Romeinen 1:1-7
In deze afdeling hebben wij:
I. Den persoon die den brief schrijft, vers 1, Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus: dit is zijn eretitel, waarop hij zich beroemt: niet gelijk de Joodse leraars: Rabbi! Rabbi! maar een dienstknecht, een van de meer bijzondere lijfbedienden, een huisverzorger. Een geroepen apostel. Sommigen menen dat hij zinspeelt op zijn ouden naam Saul, die betekent: een geroepene, een naar wie gevraagd is. Christus zocht hem om hem tot apostel te maken Handelingen 9:15. Hij grondt hier zijn gezag op zijn roeping, hij ging niet, gelijk de valse apostelen uit zonder zending, klêtos apostolos, een geroepen apostel, dat is de naam bij welken hij liefst genoemd wordt, ofschoon hij erkent het niet waard te zijn, 1 Corinthiërs 15:9.
Afgezonderd tot het Evangelie van God. De Farizeeën waren beroemd om hun afzondering en waren daarnaar genoemd, omdat zij zich afzonderden om de wet te onderzoeken, en zij konden genoemd worden aphoris menoi eis ton nomon. Zo iemand was Paulus geweest, maar thans had hij een ander voorwerp van onderzoek, hij was hij aphoris menos eis to Evangelion, een Farizeeër van het Evangelie, afgezonderd naar het welbehagen Gods, Galaten 1:15, afgezonderd van zijner moeders lijf aan, door onmiddellijke leiding des Geestes en door middellijke ordening overeenkomstig die leiding, Handelingen 13:2, 3, door toewijding van zich zelven aan dat werk. Hij was geheel en al gewijd aan het Evangelie God, het Evangelie waarvan God de werkmeester is, en waarvan oorsprong en werking goddelijk en hemels zijn.
II. Na het Evangelie van God genoemd te hebben, geeft hij in een uitweiding ons er een algemene schets van.
1. Van zijn oudheid. Het werd tevoren beloofd, vers 2, het was geen pas-ontstaan leerstuk, maar het was vanouds reeds meegedeeld in de beloften en voorzeggingen van het Oude Testament, welke alle eenparig zich richtten naar het Evangelie, als morgenstralen die de Zon der gerechtigheid voorafgingen, en dat niet alleen mondeling maar ook in de Schriften.
2. Van zijn onderwerp. Het betreft Christus, vers 3, 4. De profeten en apostelen leggen allen getuigenis van Hem af, Hij is de ware schat, in den akker der Schriften verborgen. Merk op: wanneer Paulus Christus noemt hoe hij al diens namen en titels opeenstapelt: Jezus Christus onze Heere. Hij heeft er een welgevallen in over Hem te spreken en zodra hij Hem genoemd heeft kan hij niet voortgaan over Hem te spreken zonder enige uitdrukking van liefde en eer, gelijk hier, waar hij ons in den enen persoon Zijn twee onderscheiden naturen aantoont.
A. Zijn menselijke natuur. Die geworden is uit het zaad van David, vers 3, dat is: geboren uit de maagd Maria, die uit den huize David's was, Lukas 1:27, evenals Jozef, Zijn onderstelde vader, Lukas 2:27. David wordt hier genoemd, ter oorzake van de bepaalde beloften aan hem gedaan ten opzichte van den Messias, voornamelijk Zijn koninklijke bediening, 2 Samuël 7:12, Psalm 132:11, vergeleken met Lukas 1:32, 33.
B. Zijn goddelijke natuur: Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, vers 4, de Zoon van God door eeuwige generatie, of, zoals het hier is uitgedrukt: naar den Geest der heiligmaking. Naar het vlees, dat is Zijn menselijke natuur, was Hij het zaad van David, maar naar den Geest der heiligmaking, dat is Zijn goddelijke natuur, is Hij de Zoon van God (gelijk Hij gezegd wordt te zijn levend gemaakt door den Geest:1 Petrus 3:18, verg. 2 Corinthiërs 13:4). Het grote bewijs daarvan is Zijn opstanding uit de doden, dat is het onloochenbaar en afdoend bewijs. Het teken van Jona den profeet, de opstanding van Christus, was bedoeld als het laatste bewijs, Mattheus 12:39. Die daardoor niet overtuigd werd, zou door niets overtuigd worden. Wij hebben hier dus een samenvatting van de leer des Evangelies betreffende de beide naturen van Christus in een persoon.
3. De gevolgen daarvan, vers 5. Door welken, dat is: door Christus, geopenbaard en kenbaar gemaakt door het Evangelie, wij (Paulus en de overige dienaren), hebben ontvangen genade en het apostelschap, dat is: de gunst van tot apostelen geroepen te zijn, Efeze 3:8. De apostelen waren gemaakt tot een schouwspel voor de wereld, leidden een leven van ontbering, moeite en gevaar, werden állen daggedood, maar Paulus acht het apostelschap een gunst. Wij mogen het evenzo terecht een grote gunst achten, wanneer wij tot enig werk in den dienst van God gebruikt worden, welke moeilijkheden of gevaren wij daarin ook ontmoeten. Dat apostelschap was ontvangen tot gehoorzaamheid des geloofs, dat is, om de mensen tot gehoorzaamheid te brengen, gelijk Christus zo hebben Zijn dienaren ontvangen om te kunnen geven. Paulus bracht deze gehoorzaamheid onder al de heidenen, want hij was de apostel der heidenen, Hoofdstuk 11:13. Merk op de beschrijving, die hier van het Christendom gegeven wordt, het is gehoorzaamheid des geloofs. Het bestaat niet in verstandelijke kennis of in bloot toestemmen, nog veel minder in twistige samensprekingen, maar in gehoorzaamheid. Deze gehoorzaamheid des geloofs beantwoordt aan de wet des geloofs, die in Hoofdstuk 3:27 vermeld wordt. De handeling des geloofs is de gehoorzaamheid van het verstaan van God die zich openbaart, en het gevolg daarvan is de gehoorzaamheid van den wil aan God die gebiedt. Ten einde het misbruik te voorkomen, dat gemaakt kan worden van het leerstuk der rechtvaardigmaking door het geloof zonder de werken der wet, dat hij in het vervolg van dezen brief zal verklaren, spreekt hij hier van het Christendom als van een gehoorzaamheid. Christus heeft een juk.
Onder welken gij ook zijt, vers 6. Hierin staat gij, Romeinen, gelijk met andere heidense volken, die minder beroemd of weelderig zijn, gij zijt allen een in Christus. De Evangelische zaligheid is een algemene zaligheid, Judas 3.
Geroepenen van Jezus Christus, die allen, en alleen die, worden gebracht tot een gehoorzaamheid des geloofs, die daadwerkelijk geroepenen van Jezus Christus zijn.
III. De personen, aan wie de brief gericht is, vers 7. Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, geroepen heiligen. Dat is, aan alle belijdende Christenen, die in Rome waren, om `t even of zij oorspronkelijk Joden of heidenen waren, hoog of laag, vrij of in banden, geleerd of ongeleerd. Rijken en armen ontmoeten elkaar in Christus Jezus. Hier is:
1. Het voorrecht der Christenen. Zij zijn geliefden Gods, zij zijn leden van het lichaam dat geliefd is, dat is Gods Hephzibah, in hetwelk al Zijn lust is. Wij spreken van de liefde Gods in Zijn goedheid en zegeningen, en zo heeft Hij een algemene liefde voor de mensheid en een bijzondere liefde voor alle ware gelovigen, en daartussen ligt een 1iefde die Hij het lichaam der Christenheid, de zichtbare Kerk, toedraagt. 2. De plicht der Christenen. Die is: heilig te zijn, want daartoe zijn zij geroepen, geroepen heiligen, geroepen tot zaligheid door heiligmaking. Heiligen, en alleen heiligen, worden door God bemind met een bijzondere liefde.
Klêtois hagiois, den geroepen heiligen, heiligen in belijdenis, het zou goed zijn indien alle geroepen heiligen waarlijk heiligen waren. Zij die geroepen heiligen zijn moeten zich benaarstigen om aan dien naam te beantwoorden, anders, ofschoon het een eer en een voorrecht is, zal het van weinig nut zijn in den groten dag, geroepen heiligen te zijn wanneer wij niet in werkelijkheid heiligen zijn.
IV. De apostolische zegenbede, vers 7. Genade zij u en vrede. Dit is een van de kentekenen in elke brief, en het heeft niet slechts de kracht van een goeden wens maar het gezag van een zegening. De priesters onder de wet moesten het volk zegenen, en dat moeten ook de dienaren des Evangelies doen, in den naam des Heeren. Merk in deze gewone zegenbede op:
1. De gunsten, die begeerd worden: Genade en vrede. De Oud-Testamentische begroeting was: Vrede zij met u, maar nu gaat genade vooraf-genade, dat is de gunst van God jegens ons of het werk Gods in ons, die is nodig voor het verkrijgen van waren vrede. Alle Evangelische zegeningen zijn vervat in deze beide: genade en vrede. Vrede, dat is alles goeds, vrede met God, vrede in uw eigen geweten, vrede met allen die rondom u zijn, al die vrede gegrond in genade.
2. De bron van al deze zegeningen. Van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus. Alle goed komt van:
A. God als een Vader, Hij heeft zich in die betrekking tot ons gesteld om onze wensen en verwachtingen te doen ontwaken en aan te moedigen, ons wordt geleerd Hem, wanneer wij komen om genade en vrede, onzen Vader te noemen.
B. Den Heere Jezus Christus, als Middelaar en als de grote schatbewaarder, uitdeler en gever van deze zegeningen. Wij krijgen ze uit Zijne volheid: vrede uit de volheid van Zijne verdiensten en genade uit de volheid van Zijn Geest.