosheid ten laste wordt gelegd. Maar hier, waar ons zijn fouten worden meegedeeld, is Jah, de naam van God, tot oneer van hem, van zijn naam weggenomen, en wordt hij Abiam genoemd. Er worden weinig bijzonderheden omtrent hem meegedeeld.
1. Hij begon zijn regering in het begin van het achttiende jaar van die van Jerobeam, want Rehabeam regeerde slechts zeventien jaar Hoofdstuk 14:21. Jerobeam heeft Rehabeam wel overleefd, maar Rehabeams Abia leefde om hem op te volgen en een schrik te wezen voor Jerobeam, terwijl Jerobeams Abia van wie wij lazen Hoofdstuk 14:1, vóór hem stierf.
2. Hij heeft nauwelijks drie jaren geregeerd, want hij stierf vóór het einde van Jerobeams twintigste jaar, vers 9. Hoogmoedig en gerust geworden door zijn grote overwinning over Jerobeam, 2 Kronieken 13:21, heeft God hem afgesneden, om plaats te maken voor zijn zoon Asa, die een beter man zal zijn.
3. De naam van zijn moeder was Maächa, de dochter van Abisalom, namelijk Absalom, de zoon van David, dat ik te eerder geneigd ben te denken, omdat twee andere vrouwen van Rehabeam ook naaste bloedverwanten van hem waren, 2 Kronieken 11:18, de ene, de dochter van Jerimoth, de zoon van David, en een andere, de dochter van Eliab, Davids broeder. Hij liet zich waarschuwen door het voorbeeld van zijn vader, om geen vreemde vrouwen te nemen, maar achtte het beneden zich om zijn onderdanen te huwen, behalve als zij tot de koninklijke familie behoorden.
4. Hij zette de oorlog van zijn vader voort met Jerobeam. Gelijk er voortdurend oorlog was tussen Rehabeam en Jerobeam, geen bepaalde veldslagen (die waren verboden Hoofdstuk 12:24) maar menigvuldige vijandelijke ontmoetingen, in het bijzonder op de grenzen, de een invallen doende bij de ander, waarop dan van weerszijden weerwraak genomen werd, zo was er ook oorlog tussen Abiam en Jerobeam vers 7, totdat Jerobeam hem met een groot leger aanviel, en toen heeft Abiam, aan wie het niet verboden was in zelfverdediging te handelen, hem verslagen en verzwakt, zodat hij genoodzaakt was om zich gedurende de overige tijd van zijn regering rustig te houden, 2 Kronieken 13:20.
Maar in het algemeen wordt ons gezegd:
A. Dat hij niet was gelijk David, geen hartelijke liefde had voor de Gods inzettingen, hoewel hij zich tegenover Jerobeam beriep op zijn bezit van de tempel en de priesterschap, als hetgeen, waarop hij zich liet voorstaan, 2 Kronieken 13:10-12. Velen roemen op hun belijdenis van de Godsdienst en van Godzaligheid, maar zijn toch vreemd aan de kracht er van, zij pleiten op de waarheid van hun Godsdienst maar zijn er niet trouw aan. Zijn hart was niet volkomen met de Heere zijn God: hij scheen ijver te hebben, maar hem ontbrak oprechtheid, hij begon goed, maar zakte af, en wandelde in al de zonden van zijn vader, volgde zijn slecht voorbeeld, hoewel hij er de slechte gevolgen van gezien had. Hij, die al zijn dagen in oorlog was, had zo wijs behoren te zijn om vrede met God te hebben en te houden, en Hem niet tot zijn vijand te maken, inzonderheid wijl hij Hem zo goed een vriend bevonden had in zijn oorlog met Jerobeam, 2 Kronieken 13:18. "Wordt de goddeloze genade bewezen, hij leert "evenwel geen gerechtigheid, Jesaja 26:10.
B. Maar dat het om Davids wil was, dat hij bevorderd werd en op de troon bleef, het was om zijnentwil, vers 4, 5, dat God zijn zoon na hem verwekte, niet om terwille van hemzelf, noch om de wil van zijn vader, in wiens voetstappen hij wandelde, maar om Davids wil, wiens voorbeeld hij niet wilde volgen. Het verzwaart de zonde van een ontaard nageslacht, dat zij te beter varen om de Godsvrucht van hun voorouders, er hun zegeningen aan verschuldigd zijn en haar toch niet willen navolgen. Zij staan op die grond, maar verachten hem, en vertreden hem, bespotten en staan tegen hetgeen, waar zij de voordelen van genieten. Het koninkrijk van Juda werd staande gehouden:
a. Opdat David een lamp zou hebben, ingevolge de Goddelijke inzetting van "een toegerichte lamp voor Zijn gezalfde," Psalm 132:17.
b. Opdat Jeruzalem bevestigd zou zijn, niet alleen opdat de eer, die er in Davids en Salomo's tijd op gelegd werd, er bewaard zou blijven, maar opdat het bewaard zou blijven voor de eer, die er nog voor weggelegd was. De hoedanigheid, hier toegeschreven aan David, is zeer groot en schoon: hij had gedaan wat recht was in de ogen des Heeren, maar de uitzondering is opmerkelijk, behalve in de zaak van Uria, insluitende beide de moord en het verleiden van zijn vrouw. Dat was een slechte zaak, het was een onuitwisbare vlek op zijn naam, een balk in zijn wapenschild, en hoewel de schuld er van was weggenomen, was toch de smaad niet uitgewist. David had zich aan nog andere fouten schuldig gemaakt, maar die waren niets in vergelijking met deze, maar deze zelfs, daar hij er berouw van gehad heeft, wordt wel vermeld ter waarschuwing van anderen, maar heeft hem toch niet uit het verbond geworpen, noch het erfrecht van de belofte weggenomen van zijn zaad.