Leviticus 14:1-9
I. Hier wordt verondersteld dat de plaag van de melaatsheid niet ongeneeslijk was. Die van Uzzia bleef hem wel bij tot aan de dag van zijn dood, en die van Gehazi ging erfelijk over op zijn zaad, maar die van Mirjam duurde slechts zeven dagen. Wij kunnen veronderstellen dat zij dikwijls na verloop van tijd uitsleet, ofschoon God lang twist, zal Hij toch niet eeuwig twisten.
II. Het oordeel over de genezing, zowel als over de plaag, was aan de priester overgelaten Hij moest naar de melaatse buiten het leger gaan, om te zien of hij van zijn melaatsheid genezen was, vers 3. En wij kunnen veronderstellen dat de priester niet, zoals een gewoon persoon, ceremoniële onreinheid opdeed door tot de melaatse te naderen. Het was in barmhartigheid jegens de arme melaatsen, dat de priesters orders hadden om tot hen te gaan want de lippen van de priester zullen de wetenschap bewaren, en zij, die beproefd en in benauwdheid zijn, hebben het nodig onderricht te worden, beide hoe hun beproeving te dragen en hoe er nut en voordeel uit te trekken, hebben behoefte aan het woord om in samenwerking met de roede, hen tot berouw en bekering te brengen, daarom is het goed voor hen die ziek zijn om deze gezanten van de Heere der heirscharen bij zich te hebben, deze uitleggers, om hun Gods oprechtheid te tonen, Job 33:23. Als de melaatse buitengesloten was, en niet tot de priesters kon gaan, dan was het goed dat de priesters tot hem mochten komen. "Is iemand ziek? Dat hij tot zich roepe de ouderlingen," de leraren, Jakobus 5:14. Indien wij het toepassen op de geestelijke melaatsheid van de zonde, dan geeft het te kennen dat wij, als wij ons terugtrekken van hen, die een onordelijk leven leiden, opdat zij zich schamen, hen toch niet als vijanden moeten beschouwen, maar hen als broeders moeten vermanen, 2 Thessalonicenzen 3:15, en ook, dat als God door Zijn genade hen tot bekering heeft gebracht, die wegens ergernis buiten de gemeenschap gesloten waren, wij hen met tederheid, en blijdschap en oprechte liefde weer in gemeenschap moeten opnemen. Aldus heeft Paulus betreffende de Corinthiër, die in de ban gedaan was, bevolen dat zij, toen hij blijken had gegeven van zijn berouw, hem moesten vergeven en vertroosten en "de liefde aan hem bevestigen," 2 Corinthiërs 2:7, 8. En aan leraren is door onze Meester de macht opgedragen om te ontbinden, zowel als te binden, beide moeten met grote voorzichtigheid gedaan worden en na rijp beraad, onpartijdig en zonder aanzien des persoons, met vurig gebed tot God om door Hem geleid en bestuurd te worden, en met de oprechte begeerte het lichaam van Christus op te bouwen, behoorlijk zorg dragende, dat de zondaars niet aangemoedigd worden in hun zonde door al te veel toegevendheid en zachtheid, noch berouwhebbenden ontmoedigd worden door overmatige strengheid. Wijsheid en oprechtheid zijn nuttig tot bestiering in zulke gevallen.
III. Indien werd bevonden dat de melaatsheid genezen was, dan moest dit met grote plechtigheid door de priester verklaard worden. De melaatse, of zijn vrienden, moesten twee vogels bereid houden, die voor dat doel gevangen waren, (de een of andere soort van wilde, doch reine vogels) en cederhout, en scharlaken en hysop, want die alle moesten voor deze plechtigheid gebruikt worden.
1. Er moest een mengsel gemaakt worden van bloed en water, om er de melaatse mee te besprengen. Een van de vogels (en de Joden zeggen, dat als zij verschillend waren, het de grootste en beste moest wezen) moest geslacht worden boven een aarden vat met levend water opdat het bloed van de vogel het water zou kleuren. Dit (evenals sommige andere afbeeldingen) werd vervuld in de dood van Christus, toen er uit Zijn doorstoken zijde "water en bloed" kwam, Johannes 19:34. Zo komt Christus in de ziel tot haar reiniging en genezing, niet door het "water alleen, maar door het water en het bloed" 1 Johannes 5:6. 2. De levende vogel moet met een weinig scharlaken wol en een bundeltje hysop bevestigd worden aan een cederhouten stok, gedoopt in het water en bloed, dat dan gesprengd moet worden op de te reinigen persoon, vers 6, 7. Het cederhout betekende de herstelling van de melaatse tot gezondheid en kracht want dat is een soort hout, die niet aan verrotting onderhevig is. De scharlaken wol betekende de terugkeer voor hem van een bloeiende gelaatskleur, want de melaatsheid maakte hem wit als sneeuw. En de hysop duidde op de wegneming van de onaangenamen reuk, waarvan melaatsheid gewoonlijk vergezeld ging. De ceder, de statigste boom, en de hysop het nietigste plantje, zijn hier tezamen gebruikt in deze dienst-zie 1 Koningen 4:33, want die van de laagste rang zijn in de kerk kunnen op hun plaats even nuttig zijn, als zij die de hoogste plaats innemen, 1 Corinthiërs 12:21. Sommigen zien in de geslachte vogel een beeld van Christus, stervende voor onze zonden, en in de levende vogel een beeld van Christus, opgestaan tot onze rechtvaardigmaking. Het dopen van de levende vogel in het bloed van de geslachte vogel gaf te kennen dat het de verdienste was van Christus' dood, die Zijn opstanding van kracht maakte voor onze rechtvaardigmaking. Hij nam Zijn bloed met zich in het heilige, en verscheen daar als een lam, zijnde geslacht. De ceder, het scharlaken en de hysop moeten alle in het bloed gedoopt worden, want het woord en de inzettingen en al de werktuigen van de Geest ontvangen de kracht tot reiniging van het bloed van Christus. De melaatse moest zeven maal besprengd worden, om een volkomen reiniging aan te duiden. Hierop zinspelende zegt David: Was mij wel, Psalm 51:4. Aan Naäman werd bevolen zich zeven maal te wassen, 2 Koningen 5:10.
3. De levende vogel werd dan losgelaten in het open veld, om aan te duiden, dat de melaatse, gereinigd zijnde, nu niet langer onder bedwang of beperking was, maar de vrijheid mocht nemen om te gaan waar hij wilde. Maar waar dit aangeduid werd door de vlucht van een vogel hemelwaarts, was dit voor hem een wenk om nu voortaan de dingen te zoeken, die boven zijn, en dit nieuwe leven, dat God hem gegeven heeft, niet door te brengen in een bloot zoeken en najagen van aardse dingen. Dit was een beeld van de heerlijke vrijheid van de kinderen Gods, waartoe zij gekomen zijn, van wie de harten door genade gereinigd zijn van het kwaad geweten. Zij, van wie de ziel tevoren "in het stof was neergebogen," Psalm 44:26, in smart en vrees, vliegen nu in het open firmament des hemels, verheffen zich opwaarts op de vleugels van geloof en hoop, van heilige liefde en blijdschap.
4. Hierop moest de priester hem rein verklaren. Het was nodig dat dit met grote plechtigheid geschiedde, opdat de melaatse zelf diep doordrongen zou zijn van de barmhartigheid Gods in zijn herstel, en opdat anderen weer gerust met hem zullen omgaan. Christus is onze priester, aan wie de Vader al het oordeel heeft overgegeven, inzonderheid het oordeel over melaatsheid. Door Zijn eindoordeel zullen onboetvaardige zondaren zich hun eeuwig deel zien toegewezen met de onreinen, Job 36:14, buiten de heilige stad, en allen, die door Zijn genade gereinigd en genezen zijn zullen ontvangen worden in het leger van de heiligen, waarin niets dat onrein is zal binnenkomen. Diegenen zijn waarlijk rein die door Christus rein worden verklaard, en zij behoeven geen acht te slaan op hetgeen de mensen van hen zeggen. Christus was het einde van deze wet tot rechtvaardigheid, daar Hij echter in de dagen van Zijn vlees onder de wet is geworden, die toen nog niet opgeheven was, gebood Hij aan de melaatsen, die Hij wonderdadig had genezen, heen te gaan en "zich aan de priester te vertonen, en de gave te offeren, die Mozes geboden heeft," Mattheus 8:4, Lukas 17:14. Het beeld moet in stand blijven, totdat het tegenbeeld er aan beantwoordt.
Eindelijk. Als de melaatse rein verklaard was, dan moest hij zijn lichaam en zijn kleren wassen, en al zijn haar afscheren, vers 8, en dit, na nog zeven dagen buiten het leger gebleven te zijn, herhalen, vers 9. Daar de priester hem rein verklaard heeft van de ziekte, moet hij zich nu nog zoveel mogelijk reinigen van de overblijfselen er van, evenals van alle andere verontreiniging, en hij moet er de tijd voor nemen om dit te doen. Zo moeten ook zij, die de vertroosting hebben van de vergeving van hun zonde door de besprenging met het bloed van Christus op hun geweten zich met de uiterste omzichtigheid reinigen van alle besmetting van het vlees en de geest, en zich reinigen van hun vorige zonden, want een ieder, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf.