1. De last, de rechterlijke uitspraak van God (
Jesaja 13:1), dien Hij Zijnen Profeet in een gezicht heeft meegedeeld van Ninevé, over den ondergang van de hoofdstad van het goddeloze, vijandige wereldrijk Assyrië. Het Boek des gezichts van Nahum, d. i. den troostvolle, zo als hij dan ook aan het volk Gods in de verdrukking door de wereldmacht waren troost bracht, den Elkosiet, (= God mijn boog), uit een dorpje in het noordelijk rijk, het latere Galilea. Nog ten tijde van den kerkvader Hiëronymus (400 n. C.) bestond het, en werd het door hem bezocht. Van daar was Nahum na de verwoesting van het rijk door Salmanassar heengegegaan, en had te Jeruzalem de nu volgende openbaringen ontvangen.
Vele uitleggers nemen aan, dat onder Elkos moet worden verstaan het aanzienlijke Christendorp Alkusch, dat aan gene zijde van den Tiger, twee dagreizen van Mozul gelegen is, zodat Nahum een onder Salmanassar verbannen burger van het rijk van Israël is geweest, en hier in Assyrië de openbaring over Ninevé's ondergang ontvangen heeft. Het grafteken van Nahum echter, dat men daar in Alkusch nog toont, is zeker even zo onecht als dat van Jona bij Ninevé. Daarentegen is waarschijnlijk, dat het eerst in de 16de eeuw vermelde dorp zijn naam uit het eerste vers van ons Boek heeft ontvangen, vooral daar het grafteken niets ouds aan zich draagt. Veel geloofwaardiger daarentegen is het bericht, door Hiëronymus meegedeeld. Nahum is dus een burger van het rijk van Samaria, en heeft zich na de verwoesting daarvan waarschijnlijk te Jeruzalem nedergezet, daar zijne troostwoorden steeds tot Juda, maar nooit tot de verbannenen van het noordelijk rijk in Assyrië gericht zijn. Even oneens als over de ligging van Nahum's geboorteplaats zijn de uitleggers ten opzichte van den tijd, in welken hij zijne voorzegging heeft uitgesproken. Velen, voor wie voorzegging niet veel meer dan politiek vermoeden en menselijke scherpzinnigheid is, beweren dat deze zo bepaalde, bijzondere voorzegging van Ninevé's val niet langer dan 30 jaren vóór die gebeurtenis plaats had, omstreeks het jaar 630 v. C. toen reeds de oorlogen der Meden en Babyloniërs tegen het Assyrische rijk begonnen, zou kunnen zijn ontstaan. Voor ons is echter alle profetie, ook deze, ene onmiddellijke openbaring Gods: wij kunnen daarom den tijd van den oorsprong niet daarvan afhankelijk maken, dat reeds de beginselen van alles, wat voorzegd is, zichtbaar moeten zijn, zodat een helder verstand reeds in staat kon zijn, daaruit besluiten omtrent de toekomst te maken. Daar dat vreselijk lot van Juda door den koning Sanherib van Assyrië, die het rijk aan den rand des afgronds bracht, en de merkwaardige nederlaag van het Assyrische leger voor Jeruzalems muren, welke aan dat lot een einde maakte, onzen Profeet in zijne profetie nog vers in het geheugen ligt, en door hem als reeds geschied verondersteld wordt, zo is het waarschijnlijkst, dat Nahum juist tengevolge van dien Assyrischen inval tot vertroosting der ware gemeente Gods en van den vromen koning Hizkia zijne profetie van God heeft ontvangen, en dus in de tweede helft van Hizkia's regering (tussen 710, 699 v. C.) zijn Boek geschreven heeft (2 Koningen 19:37). De gehele indruk, dien het Boek in den voortdurenden stroom van hoog verhevene taal en van zijne klassieke, krachtige, heldere en zuivere spraak maakt, doet denken, dat Nahum zijne profetie niet in ééne rede openlijk heeft voorgedragen, maar alleen ter nedergeschreven en als boek openbaar gemaakt heeft. Tot beter verstaan der voorzegging van ons Boek is het nodig, dat wij ons nog kortelijk den geschiedkundigen toestand voorstellen. Meer dan 500 jaren was Ninevé onder zijne machtige heersers de schrik van geheel West-Azië geweest. Assyrië was het eerste wereldrijk, dat tegenover het rijk Gods als zodanig ene vijandige houding aannam, welke de Heere in Zijn plan daartoe ten nutte maakte, dat het Hem ten stok voor Zijn volk diende. Reeds was het rijk van Israël door Salmanasser in 722 v. C. verwoest, toen spoedig daarop zijn opvolger Sanherib zich ook tegen Juda keerde, om daarvoor hetzelfde lot te bereiden. Hier was echter op den verschrikkelijken Achaz zijn voortreffelijke zoon Hizkia gevolgd; deze had met heiligen ernst het gehele land van afgodendienst gereinigd en des Heeren dienst weer als vroeger hersteld. De tijd van het gericht was voor Juda nog niet aanwezig. Hizkia ondervond het integendeel, dat, zodra Gods volk zich aan zijnen God vasthield, de wereldmacht er niets tegen kon uitrichten; integendeel de boeien, die het reeds waren aangebonden, verbroken werden. Hizkia weigerde in stouten geloofsmoed den groten koning der Assyriërs, die op het toppunt van macht stond, de schatting, welke hij sedert Achaz had moeten betalen. Toen nu de legers van Sanherib naderden, om den geringen koning tot gehoorzaamheid te dwingen, werd Hizkia eerst zwak; hij onderwierp zich en kocht voor grote schatten een ogenblikkelijken vrede. Maar de Assyriër gaf zijn voornemen, om Juda eveneens te behandelen als Samaria, niet op, en spoedig verscheen een machtig leger voor Jeruzalem. De lasteringen van den naam des Heeren uit den mond van den koning Sanherib wekten eerst Hizkia op, en hij wendde zich met zijne ganse ziel tot den Heere, wiens hulp hij ook rijkelijk ondervond. De Engel des Heeren zelf sloeg het leger der Assyriërs zo, dat des morgens rondom Jeruzalem de lijken gezaaid lagen, en de koning zo spoedig mogelijk naar Ninevé vluchtte. De Heere zelf had gericht tussen Zijn rijk en volk, en het wereldrijk, en met deze wonderbare gebeurtenis begon het gericht over Assyrië, welks einde door de verwoesting van Ninevé in het jaar 606 v. C. plaats had, en door Nahum duidelijk werd voorzegd. Assyrië zou het gericht niet over Juda uitoefenen, want het was zelf rijp ten gerichte. Reeds onder Sardanapalus I had de Heere het door den profeet Jona Zijn gericht der verwoesting laten aankondigen, en alleen de bekering van koning en volk ten gevolge van Jona's zending had den tijd van zijn ondergang verschoven. Nu was echter de maat zijner zonden vol. Tegen het midden van de 8ste eeuw, toen in het uiterste westen de Romeinen aan het strand van den Tiber den grond legden voor hun stad en wereldheerschappij, verhieven zich de krachtige Meden en Perzen, tot hiertoe Assur vazallen, tegen hun onderdrukkers, en vonden in die nederlaag van Sanherib voor Jeruzalem ene aanmoediging, om het gehate juk af te schudden. Spoedig voegde zich bij de overige vijanden van het steeds meer zinkende Assur ook Babel, dat tot hiertoe steeds vergeefs geworsteld had, om zijne vroegere heerschappij weer te verkrijgen, en steeds weer door Assyrië was neergeworpen. Steeds werd de stoutheid der spoedig met elkaar verbondene Babyloniërs, Meden en Perzen groter, en eindelijk zonk de machtige stad na ene belegering van drie jaren in puin, het koninklijk paleis met den koning Sardanapalus II, zijne familie en zijne schatten ging in vlammen op, om Babel als zijn erfgenaam in de wereldheerschappij achter te laten. De betekenis van Nahum's profetie is echter geenszins bloot ene geschiedkundige. Ook is het niet, dat daarin alleen de rechterlijke werkzaamheid van God, den Heere der heirscharen wordt geschilderd. Juist zegt Staudt daaromtrent: "God is voorgesteld als de Heilige, die elke zelfverheffing, eigene macht en geweld met brandenden ijver vernietigt, en daartoe de elementen van hemel en aarde in beweging brengt, die echter Zijne majesteit gebruikt om de Zijnen onder de stormen te beschermen, en het gericht der vijanden tot redding van Zijn volk te laten dienen. Wanneer de vijanden onder hun eigene afgoden, op welke zij steunen, als onder een puinhoop begraven zijn, dan stijgen de boden des vredes op de bergen om Israël zegen te prediken. " Wij mogen niet vergeten, dat voor Gods ogen Assur slechts vertegenwoordigster is van de Gode vijandige wereldmacht. Wat dus hier Nahum van Assur zegt, is van ieder wereldrijk waar, zal zich eens in den volsten zin omtrent het rijk van den Antichrist herhalen, en dan volkomen vervuld worden. Nahum ziet den volledigen val van de wereldmacht, die verdrukster van het rijk Gods, en de bevrijding van het laatste van alle tirannie. Daarom behoudt Nahum voor alle tijden van het Godsrijk zijne grote betekenis, en de vervulling zijner profetie duurt, even als alle profetie, tot aan het einde, wanneer het rijk geheel geworden is Godes en Zijne Christus. Eerst van hier is recht te begrijpen hoe Nahum zijnen naam van trooster niet alleen voor Hizkia en zijnen tijd, maar voor het volk Gods van alle tijden met volle recht draagt.
2.
I. Vers 2-14. De Profeet gaat, om aan de Assyrische wereldmacht het gericht Gods aan te kondigen niet uit van ene geschiedkundige gebeurtenis, maar van de wet des Heeren, waarin Hij Zich als een ijverig God en een Wreker van alle goddeloosheid geopenbaard heeft. Vooraan plaatst hij de schildering der rechterlijke gerechtigheid en heiligheid Gods, welke wel lankmoedig is, maar de tegenpartijders verteert en het koude ijs der vermetele zondaars versmelt, opdat het iedereen duidelijk worde, dat de vernietiging van Assur en Ninevé ene noodzakelijkheid voor God en zijn goddelijk wezen, en daarom ontwijfelbaar zeker is. (vers 1-6). Terwijl echter de toorn en het gericht van God, die ook over alle elementen des hemels en der aarde gebied voert Zijne vijanden treft zal Zich de Heere betonen aan allen, die Op Hem vertrouwen, ene toevlucht in nood en vervolging. Wee daarentegen den hoogmoed dezer wereld! Tegen haar zendt Hij de verwoestende macht van enen overstromenden watervloed, en verdelgt ze met de verschrikkingen der duisternis. Tegen Hem baat geen verstand, voor altijd zal Hij aan Ninevé, de stad der zonde een einde maken, en haar door vuur en water verwoesten. (Vers 7-11). Te vergeefs zal Assur zich verheffen op de zo talrijke schaar van helden; die zal door Hem worden weggemaaid. Dat alles doet de Heere, om Zijn volk Israël, dat genoeg is verdrukt, vrij te maken van het juk zijns benauwers (Vers 12-14).