1 Corinthiërs 10:6-14
De apostel, na de voorrechten opgesomd te hebben, gaat nu over tot de vermelding van hun zonden en straffen, hun overtredingen en plagen, welke ons zijn meegedeeld als voorbeelden, waarschuwingen tegen gelijke zonden, indien wij gelijke straffen ontkomen willen. Wij moeten niet handelen gelijk zij deden, anders zullen we lijden gelijk zij leden.
I. Verscheidene van hun zonden worden opgenoemd als waarschuwing voor ons.
1. Wij moeten ongewone begeerte naar vleselijke dingen schuwen. Geen lust tot het kwaad hebben, gelijk als zij lust gehad hebben, vers 6. God voedde hen met manna, maar zij begeerden vlees, Numeri 11:4. Zij hadden voedsel voor hun onderhoud, maar daarmee niet tevreden, vroegen zij spijze voor hun lust, Psalm 106:14.. Vleselijke begeerte gaat aan het toegeven er aan vooraf, en daarom moet ze opgemerkt en gefnuikt worden in haar eerste beginselen, wanneer ze eenmaal gaat heersen en de overmacht over ons verkrijgt, weet niemand hoever ze ons leiden kan. De waarschuwing gaat voorop, omdat ingewilligde vleselijke begeerte de wortel en oorsprong is van menige zonde.
2. Hij waarschuwt tegen afgoderij. Wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neer om te eten en om te drinken, en zij stonden op om te spelen, vers 7. De zonde van het gouden kalf wordt vermeld in Exodus 32.. Eerst offerden ze aan hun afgod, daarna vierden zij het offerfeest, en toen vingen ze aan te dansen. Ofschoon hier enkel eten en drinken genoemd wordt, is de offermaaltijd bedoeld. De apostel bespreekt dit geval voor de Corinthiërs, die in verzoeking waren om feest te vieren met heidense offeranden, dingen die de heidenen den afgoden geofferd hadden, ofschoon het schijnt dat ze niet in verzoeking kwamen om zelf te offeren. Maar zelfs het eten en drinken van de offeranden bij den afgod en als geheiligde spijze, was afgoderij, waarvoor ze door het voorbeeld van de Israëlieten gewaarschuwd werden.
3. Hij waarschuwt tegen ontucht, de zonde waaraan de inwoners van Corinthe in zo buitengewone mate overgegeven waren. Zij hadden een tempel, gewijd aan Venus (dat is de wellust) met meer dan duizend priesteressen,.die allen zedeloze vrouwen waren. Hoe nodig was zulk een waarschuwing voor hen, die in zulk een bedorven stad woonden en gewoon waren aan zulke zedeloze tonelen, vooral nu ze bovendien daardoor aan de verzoeking tot afgoderij blootstonden. Geestelijke hoererij leidt in vele gevallen tot vleselijke ontucht. De meeste goden der heidenen werden voorgesteld als toonbeelden van ontucht, en de ontucht nam in de openbare verering van velen hunner een voorname plaats in. Velen van de Joodse schrijvers, en op hun voetspoor ook velen van de Christelijke, houden het er voor dat daarin ook de verering van Baäl Peor bestond, en dat de ontucht met de dochters van Moab bedreven werd ter ere van dien afgod. Zij werden door deze vrouwen vervoerd tot geestelijke en lichamelijke hoererij, eerst door de offeranden te vieren, indien niet nog gruwelijker dingen bedreven werden, en daarna door hen in dienst van dien afgod met vreemd vlees te bezoedelen, Numeri 25.. Dat bracht over hen ene plaag, welke in een dag drie en twintig duizend hunner ten grave sleepte, ongerekend hen, die door de hand der overheid vielen. Hoereerders en overspelers zal God oordelen, in welke uitwendige betrekking zij ook tot Hem staan mogen, en welke uitwendige voorrechten Hij hun ook geschonken hebbe. Laat ons voor de zonden der Israëlieten vrezen, indien wij hun plagen ontgaan willen. 4. Hij waarschuwt: Laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben en werden van de slangen vernield, vers 9. Verzoeken is Hem tot jaloersheid verwekken (tergen) vers 22. Hij was met de kerk in de woestijn, Hij was de engel des verbonds, die voor hun aangezicht heenging. Maar Hij werd grotelijks door hen beledigd en verbitterd.
Zij spraken tegen Hem en tegen Mozes: Waarom hebt gij ons uit Egypte opgevoerd om in deze woestijn te sterven? En daarom zond God vurige slangen onder hen, Numeri 21:5, 6, door welke velen dodelijk gebeten werden. En het is maar al te zeer te vrezen, dat zij, die Christus in deze bedeling tergen, door Hem in de macht van de Oude Slang zullen overgelaten worden.
5. Hij waarschuwt tegen murmureren. En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver, vers 10, door een verdervenden engel, een uitvoerder van de goddelijke wraak. Zij twistten met God en murmureerden tegen Mozes, Zijn dienstknecht, wanneer ze in enige moeilijkheid kwamen. Wanneer zij op den weg naar Kanaän teleurstellingen ontmoetten, waren ze dadelijk gereed om hun leiders in het aangezicht te vliegen, hen af te zetten, en naar Egypte terug te keren onder leiding van door hen zelven gekozen hoofden. Iets dergelijks schijnt het geval geweest te zijn met de Corinthiërs, zij murmureerden tegen Paulus, en in hem tegen Christus, en kozen naar het schijnt andere leraren, die hen in hun lusten verdroegen en in slaap wiegden, en vooral in hun neiging tot afgoderij. Liever lieten die hen afgodische feesten vieren, dan hun verwijten te ontvangen en zich zelven bloot te stellen aan den onwil van hun heidense naburen. Zulk gedrag was zeer beledigend voor God, en geschikt om snelle verwoesting over hen te brengen, gelijk met de Israëlieten geschied was, Numeri 14:37. Murmurering tegen goddelijke beschikkingen en geboden is een zonde, die Hem zwaar beledigt, vooral wanneer ze aangroeit tot poging tot afval en opstand tegen Hem en Zijn goede wegen.
II. De apostel voegt bij deze bijzondere waarschuwingen een meer algemene, vers 11 :En deze dingen alle zijn hun overkomen tot voorbeelden, en zijn beschreven tot waarschuwing van ons. Niet alleen de wetten en instellingen der Joden, maar ook de handelingen Gods met hen, zijn voorbeelden. Hun zonden tegen God en hun afdwalingen van Hem waren afschaduwingen van tegenwoordige geestelijke oordelen. Hun uitsluiting buiten Kanaän is voorbeeld van de uitsluiting van menigeen onder het Evangelie buiten het hemelse Kanaän, ter oorzake van hun ongeloof. Hun geschiedenis werd beschreven als blijvende waarschuwing voor de kerk, juist onder deze laatste en volmaakte bedeling: Van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn, het laatste gedeelte van Gods genadebedeling over de mensen. Niets in de Schrift is tevergeefs geschreven. God heeft wijze en genadige bedoelingen met ons, door ons de geschiedenis der Joden als voorbeeld te geven, en het is onze wijsheid en plicht daaruit lering te trekken. Hierop grondt de apostel de waarschuwing in vers 12. Zo dan die meent te staan, zie toe dat hij niet valle. De ongelukken, aan anderen overkomen, moeten voor ons waarschuwingen zijn. Hij, die meent te staan, moet niet zelfvertrouwend en zeker zijn, maar op zijn hoede. Anderen zijn gevallen, ook wij kunnen vallen. En dan zijn we meest in gevaar van te vallen, wanneer we het meest op eigen kracht vertrouwen, en daarom menen zeker te zijn en niet op onze hoede blijven. Mistrouwen van zich zelven, zich geheel aan de waakzaamheid en afhankelijkheid van God overgeven, is des Christens beste waarborg tegen alle zonden. Hij, die denkt te staan, is niet zeker van op de been te blijven, wanneer hij niet vreest voor vallen en er tegen waakt. God heeft niet beloofd ons voor vallen te bewaren, indien wij niet zelven toezien, Zijne bescherming onderstelt onze vrees en voorzorg. III. Doch bij deze waarschuwingen voegt hij een woord van troost, vers 13. Ofschoon zelfvertrouwen God mishaagt, kan wanhoop Hem. niet behagen. Indien het eerste grote zonde is, de laatste is ver van onschuldig. Ofschoon wij moeten vrezen en zorg dragen van niet te vallen, moeten we niet verschrikt en verbijsterd zijn, want of onze verzoekingen zullen geëvenredigd zijn aan onze kracht, of onze kracht zal vermeerderd worden naarmate van onze verzoekingen. Wij leven in een wereld van verzoeking, die voortdurend tracht ons in haar garen te vangen. Elke plaats, omstandigheid, betrekking, werkkring en genoegen brengt ons met haar in aanraking, maar welken troost mogen we dan putten uit deze uitspraak. Want:
1. Ulieden, zegt de apostel, heeft gene verzoeking bevangen dan menselijke, dat is, zulke als ge kunt verwachten van mensen, die heidenen zijn, of: zulke als in dezen tijd iedereen overkomen, of: zulke als door den geest en de beslistheid van iedere mens kunnen verdragen worden. De verzoekingen der gewone Christenen zijn slechts gewone verzoekingen, anderen hebben gelijken last en gelijke beproeving, wat zij dragen en te boven komen kunnen, kunnen wij ook.
2. God is getrouw. Satan zij een bedrieger, maar God is getrouw. Mensen mogen vals zijn en de wereld zij vals, maar God is getrouw, en onze sterkte en zekerheid zijn in Hem. Hij houdt Zijn verbond, en de hoop en het vertrouwen Zijner kinderen zal Hij nooit teleurstellen.
3. Hij is zo wijs als getrouw, en zal onzen last naar onze kracht berekenen. Hij zal ons niet laten verzocht worden boven hetgeen wij vermogen. Hij weet wat wij dragen en wat wij weerstaan kunnen, en Hij zal, in Zijn wijze voorzienigheid, of onze beproevingen evenredig maken aan onze kracht of ons bekwaam maken om ze te overwinnen. Hij zal zorg dragen dat wij niet onderliggen, indien we ons slechts op Hem verlaten met het vaste voornemen om Hem getrouw te blijven. Wij behoeven ons niet te laten neerslaan door de moeilijkheden op onzen weg, want God zal zorg dragen dat zij niet te groot zullen zijn voor ons om ze te doorstaan, voornamelijk:
4. Omdat Hij zal bewerken dat de uitkomst goed is: Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, uitkomst uit de verzoeking of uit haar schadelijke werking. Er is geen dal zo donker of Hij weet er den weg door te vinden, geen droefenis zo zwaar of Hij kan ze voorkomen, of verdrijven, of ons in staat stellen om ze te dragen, en ze ten slotte tot ons voordeel veranderen.
IV. En op deze overweging steunt hij een nieuwe waarschuwing tegen de afgoderij. Daarom, mijne geliefden, vliedt van den afgodendienst.
1. Hij noemt hen zijne geliefden. Uit tedere toegenegenheid geeft hij hun dringend dezen raad.
2. Vliedt van den afgodendienst, verafschuwt dien. Afgodendienst is de snoodste belediging van den waren God, het is de Hem verschuldigde aanbidding en verering overdragen op een ander.
3. De grondslag van dezen raad. "Ziende welke bemoediging gij hebt om God te vertrouwen en Hem trouw te zijn, toont uzelven mannen, die niet geschokt worden door enige ontmoediging, welke uw heidense vijanden u aandoen. God zal u ondersteunen en bijstaan, u in uw beproevingen helpen en u er door helpen, wordt daarom niet schuldig aan enige afgodische inschikkelijkheid. Wij allen ontvangen de bemoediging om de zonde te vlieden en Gode getrouw te blijven. Wij kunnen niet door enige verzoeking vallen, indien we ons aan Hem vasthouden.