2 Kronieken 13:13-22
Wij bevinden niet dat Jerobeam het ondernomen heeft om Abia's rede te beantwoorden, hij besloot er geen antwoord op te geven, en daarom hoorde hij haar alsof hij haar niet hoorde. Hij kwam om te strijden, niet om te redetwisten, het langste zwaard, denkt hij, zal de zaak beslissen, niet het recht, laat ons dan nu de uitslag zien, zien of Godsdienst en recht al of niet de overwinning zullen wegdragen.
I. Jerobeam, die op zijn krijgskundig beleid vertrouwde, werd geslagen. Zoverre was hij van trouw en eerlijk te willen redeneren, dat hij niet eens op eerlijke wijze wilde strijden. Wij kunnen ons voorstellen dat hij een souvereine minachting gevoelde voor Abia's redevoering.
"Een krijgslist", denkt hij, "is beter dan twintig van zulke redevoeringen, wij zullen zijn argumenten spoedig genoeg beantwoorden, hij zal zich overweldigd zien door ons aantal van alle kanten omsingeld door de werktuigen des doods, en laat hem dan nog roemen op zijn Godsdienst en zijn recht op de kroon."
Het is waarschijnlijk dat beide zijden in die bespreking of onderhandeling hadden toegestemd, maar Jerobeam doet er laaghartig zijn voordeel mede, en heeft, terwijl zij plaatshad, zijn achterlage omgewend, tegen de eer van de krijgswetten. Welke eer was er ook te verwachten van een knecht als hij regeert? Abia was vreedzaam, maar als hij sprak waren zij voor de oorlog, Psalm 120:7.
II. Abia en zijn volk, die op God vertrouwden, bleven overwinnaars, in weerwil van de onevenredigheid hunner strijdkrachten.
1. Zij waren in grote verlegenheid en angst gebracht, want zij hadden de strijd voor en achter. Een goede zaak, een die bestemd is om te zegevieren, kan toch voor een wijle in grote verlegenheid komen. Dat was Davids geval. Zij hadden mij omringd als bijen, Psalm 118:10-12.
2. Toen zij in die benauwdheid waren, het gevaar hen van alle kanten dreigde, vanwaar anders konden zij toen hulp verwachten dan van boven? Het is een onuitsprekelijke vertroosting, dat geen vijand, hoe machtig ook of hoe listig, geen krijgslist, geen hinderlaag, onze gemeenschap kan afsnijden met de hemel, onze weg daarheen is altijd open.
a. Zij riepen tot de Heere, vers 14. Wij hopen dat zij dit deden vóór zij die krijg ondernamen, maar de benauwdheid, waarin zij verkeerden heeft hen opnieuw tot bidden uitgedreven, hen aangespoord tot dringend, vurig smeken. God brengt Zijn volk in benauwdheid om hen te leren tot Hem te roepen. Vurig, dringend bidden is roepen.
b. Zij steunden op de Heere, "hunner vaderen God", steunden op Zijn macht om hen te helpen, en gaven zich geheel aan Hem over, vers 18.
Het gebed des geloofs is overmogend, en dit is de overwinning, die de wereld overwint namelijk ons geloof 1 Johannes 5:4 De priesters trompetten met de trompetten om hen aan te vuren, met moed te bezielen, hun de verzekering gevende dat God met hen was. Het was niet slechts een krijgsgeluid, maar een heilig geklank, dat leven bracht in hun geloof.
Zij juichten in vertrouwen op de overwinning. "Onzer is de zege, want God is met ons." Aan het geroep des gebeds paarde zich het krijgsgeschrei, het juichen des geloofs, en zo waren zij meer dan overwinnaars.
3. Aldus behaalden zij een volkomen overwinning. Toen de mannen van Juda kreten van blijdschap aanhieven in Gods heil, sloeg God Jerobeam en zijn leger met zo'n verschrikking en ontzetting, dat zij geen slag konden doen, maar in allerijl de vlucht namen, en de overwinnaars gaven geen lijfsgenade, zodat zij vijfhonderd duizend uitgelezen mannen over de kling joegen, vers 17 , meer, zegt men, de wij in enigerlei geschiedenis gelezen hebben ooit in een veldslag te zijn gedood, maar de strijd was des Heeren, die aldus de afgoderij van Israël wilde straffen en het huis van David wilde erkennen en zegenen.
Maar zie het treurige gevolg van verdeeldheid, het was het bloed van Israëlieten, dat aldus door Israëlieten vergoten werd als water, terwijl de heidenen hun naburen, voor wie de naam van Israël vroeger een verschrikking is geweest, riepen: Heah! onze ziel, zo is het naar onze wens! zo wilden wij het hebben!
4. Het gevolg hiervan was dat de kinderen Israëls wel niet onder de heerschappij van het huis Davids terugkeerden, wat na zo zwaar een nederlaag gewis zou zijn geschied, indien de bepaalde raad Gods het niet anders gewild had, maar toch vernederd werden, vers 18.
Vele steden werden hun ontnomen en bleven in het bezit van de koning van Juda, zoals inzonderheid Beth-el, vers 19.
Wat er van het gouden kalf aldaar is geworden toen het de koning van Juda in handen viel, wordt ons niet gezegd, misschien hebben zij het naar een veiliger plaats gebracht en eindelijk naar Samaria heengevoerd, Hosea 8:5, maar in Jehu's tijd vinden wij het te Beth-el, 2 Koningen 10:29.
Misschien heeft Abia het laten staan, toen het in zijn macht was het te vernielen, want zijn hart was niet volkomen met de Heere zijn God, en geen gebruik makende van hetgeen hij voor de ere Gods had verkregen, heeft hij het spoedig wederom verloren.
Eindelijk. De dood van de overwinnaar en van de overwonnene niet lang daarna.
1. Jerobeam heeft na deze nederlaag zijn hoofd nooit meer opgeheven, hoewel hij nog drie jaren daarna heeft geleefd. Hij behield geen kracht meer, vers 20.
De Heere sloeg hem, hetzij met de ene of andere lichaamskrankheid, waaraan tril wegkwijnde, of met droefgeestigheid, zijn hart was gebroken, en het verdriet over zijn verlies deed zijn hoofd, dat nu waarschijnlijk al vergrijsd was, met droefheid ten grave dalen. Hij ontkwam aan het zwaard van Abia, maar God sloeg hem, er is geen ontkomen aan Zijn zwaard. 2. Abia versterkte zich. Hoeveel vrouwen en kinderen hij voor die oorlog heeft gehad, blijkt niet, maar nu bracht hij het aantal van zijn vrouwen op veertien, bij wie hij acht en dertig kinderen had, vers 21..
Zalig de man, die zijn pijlkoker vol heeft van deze pijlen.
Hij schijnt eigenaardige manieren en gezegden gehad te hebben, die met zijn daden vermeld werden in de geschiedenis dier tijden, vers 22.
Maar het getal van zijn maanden werd afgesneden, en kort na zijn triomf heeft de dood die overwinnaar overwonnen.
Misschien heeft hij zich te veel verhovaardigd op zijn overwinningen, en wilde God hem daarom niet lang laten leven om er de eer van te genieten.