14. Doch tegen u, o volk van Assur! heeft de HEEREvast besloten, en bevolen, 1) dat er van uwen naam niemand meer gezaaid zal worden, maar uw volk en zijne gedachtenis verdelgd zal worden; uit het huis uws gods zal Ik uitroeien de gesnedene en gegotene beelden; Ik zal u daar een graf maken, gij zult met al uwe goden en met al uw volk wegzinken, als gij zult veracht zijn geworden, als gij te licht zult zijn bevonden (gewogen op de weegschaal Mijner gerechtigheid).
1) God heeft het aldus besloten, wil hij zeggen, dat er geen herinnering aan uw naam overblijve. Want van iemands naam zaaien, is zijn gerucht verbreiden Wanneer dus God enig zaad geheel doet verdwijnen van de aarde, of ook, wanneer Hij enig volk vernietigt, dat is dan, opdat er geen verbreiding van zijn naam meer zou plaats hebben.
God beveelt over u, opdat, wat over u komt, niet toevallig kome, en door enen anderen rechter, maar opdat gij het na aankondiging van God ondergaat.
2) De zeer verbreide mening dat Nahum hier het vermoorden van koning Sanherib in den afgodstempel te Ninevé (Jesaja 37:38. 2 Koningen 19:37 voorzegt, is met den Hebreeën grondtekst onverenigbaar, ook zinspeelt de Profeet niet op deze gebeurtenis.
De zes laatste Profeten hebben hoofdzakelijk ten deel, het volk Gods onder het werkelijk komen en den druk der gerichten nog op te richten en hun te tonen, hoe de ijver Gods over hen wel groot is, maar Zijn toorn over de vijanden nog veel zwaarder zou zijn, en hoe God, nadat de tuchtiging haar doel bereikt heeft, het hunnen vijanden zal vergelden, daarentegen hun ten goede aan Zijn verbond zal denken.
15.
II. Vers 15-Hoofdst 2:13. Nadat de Profeet in het vorige hoofdstuk de nabijzijnde verwoesting van Ninevé als ene daad van den Goddelijken ijver tegen de vijanden van Zijn rijk, en van Goddelijke goedheid en barmhartigheid jegens de Zijnen heeft aangekondigd, ziet hij nu in den geest de stad reeds verwoest, en schildert hij de toedracht der katastrofe tot aan het ontzaglijk einde van de gehele verwoesting der plaatsen op de levendigste wijze. De schildering begint met ene vertroostende aanspraak, een lichtstraal voor het volk Gods midden in den naderenden nacht des gerichts voor Ninevé. Hij ziet vreugdeboden van Ninevé over de bergen ijlen, om aan het volk van God te verkondigen, dat zijne verlossing van de Gode vijandige wereldmacht is gekomen, en het nu ongehinderd zijnen God kan dienen. De Heere zal nu de heerlijkheid van Zijn rijk weer herstellen. Vervolgens begint de Heere Ninevé's verwoesting van het begin af voor te stellen. Hij ziet een machtig, strijdlustig leger tegen de stad aantrekken, waaraan zij geen weerstand kan bieden, omdat de Heere besloten heeft aan de onderdrukking van Zijn volk een einde te maken. (Vers 1-5). Wel beproeven de Assyriërs den bestormenden aanval der vijanden tegen te houden; maar het is alles te vergeefs, de stad wordt veroverd, de menigte harer bewoners vliedt vol smart en schaamte, en de rijkste buit valt in handen der plunderende vijanden (Vers 6-11). De plaatsen, waar Ninevé eens stond, waarheen eens zijne roofzuchtige beheersers, als leeuwen, de geroofde schatten der volken zamensleepten, is nu woest en ledig geworden (Vers 12-14).