Numeri 19:1-10
Wij hebben hier het Goddelijk bevel omtrent het plechtig verbranden van een rode vaars tot as en het bewaren van de as, ten einde er, niet een schoonheidswater maar een reinigend water van te maken, want dat was het uiterste, waartoe de wet reikte, zij kon niet, zoals het Evangelie, versieren, maar slechts reinigen. Dit verbranden van de vaars, hoewel het geen eigenlijk zoenoffer was, daar zij niet op het altaar geschiedde, was toch een afschaduwing van de dood en het lijden van Christus, waarmee Hij bedoelde niet slechts aan Gods gerechtigheid te voldoen, maar ook ons geweten te reinigen en te bevredigen, opdat wij vrede hebben met God, en vrede in ons eigen hart. Hiervoor is Christus gestorven, niet slechts gelijk de stieren en bokken op het altaar, maar zoals de vaars buiten het leger.
I. De te verbranden vaars moest met zeer veel zorg gekozen worden, veel meer nog dan voor de keus van ieder ander offer, vers 2. Zij moest niet slechts zonder gebrek wezen, als type van de vlekkeloze reinheid en zondeloze volmaaktheid van de Heere Jezus, maar het moest een rode vaars zijn, opdat zij, vanwege de zeldzaamheid van de kleur, des te opmerkelijker zou zijn. De Joden zeggen: "Al waren er slechts twee haren zwart of wit aan, dan was zij onwettig". Als mens was Christus de zoon van Adam, rode aarde, en wij vinden Hem rood in Zijn gewaad, rood door Zijn eigen bloed en rood door het bloed van Zijn vijanden. En het moet er een wezen, waarop geen juk gekomen is, hetgeen niet verboden was voor andere offers, maar aldus werd het vrijwillig offer afgeschaduwd van de Heere Jezus, toen Hij zei: Zie, Ik kom. Hij is door geen andere koorden gebonden, dan die van Zijn eigen liefde. Deze vaars moest op kosten van de vergadering aangeschaft worden, omdat zij er gemeenschappelijk belang bij hadden, en dat hebben ook alle gelovigen in Christus.
II. De verbranding geschiedde met grote plechtigheid. De zorg er voor was opgedragen aan Eleazar, niet aan Aaron zelf, omdat het niet passend was dat hij iets zou doen, waardoor hij ceremonieel onrein werd, ja zelfs niet al was het ook maar tot de avond, vers 8, daar het echter een zaak van groot belang was, inzonderheid vanwege de betekenis, die er in lag opgesloten, moest zij verricht worden door hem, die na Aaron de hoogste was in waardigheid. De overpriesters van Christus' tijd hebben de voornaamste hand gehad in Zijn dood.
1. De vaars moest geslacht worden buiten het leger, als iets onreins, hetgeen de ongenoegzaamheid aanduidt van de methodes, voorgeschreven door de ceremoniele wet, om zonde weg te nemen, wel verre van afdoende te reinigen, waren zij zelf onrein, alsof de onreinheid, die ze opgelegd werd, ze bleef aankleven. Om echter aan dit type te beantwoorden, heeft onze Heere Jezus, zonde voor ons gemaakt zijnde, "buiten de poort geleden," Hebreeën
2. Eleazar moest van haar bloed nemen en het recht tegenover de tent van de samenkomst sprengen, terwijl hij er gestadig heenzag, vers 4. Hierdoor werd het enigermate van de natuur van een zondoffer, want het sprengen van bloed voor het aangezicht des Heeren was de voornaamste plechtigheid, die bij alle zoenoffers in acht werd genomen, daardoor werd te kennen gegeven, dat, hoewel dit niet op het altaar geschiedde, maar toch in de richting van het heiligdom, de kracht en geldigheid er van berustte op het heiligdom en er aan ontleend was. Hiermede werd de genoegdoening aangeduid, die aan God gedaan was door de dood van Christus, onze grote Hogepriester, die door de eeuwige Geest (en de Geest wordt, gelijk Ainsworth opmerkt, de vinger Gods genoemd Lukas 11:20) "zichzelf Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, " Hij heeft, als het ware, Zijn eigen bloed recht tegenover het heiligdom gesprengd, toen Hij zei: "Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest." Het geeft ook te kennen hoe noodzakelijk het was voor de reiniging van ons hart, dat aan de Goddelijke gerechtigheid voldaan zou worden. Deze besprenging van het bloed legde kracht in de as.
3. De vaars moest geheel verbrand worden vers 5. Dit was een afschaduwing van het uiterste lijden van onze Heere Jezus, beide in ziel en lichaam, als een vuuroffer. De priester moest, terwijl het vuur brandende was, er cederhout, hysop en scharlaken in werpen, die gebruikt werden voor de reiniging van melaatsen, Leviticus 14:6, 7, opdat de as er van zich met de as van de vaars zou vermengen, omdat zij ter reiniging moesten dienen.
4. De as van de vaars (zoveel mogelijk afgescheiden van de as van het hout, waarmee zij verbrand werd) moest zorgvuldig door de hand van een rein persoon verzameld, en (zeggen de Joden) fijn gestampt en gezift worden, en aldus bewaard worden ten gebruike van de vergadering, als het nodig was, vers 9, niet alleen ten behoeve van dat geslacht, maar ook voor de nakomelingschap, want de as van deze een vaars was voldoende om er evenveel vaten mee te bereiden als het volk van Israël er gedurende veel eeuwen nodig zou hebben. De Joden zeggen dat deze as hun geduurd heeft tot aan de ballingschap, dus bijna duizend jaren en dat nooit een andere vaars verbrand werd tot aan de tijd van Ezra, na hun terugkeer. Ik zie geen reden om aan deze hun overlevering alleen gegrond (naar ik veronderstel) op het stilzwijgen hieromtrent van hun oude geschriften, geloof te hechten, daar zij in de latere eeuwen van hun kerk, waarvan zij vollediger berichten hebben, niet minder dan acht verbrand vinden tussen Ezra's tijd en de verwoesting van de tweede tempel, een tijdperk dus van ongeveer vijfhonderd jaren. Deze as wordt hier gezegd weggelegd of bewaard te worden, als een ontzondiging, omdat zij, hoewel slechts bedoeld om van ceremoniele onreinheid te reinigen, toch een type was van die reiniging van zonde, die onze Heere Jezus heeft teweeggebracht door Zijn dood. As, gemengd met water, wordt gebruikt om te schuren, maar de kracht van deze as lag zuiver en alleen in de Goddelijke inzetting, en haar vervulling en volkomenheid in de volmaaktheid van Christus, die het einde van deze wet is tot gerechtigheid.
Merk nu op:
a. Dat het water van de afzondering die hoedanigheid verkreeg door de as van een vaars, waarvan het bloed voor het heiligdom gesprengd werd, zodat datgene dat ons geweten reinigt, de blijvende kracht is van Christus' dood, het is Zijn bloed, "dat ons reinigt van alle zonde," 1 Johannes 1:7.
b. Dat die as voldoende was voor geheel het volk. Er behoefde geen vaars geslacht te worden voor ieder persoon, of gezin, die reiniging van node had, deze ene was genoeg voor allen, zelfs voor de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeerden, vers 10, en er is kracht genoeg in Christus' bloed voor allen, die zich bekeren en het Evangelie geloven, voor ieder Israëliet, en niet alleen voor hun zonden, "maar ook voor de zonde van de gehele wereld," 1 Johannes 2:2.
c. Dat deze as onbedorven gedurende veel eeuwen bewaard kon blijven. Geen lichamelijke zelfstandigheid is zo onverderflijk als as, hetgeen (zegt bisschop Patrick) deze as tot een zeer gepast embleem maakte van de eeuwige kracht van Christus' offerande. Hij kan volkomen reinigen en daarom ook volkomen zaligmaken, allen, die door Hem tot God gaan. Deze as werd weggelegd, als een voorraad of schat tot voortdurende reiniging van Israël van hun onreinheden, en zo is het bloed van Christus voor ons weggelegd in het woord en de sacramenten, als een onuitputtelijke fontein van verdienste, waartoe wij door het geloof dagelijks de toevlucht kunnen nemen voor de reiniging van ons geweten, zie Zacheria 13:1.
5. Allen, die tot deze dienst gebruikt werden, werden er ceremonieel onrein door, ook Eleazar zelf, hoewel hij slechts het bloed sprengde, vers 7. Hij, die de vaars verbrand heeft, was onrein, vers 8, ook hij, die de as verzameld heeft, vers 10. En zo hebben allen, die de hand gehad hebben in Christus' dood, er schuld mee op zich geladen, Zijn verrader, Zijn vervolgers, Zijn rechter, Zijn scherprechter, allen deden wat zij gedaan hebben met onrechtvaardige handen, hoewel "naar de bepaalde raad en voorkennis Gods," Handelingen 2:23, toch zijn sommigen van hen-en allen hadden het kunnen zijn-gereinigd door hetzelfde bloed, waarvan zij de schuld over zich gebracht hadden. Sommigen zien hier de betekenis in van de onvolkomenheid van de wettische diensten, en hun ongenoegzaamheid om de zonde weg te nemen, daar zij, die de reiniging bereidden van anderen, door die bereiding zelf onrein werden. De Joden zeggen: dit is een verborgenheid, die Salomo zelfs niet verstond, namelijk dat dezelfde zaak hen, die rein waren, onrein maakte, en die onrein waren rein maakte. Maar (zegt bisschop Patrick) het is niet vreemd voor hen, die bedenken, dat al de offers, die geofferd werden voor de zonde, als onrein beschouwd werden, omdat er de zonden van de mensen op gelegd werden, gelijk al onze zonden gelegd werden op Christus, die dieswege gezegd wordt "zonde voor ons te zijn gemaakt," 2 Corinthiërs 5:21.