1 Koningen 15:25-34
Thans moeten wij een blik slaan op de ellendige toestand van Israël, terwijl het rijk van Juda gelukkig was onder de goede regering van Asa. De bedreiging was tegen hen uitgesproken, dat zij geslagen en gelijk een riet in het water omgedreven zullen worden, Hoofdstuk 14:15, en dat waren zij ook, daar gedurende de enkele regering van Asa, de regering van hun rijk in zes of zeven verschillende handen is geweest, gelijk wij bevinden in dit en in het volgende hoofdstuk. In het begin van zijn regering was Jerobeam op de troon, en aan het einde er van Achab, tussen welke twee Nadab, Baesa, Ela, Zimri, Tibni en Omri waren. Dit hadden zij nu van hun verlaten van God en van het huis van David.
1. Hier is: het verderf en de algehele uitroeiing van het geslacht van Jerobeam overeenkomstig het woord des Heeren door Ahia. Zijn zoon Nadab volgde hem op. Indien de dood van zijn broeder Abia een goede invloed op hem had gehad, en de eer, die hem aangedaan was bij zijn dood, hem opgewekt had om zijn goed voorbeeld te volgen, zijn regering zou lang en glorierijk hebben kunnen zijn, maar hij wandelde in de weg van zijn vader, vers 26 handhaafde de kalverendienst, en verbood zijn onderdanen om ter aanbidding naar Jeruzalem op te gaan, zondigde en deed Israël zondigen, en daarom bracht God een snel verderf over hem in het tweede jaar van zijn regering. Hij belegerde Gibbethon, een stad, die de Filistijnen van de Danieten genomen hadden, en poogde haar te heroveren, en daar temidden van zijn leger, heeft Baesa met anderen tegen hem samengespannen en hem gedood, vers 27, en zó weinig deelde hij in de genegenheid van zijn volk, dat zijn leger niet slechts zijn dood niet heeft gewroken, maar zijn moordenaar tot zijn opvolger koos. Of Baesa dit deed uit persoonlijke wrok tegen Nadab, of om wraak te nemen op het huis van Jerobeam wegens de een of andere belediging, die zij hem hebben aangedaan, of onder voorwendsel van zijn land te bevrijden van de tirannie van een slecht vorst, of uit blote eerzucht om zich een weg te banen tot de troon, blijkt niet maar hij doodde hem, en werd koning in zijn plaats vers 28. En het eerste wat hij deed, toen hij op de troon kwam, was het gehele huis van Jerobeam uit te roeien, ten einde zichzelf en zijn overweldigende troon zoveel beter te beveiligen. Hij achtte het niet voldoende hen gevangen te zetten of te verbannen, maar doodde hen allen, liet niet alleen niemand die van het mannelijk geslacht was overblijven, zoals voorzegd was Hoofdstuk 14:10, maar niemand die ademde, hierin was hij barbaars, maar was God rechtvaardig. Jerobeams zonde was gestraft, vers 30, want zij, "die God verdriet aandoen, doen het tot beschaming van hun aangezicht" Jeremia 7:19. Ahia's profetie was vervuld, vers 29, want geen woord van God zal ter aarde vallen. De Goddelijke bedreigingen zijn niet enkel bedoeld om te verschrikken.
2. De verheffing van Baesa. Hij zal voor een tijd op de proef worden gesteld, zoals Jerobeam, vier en twintig jaren heeft hij geregeerd, vers 33, maar hij toonde dat het niet uit afkeer was van Jerobeams zonde, dat hij zijn geslacht heeft uitgeroeid, maar uit boosaardigheid en eerzucht, want, toen hij de zondaar had uitgeroeid, kleefde hij zelf de zonde aan, en wandelde in de weg van Jerobeam, vers 34, hoewel hij gezien heeft waar die weg op uitliep, zozeer was zijn hart verhard door de bedriegelijkheid van de zonde.