8. Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend, is nog volstrekt niet tot de aanvang van Zijn kennis gekomen, laat staan, dat hij in haar reeds staan zou als in zijn levenselement, waarop hij misschien roemt. Want God is liefde (vgl.
Hoofdstuk 1:5); liefde is de alles omvattende volheid van wat Hij is, Zijn meest eigenlijk wezen (
Vers 16). De gemeente te Efeze had, volgens hetgeen van haar engel in Openbaring :2, wordt gezegd, de roeping: "beproef de geesten of zij uit God zijn" zeker opgevolgd 1Jo 4:4: maar zij was in gevaar in de strijd van de belijdenis tegen de valse profeten, het innige en de werkzame ijver van haar eerste liefde te verliezen. Dit gevaar merkt de apostel op en komt dat tegen met de ernstige drang: "Geliefden, laat ons elkaar liefhebben! " als wilde hij zeggen: "u heeft hen overwonnen, houdt nu uw overwinning vast, verlaat uw eerste liefde niet! " Hij sluit daarbij zichzelf mee in, als wilde hij met hen om strijd liefhebben. Ja, terwijl hij hen tot liefde vermaant, is hij juist vol liefde. En zie, hoe hij in het prijzen van de liefde klimt, de liefde, waarmee wij liefhebben, zegt hij, is uit God een beek uit de fontein, een vonk van het vuur; want God is liefde, Zijn wezen is enkel liefde.
Als men met vele woorden zegt: de liefde is een edele, verheven kwaliteit in de ziel en de allerkostelijkste en volmaaktste deugd, zoals de filosophen daarvan spreken, dan is dat alles nog niets bij dit, dat Johannes zegt: "God is liefde. " Zijn wezen is enkel liefde, zodat als iemand God zou willen schilderen en treffen, hij zo'n beeld zou moeten maken dat enkel liefde was, omdat de goddelijke natuur niets is als een oven en een brand van zo'n liefde, die hemel en aarde vervult. En weer, als men de liefde zou kunnen schilderen en nabootsen, dan moest men zo'n beeld maken, dat niet werkelijk, noch menselijk, niet als van de engelen, noch hemels, maar dat God zelf was. Zie, zo kan de apostel het schilderen, dat hij van God en liefde één maakt, opdat hij ons door zo'n edel, kostbaar en liefelijk beeld des te meer tot zich lokt en trekt om daarnaar te trachten, dat wij ook onder elkaar liefhebben.
Als God hier wordt voorgesteld als de liefde, dan leren wij hieruit kennen, dat Hij degene is, aan wiens wezen het onafscheidelijk verbonden is Zichzelf te openbaren en mee te delen, de zaligheid, die Hij zelf bezit, buiten Zich te verbreiden. In zoverre Hij nu zelf het geheel is van alle volmaaktheid, het hoogste goed, zal Hij zelf het voorwerp van Zijn liefde zijn; daardoor genereert Hij het volmaakte evenbeeld van Zichzelf, de eengeboren Zoon en deze is het onvoorwaardelijk voorwerp van Zijn liefde (Johannes 17:24). De liefde beweegt Hem vervolgen om tot openbaring van Zichzelf de gehele schepping voort te brengen, waarin ieder wezen een bijzondere openbaring is van God als van de liefde, omdat dit de hem toekomende mate van geluk geniet. Daarom schiep Hij de met verstand begaafde wezens, als het doel van de gehele overige schepping, voor wie Hij Zich in deze wilde openbaren, die zelf in hun wezen geschiktheid hadden, om Zijn openbaring, die van buiten tot hen kwam, in zich op te nemen, Zijn mededeling van Zichzelf deelachtig te worden, met Hem in gemeenschap te treden, Zijn beeld in zich op te nemen en in hun handelen voor te stellen. En als de mensen zich van deze hun hoogste bestemming hadden vervreemd, bewoog Hem de liefde het hoogste voorwerp van Zijn liefde, de Eengeboren Zoon zelf in de mensheid te laten verschijnen en Hem geheel aan de mensheid te schenken. Deze is nu ook het volmaakte beeld van Hem, in wie Zich God van eeuwigheid heeft afgebeeld, het onvoorwaardelijk voorwerp van Zijn liefde in de mensheid. Van Hem verbreidt zich dan de liefde van God tot allen, die met Hem in gemeenschap treden, om Zijn beeld voor te stellen en die aan de blik van de Vader, die over de tijd heen ziet, reeds voorkomen als de dragers van Zijn beeld, als volkomen één met Hem.
Nadat de apostel is Vers 7 heeft gezegd, dat, omdat de liefde uit God is, er liefde moet zijn bij hen, die door hun geboorte uit God het goddelijk wezen deelachtig zijn geworden, wijst hij in Vers 8 de lezers ook uitdrukkelijk op de keerzijde van die waarheid. Dit heeft niet slechts zijn grond in de eigenaardigheid van Johannes, volgens welke hij graag stelling en tegenstelling naast elkaar plaatst, maar ook in zijn liefde als verzorger van de zielen. Het menselijk hart meent ligt een waarheid, zoals die in Vers 7 werd uitgesproken, te kennen en moet toch eerst de volle ernst van de zaak in de noodzakelijke tegenstelling met haar rechterlijke strengheid vernemen.
En als hij nu, zoals hij in Vers 7 beweerde, "die liefheeft, kent God. " in Vers 8 zegt: "die niet liefheeft, die heeft God niet gekend", dan hebben wij ook hier weer dezelfde grondstelling, die in Hoofdstuk 3:2 ons zeer duidelijk voor de geest werd gebracht, dat alle kennis een geestelijke gelijkheid aan het gekende veronderstelt, alle kennen van het goddelijke dus op een bezitten van het goddelijke berust. Het is toch zeer goed mogelijk, dat iemand de hele leer van de Schrift over God begrijpt en in zich opneemt, zonder lief te hebben; dat zou echter het gezegde van de apostel niet weerleggen. Want die alle planten met de geleerde namen, de klassen en families weet, maar geen van die ooit zag, die kent de planten nog bij lange niet. Zo heeft ook hij, die voorgeeft God te kennen, zonder liefde te hebben, geen aanschouwing, dat is geen ervaring van Hem. Omdat zijn begrippen slechts stukken zijn, waaruit hij zich een levende eenheid wil samenvoegen, is zelfs zijn begrijpen vals, want God is geen uit tekenen samengestelde grootheid.
In de kennis van God alleen is de zaligheid van de ziel, die gelooft. Dat oneindige, dat Eeuwige, dat Onbegrijpelijke, dat bij het uitspreken van die korte klank "God" voor de gedachten van onze ziel opklimt, is alleen al onze prijs en eerbiediging, al onze lof en bewondering waard. Er is niets buiten die God, dat aan enig woord of enig doen van mensen ook maar een schijn van waarde zou kunnen bijzetten. Alleen Hij en wat van Hem is houdt stand, blijft eeuwig en kan dus een eeuwig stempel opdrukken. Dus leidt alle weg van de kennis af, die naar Hem niet toeleidt. De kennis van onze God alleen is geen lege vorm, geen afgetrokkenheid, maar een kennis met rijke inhoud, een kennis met leven doortinteld ja een kennis, die het leven zelf is. Iets, al was het ook slechts het vluchtig deel van een enkele lichtstraal, op te vangen, die uit die Bron van eeuwig Licht geweld is en dat stukje van de heiligste kennis zegenend en begenadigend, heiligend en vertroostend in de plooien van ons hart te voelen glijden, dat is, voor wie zijn God en Christus liefheeft, volop verkwikt, onder de toedekking van Zijn vleugels gekoesterd te worden en in de eeuwige diepten van de ziel, waar men onder de tijd is weggezonken, werkelijk zalig te zijn. Of iets de kennis van God van onze ziel weert of ons doet toevloeien, geldt dus als enige keur, die, althans op de erve van Jezus' gemeente, over deugdelijkheid of verwerpelijkheid beslist. Geen zienswijs, geen richting, geen stroming in de gemeente mag bestreden worden dan uit vaste overtuiging, dat zij ons de kennis van God verbergt. Geen prediker in het ambt mag veroordeeld worden, dan bij de droeve zielservaring, dat de voedende, genezende, zieverheffende kennis van God door zijn arbeid eerder tegengehouden dan vermeerderd wordt. Geen strijd is op het heilig terrein van de kerk gewettigd, dan die het wegnemen van de beletsels voor het toestromen van de kennis van God bedoelt. Om slechts drie voorbeelden te noemen. Dan pas wordt de strijd tegen de loochening van het wonder ernstig en onverwinnelijk, als het besef in de gemeente veld wint, dat de erkenning van het wonder met de aanbidding van God één is en loochening van het wonder in volstrekte afsluiting van alle kennis van God eindigt. En even zo. De strijd om de Heilige Schrift getreden, draagt dan alleen het echte stempel en wordt dan alleen met geestelijke meerderheid gestreden, als we tot de betuiging: "de Schrift is Gods Woord" van onze ondanks gedrongen en gedreven worden door de nood van onze ziel, die de kennis van God voelt wijken en teruggaan hij het minst, dat op die eeuwenoude belijdenis door kritische letterknechterij of ongeestelijk fetischisme wordt afgedrongen. Of wil men nog actueler. Om het heilig sacrament van de doop mag van onze zijde niet gestreden worden, als ons hart niet voor ons en onze kinderen de onmisbaarheid voelt, om ook deze weg van Godskennis open te houden en de gemeente, bij zijn toebediening, niet in de bezegeling van het Genadeverbond het toekomen van de Eeuwige tot het hart van Zijn kinderen gewaar wordt. Alleen in die kennis van God ligt kracht. Een gemeente, waaruit zij week, is arm en machteloos, ook al telt zij haar zielen bij duizendtallen en al vormt haar kerkbezit een ontzettende schat. Laat die kennis van God terugkomen en de macht komt met haar, al werd ook de laatste penning haar geroofd en al slonk ze ter helfte weg. In de strijd van de geesten moet de overwinning steeds aan die zij blijven, waar men met de meeste kennis van God en omwille van haar zich in de strijd heeft gemengd. Beter door onze tegenstanders dan door ons, is dit dusver begrepen. Hun aanval, hoe ook door geheel andere beweegreden ingegeven, werd het volk steeds voorgesteld als noodzakelijk om de eer van God. De Godheid van de Christus werd zou men zei ontkend, niet uit valse vrijheidszucht, maar omdat "God alleen te aanbidden was" en door deze hulde aan de Christus Zijn eer werd verkort. Het wonder werd geloochend, niet uit gebondenheid aan het zichtbare, maar omdat het voor God onwaardig was, stichter van een schepping te zijn, die herstel nodig kon hebben. De "Vrede door het bloed van het Kruis" werd ontleed en als onbruikbaar verworpen, niet omdat de zondenood van de ziel niet gevoeld werd, maar omdat met Gods liefde zo'n Molochs-offer niet kon bestaan. Ook nu bij de doop beweert men, dat het losmaken van zijn formule niet uit weerzin teken haar inhoud voortkomt, maar alleen de verheerlijking van "God als een Geest" bedoelt, die een zo slaafse gebondenheid aan vaste kerkvormen niet gedoogt. Dit wordt niet voorbijgezien, door wie de verderfelijke invloed van deze richting probeert te keren. Met een wapen van lagere keur bent u tegenover deze wapenrusting machteloos. Dat steeds roepen van "voor Godwaardiger, God meer verheerlijkend, met Zijn eeuwige liefde beter rijmend", werkt sneller dan u waant. Het mensenhart keert zich onwillekeurig naar die zijde, waar het Licht van de Eeuwige zuiverder weerkaatst wordt. Ja, zelf wordt u ten slotte, tegen willen en weten, door het modernisme bewerkt en geschokt in de vastheid van uw overtuiging, zolang dat roepen: "God is toch liefde door u ontweken wordt, u in verwarring brengt en niet met een nog veel krachtiger getuigenis voor Zijn eeuwige liefde uwerzijds wordt beantwoord. Zolang men op dat roepen: "God is toch liefde", niets beters antwoordt dan: "Ja, maar toch ook heilig", staat men zwak en verliest men terrein, omdat men zich dan tot een steekspel over juistheid van begrippen laat verleiden, in plaats van ijlings te vluchten onder die vleugels van de Almachtige, waar de werkelijke koestering van Zijn liefde is. Als het op begrippen aankomt, moet het begrip van "heilig" steeds verliezen, het begrip van "liefde" steeds winnen, wijl het denkbeeld van "liefde" onvergelijkelijk meer dan dat van "heiligheid" ons menselijk hart toespreekt. Een pleidooi ten behoeve van "Gods heiligheid" zal daartegen onvoldoende blijken. Men zal u toestemmen, dat ook Gods heiligheid ongeschonden bewaard moet blijven; men zal u toegeven, dat in het gewoon begrip van "liefde" dit heilige niet tot zijn recht komt; men zal de erkenning niet ontwijken kunnen, dat er, langs welke weg dan ook, verzoening gezocht moet worden, maar ook na dat alles zult u voor het mensen hart uw pleit verloren hebben; want u was het dan toch, die iets op de liefde van God wilde afdingen en uw moderne tegenstander was voor de liefde van God ontgloeid. Maar keer het om, toon hem, dat niet u, maar hij, van de liefde van God veel te gering denkt; bewijs hem bij het licht van uw eigen geloof, dat het roepen van Gods liefde op zijn lippen slechts het misbruik van een gestolen klank, een verlagen van een van de heiligste zinspreuken, een vervalsen van een van de rijkste levensstromen is; doe hem, doe de wereld, in geheel uw optreden, in al uw woord en werk voelen, dat het juist een meerdere ervaring van Gods liefde is, die u tot strijden noopt, u bezielt en bekrachtigt; laat hem desnoods de klank, maar heb zelf de heilige gloed, die van de liefde van de Eeuwigen uitgaat en u zult de driedubbele winst hebben, dat het valse roepen van Gods liefde minder wordt, dat uw eigen verlegenheid een einde neemt en de wereld, haars ondanks, weer luisteren gaat naar dat goddelijk Evangelie, dat haar de volheid van de liefde ontplooit. Dit bewijs moet niet in een twistgesprek, niet in een geschrift, niet in een enkele ontmoeting, maar in het rechtzinnig deel van de gemeente geleverd worden. Er moet meer een wonen in de diepten van de eeuwige liefde, meer een jubelen met heilige geestdrift van de volzaligheid van die liefde zijn, zal de wereld geloven kunnen, dat werkelijk aan onze kant de reinste kennis van de God van de liefde is. Alleen gebrek aan deze tedere innigheid in de verborgen omgang met Vader, Zoon en Heilige Geest, is oorzaak geworden, dat ons tot tuchtiging, de volste belijdenis van ons geloof ons als een leeggeschudde plant voor wordt gehouden. Er waren nevelen tussen de Zon van de gerechtigheid en de gemeente getrokken. De koesterende stralen braken niet meer door. Men beleed nog wel een verlossing in het dierbaarst bloed. Men bouwde op de Christus nog wel zijn hoop voor eeuwig. Gods liefde te verheerlijken was nog wel een onmisbaar bestanddeel van Zijn lof en prijs. Maar toch, men genoot er niet meer in. De liefde in God was niet meer het overstelpende en hartveroverende en zielsvertederende, dat steeds als met verse druppels uit de Fontein aller goeden neerdaalt. De belijdende gemeente, in haar geheel genomen, raakt aan Gods liefde vervreemd. Een betoog een redenering een sluitreden, ziedaar alles wat van de prediking van de barmhartigheid overbleef. Het "wij bidden u, alsof God door ons bad", het werd misschien nog misbruikt en ontheiligd als oratorische frase, maar het kwam in het priesterhart niet meer op. En toch zijn ze van oosten en westen gekomen en Israël voorafgegaan in de prijs en de aanbidding van wat voor Israël schier was weggestorven. Het door ons verlaten, door ons geminacht kleinood is toen door anderen van ons genomen en met de hun vreemde keursteen hebben zij als sieraad gepronkt. Dat duurt nu reeds vijftig jaren en nog is in de gemeente van Christus niet veel meer dan een eerste beweging te bespeuren van zo'n krachtig, zo alzijdig, zo wegzinkend inleven in de volheid van de eeuwige liefde, dat de uitstraling van haar gloed weer door de wereld gevoeld wordt. Van de enkele ziel zij hiermee niets te na gezegd. Ook in de dagen van versterving gaat de Koning van Zijn kerk voort de hemelse gaven uit te gieten in de ziel, die hem beidt. Innige, wegslepende, schier hemelse ervaringen van Gods verkwikkende en begenadigende liefde, zij worden ook nu, nog door menig hart genoten. Maar dit is niet genoeg. De genieting van de enkelen moet het deel van de meerderen worden; en zo gaandeweg zich weer als de levenskracht uit de Hoge ook in de gemeente, in haar lijden en strijden, in haar arbeid en prediking, in haar gebed en reiniging, onze God tot heerlijkheid openbaren. Dan pas zullen we kunnen zeggen, dat "die met ons is, sterker is, dan die met hen is"; dan eerst zal de beschuldiging vervallen, als of slechts partijzucht ons tot handelen dreef en ook zonder dat we de liefde van God tot een strijdformule verlagen, zal het feit niet langer geloochend kunnen worden, dat in ons optreden zelf die liefde van God zich uit.
"God is liefde. " Het mag niet onopgemerkt blijven, dat dit grote woord bij een apostel wordt aangetroffen (1 Johannes 4:8, 16), die zeker het diepst van allen in de geest van de Heere was ingedrongen. Reeds de vorm van de uitspraak bewijst, dat zij meer betekent, dan alleen dat God liefderijk, goedertieren mag heten. Goedheid en liefde is trouwens in geen deel hetzelfde, al worden de uitdrukkingen gedurig verwisseld. Goedertieren kan men ook jegens redeloze schepselen zijn (dieren bijvoorbeeld); liefde kan men alleen aan redelijke wezens betonen, goedheid is een van Gods eigenschappen; maar liefde is het eigenlijke wezen van Hem, die al deze eigenschappen in Zich verenigt; Hij is de liefde in eigen persoon. Al de eigenschappen moeten als attributen van de liefde, als adjectieven van dit weergaloos substantief aangemerkt worden. Gods macht is zo het vermogen van de liefde; Gods wetenschap de intelligentie van de liefde. Gods gerechtigheid de gerechtigheid van de liefde en in haar openbaring slechts een middel om haar verheven doel te bereiken. God is zelf de liefde en Zijn Wezen is enkel louter liefde, zodat, wanneer iemand God wilde schilderen en tekenen, dan moest hij zo'n beeld tekenen, dat enkel liefde was, als was de goddelijke natuur niets dan een oven en een hartstocht van zulk ene liefde, die hemel en aarde vervult. "God is Geest, is licht, is liefde", kan na het gezegde niet raadselachtig meer zijn. Op de vraag: wat is God, is het antwoord: "God is Geest"; Zijn natuur moet zuiver geestelijk heten. Maar op de vraag: wie is God, wat Zijn innerlijk Wezen betreft, komen ons tegelijk de begrippen van licht en liefde te stade (1 Johannes 1:5; 4:8). De oneindige Geest is zowel het een als het ander; het vlekkeloze licht, juist omdat Hij de heilige liefde is. Dat Godsbegrip, reeds door enkele uitnemende Heidenen voorgevoeld en door sommigen in Israël aangeduid is eerst in het Evangelie van het Nieuwen Verbonds in zijn volle verhevenheid uitgesproken. Natuurlijk, het zuiverst Godsbegrip kon slechts vrucht zijn van de aanschouwing van de hoogste openbaring van God. Juist in dit Godsbegrip ligt dan ook het geheim van geheel de verlichtende, herscheppende, verlossende kracht van het Christendom. "Als de Satan dit geloven kon, hij zou gered zijn. "