Mattheus 27:11-25
Wij hebben hier het bericht van hetgeen er voorviel in het rechthuis van Pilatus, toen de gezegende Jezus daar vroeg in den morgen werd heengebracht. Hoewel het geen dag was voor de zitting van het hof, heeft Pilatus toch terstond de zaak voor zich laten komen. Wij hebben hier:
I. Het verhoor van Christus voor Pilatus.
1. Zijne terechtstelling. Jezus stond voor den stadhouder als een gevangene voor den rechter. Vanwege onze zonde konden wij voor God niet staan, noch ons hoofd opheffen in Zijne tegenwoordigheid, indien Christus niet aldus zonde voor ons ware gemaakt. Hij was beschuldigd, opdat wij vrijgesproken zouden worden. Sommigen denken, dat dit ziet op Zijne kloekmoedigheid, Hij stond daar onverschrokken, onbewogen door al hun woeden. Zo stond Hij in het oordeel, opdat wij in Gods oordeel zouden kunnen staan. Hij stond daar als een schouwspel, gelijk Naboth, die toen hij beschuldigd werd in de hoogste plaats des volks gesteld werd.
2. De aanklacht tegen Hem: Zijt gij de koning der Joden? De Joden stonden thans niet slechts onder het bestuur, maar ook onder het zeer achterdochtig toezicht van de Romeinse overheden, waarvan zij zelven in de hoogste mate afkerig waren, maar toch wendden zij thans groten ijver voor, voor deze regering, Jezus beschuldigende van een vijand des keizers te zijn, Lukas 23:2, waarvan zij echter geen ander bewijs konden bijbrengen, dan dat Hij zich onlangs als den Christus had bekend. Nu dachten zij, dat wie de Christus was, de koning der Joden moest zijn, en hen uit de Romeinse macht moest verlossen, de wereldlijke heerschappij voor hen zou herstellen, en hun de macht zou geven om hun naburen onder hun voeten te vertreden. In overeenstemming met deze hersenschim beschuldigden zij onzen Heere Jezus zich tot koning der Joden te willen opwerpen in tegenstand tegen het Romeinse juk, terwijl Hij, hoewel zeggende dat Hij de Christus was, toch niet zulk een Christus bedoelde. Velen staan den heiligen Godsdienst van Christus tegen uit een verkeerd begrip van dien Godsdienst, zij stellen zich dien voor in valse kleuren, en dan gaan zij hem bestrijden. Daar zij den stadhouder verzekerden, dat zo Hij zich den Christus noemt, Hij zich daarmee ook tot koning der Joden opwerpt, neemt de stadhouder aan als een bewezen feit, dat Hij rondgaat om de natie te verderven en de regering omver te werpen.
Zijt gij een koning? Het was duidelijk, dat Hij dit niet was de facto, feitelijk, " Maar maakt gij aanspraak op de regering, denkt gij het recht te hebben om over de Joden te heersen?" Het is dikwijls het harde lot geweest van Christus' heiligen Godsdienst om onrechtvaardig onder verdenking te komen bij de burgerlijke overheid alsof hij schadelijk en nadelig was voor koningen en landen, terwijl hij integendeel uiterst voordelig en weldadig er voor is.
3. Zijn antwoord: Jezus zei tot hem: " Gij zegt het. Het is zoals gij zegt, maar niet zoals gij het bedoelt. Ik ben een koning, maar niet zulk een koning als gij denkt. Aldus heeft Hij voor Pilatus de goede belijdenis betuigd en heeft zich niet geschaamd zich een koning te noemen, hoe bespottelijk dit ook scheen, noch heeft Hij gevreesd zich aldus te noemen, hoewel dit toen zo gevaarlijk was.
4. Het bewijs, vers 12, Hij werd van de overpriesters en ouderlingen beschuldigd. Pilatus vond gene schuld in Hem. Wat er ook gezegd werd, er werd niets bewezen, en wat er dus ontbrak aan bewijzen, vulden zij aan door schreeuwen en geweld. Zij volgden Hem met herhaalde beschuldigingen, maar door de herhaling werd er geloof aan gewerkt bij den stadhouder. Zij hadden geleerd niet slechts te lasteren, maar zeer krachtig en aanhoudend te lasteren. De beste mensen zijn dikwijls beschuldigd van de ergste misdaden.
5. Het stilzwijgen van den gevangene op de beschuldigingen Zijner vervolgers. Hij antwoordde niets.
a. Omdat dit niet nodig was, er werd gene beschuldiging aangevoerd, die zich niet zelf weerlegde.
b. Hij hield zich nu bezig met de grote zaak, die tussen Hem en Zijn Vader lag, aan wie Hij zich overgaf als een offer, om aan de eisen Zijner gerechtigheid te voldoen, en hiervan was Hij zo gans en al vervuld, dat Hij zich niet stoorde aan hetgeen zij tegen Hem inbrachten.
c. Zijne ure was gekomen, en Hij onderwierp zich aan den wil des Vaders: Niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt. Hij wist wat de wil des Vaders was, en daarom heeft Hij. zich stilzwijgend overgegeven aan dien, die rechtvaardiglijk oordeelt. Wij moeten door ons stilzwijgen ons leven niet wegwerpen, want wij zijn geen heer van ons leven, zoals Christus van het Zijne was, ook kunnen wij niet, evenals Hij, weten of onze ure gekomen is. Maar wèl hebben wij hieruit te leren, om als wij gescholden worden niet weer te schelden, 1 Petrus 2:23. Pilatus drong Hem te antwoorden, vers 13, Hoort gij niet, hoe vele zaken zij tegen u getuigen? Wat die zaken waren kunnen wij zien in Lukas 23:3, 5 en Johannes 19:7. Pilatus, die geen slechte gezindheid jegens Hem koesterde, wenste dat Hij zich zou ontschuldigen of verdedigen, hij dringt Hem hiertoe, en hij gelooft dat Hij het kan. Hoort gij niet? Ja, Hij hoorde, en nog hoort Hij alles wat onrechtvaardiglijk tegen Zijn waarheid en weg wordt getuigd. Máar Hij zwijgt, omdat het de dag is van Zijne lankmoedigheid en Hij antwoordt niet, zoals Hij weldra antwoorden zal, Psalm 50:3. Hij verwonderde zich over Zijn stilzwijgen, dat hij niet verklaarde als minachting van het hof, maar als ene geringschatting van zich zelven. Daarom wordt niet gezegd dat Pilatus hierom vertoornd is, maar wel dat hij er zich zeer over verwonderde, als over iets buitengewoons. Hij geloofde Hem onschuldig, en hij had wellicht wel eens gehoord, dat nooit een mens gesproken heeft gelijk deze mens, en daarom kwam het hem vreemd voor, dat Hij geen woord voor zich zelven te zeggen had. Nu hebben wij:
II. Het honend geweld des volks in hun aanhouden bij den stadhouder om Christus te kruisigen. De overpriesters hadden groten invloed op het volk, zij noemden hen Rabbi, Rabbi, maakten een afgod van hen, en hoorden alles wat zij zeiden aan alsof het Godsspraken waren. Hiervan maakten zij gebruik om hen tegen Hem op te zetten, en zo hebben zij dan met behulp van het gepeupel hun zin doorgedreven. Nu hebben wij hier twee voorbeelden van hun beledigend geweld.
1. Zij gaven de voorkeur aan Barabbas boven Hem, wilden liever dat deze zou losgelaten worden dan Jezus.
a. Het scheen ene gewoonte geworden te zijn bij de Romeinse stadhouders om den Joden ter wille te zijn door hun ter ere van het Paasfeest een gevangene los te laten, vers 15. Dit, dachten zij, eerde het feest, en paste bij de herdenking van hun bevrijding, maar dit was een verzinsel van hen, doch geen Goddelijke inzetting, hoewel sommigen denken dat het een zeer oud gebruik was, reeds in zwang onder de Joodse koningen, voordat het land nog ene provincie van het Romeinse rijk was geworden. Het was echter een slechte gewoonte, een hindernis voor de gerechtigheid, en een aanmoediging van goddeloosheid. Maar ons EvangeliePascha wordt gevierd door de bevrijding van gevangenen door Hem, die macht heeft op de aarde de zonden te vergeven.
b. De gevangene, in mededinging gebracht met onzen Heere Jezus, was Barabbas. Hij wordt hier een welbekende gevangene genoemd, vers 16, hetzij omdat hij door geboorte en opvoeding als een welbekend persoon gold, of wel omdat hij zich door iets buitengewoons in het bedrijven zijner misdaden had gekenmerkt. Of hij nu welbekend was op een wijze, of om een reden, die hem in de gunst des volks aanbeval, of hem blootstelde aan hun woede, is onzeker. Sommigen denken het laatste, en dat Pilatus hem daarom noemde, wijl hij het voor zeker hield, dat zij de loslating van ieder ander boven de zijne zouden verkiezen. Verraad, moord en oproer zijn de drie ergste misdaden, die gewoonlijk door het zwaard der gerechtigheid worden gestraft, en Barabbas had zich aan alle drie schuldig gemaakt, Lukas 23:19, Johannes 18:40. Een welbekende gevangene voorwaar, wiens misdaden zo velerlei waren!
c. Het voorstel werd gedaan door Pilatus, den stadhouder, vers 17, Welken wilt gij, dat ik u zal loslaten? De rechter had waarschijnlijk het recht twee voor te dragen, uit welke het volk dan een te kiezen had. Pilatus stelde hun voor Jezus los te laten, hij was overtuigd van Zijne onschuld, en dat de vervolging uit kwaadwilligheid plaatshad. Toch had hij den moed niet Hem op eigen gezag vrij te spreken, dat hij had behoren te doen, hij wilde Hem in vrijheid laten stellen door de keuze des volks, en zo hoopte hij dan zijn eigen geweten te bevredigen en ook voldoening te geven aan het volk, terwijl hij, geen schuld in Hem vindende, Zijn leven niet in gevaar had moeten brengen, door het van de volkskeuze te laten afhangen, of Hij al of niet losgelaten zou worden. Maar zulke kunstgrepen om de zaken te schikken en te plooien, het geweten te bevredigen en de wereld te vriend te houden, worden gewoonlijk te baat genomen door hen, die meer de mensen zoeken te behagen dan God. Wat zal ik dan doen met Jezus, die genaamd wordt Christus? Hij herinnert het volk er aan, dat deze Jezus, wiens loslating hij hun voorstelt, door sommigen van hen voor den Messias werd gehouden, en dat Hij zulke gewichtige en nadrukkelijke bewijzen had gegeven, dat Hij dit ook werkelijk was. "Verwerp Hem niet, van wie uw volk zulk ene verwachting heeft beleden." De reden, waarom Pilatus zich zo beijverde om Jezus' vrijlating te verkrijgen, was, dat hij wist dat de overpriesters Hem door nijdigheid overgeleverd hadden, vers 18, dat het niet Zijne schuld of misdaad, maar Zijne goedheid was, waaraan zij zich ergerden, en daarom hoopte hij Hem vrij te krijgen door de daad des volks. Toen David benijd werd door Saul, was hij de lieveling van het volk, en ieder, die de hosanna's had gehoord, waarmee Jezus slechts weinige dagen tevoren bij Zijne intrede in Jeruzalem door het volk werd begroet, zou gedacht hebben, dat Hij evenzo bij het volk bemind was, en dat Pilatus zich hieromtrent dus veilig tot het volk kon wenden, inzonderheid als zo berucht een misdadiger de mededinger was naar hun gunst. Maar de uitkomst bleek anders.
d. Terwijl Pilatus aldus werkte voor de zaak, werd hij gesterkt in zijn onwil om Jezus te veroordelen door ene boodschap, die hem door zijne vrouw werd gezonden, vers 19, ene boodschap, die ene waarschuwing inhield: Heb toch niet te doen met dien rechtvaardige, want ik heb heden veel geleden in den droom om zijnentwil. Die boodschap is aan Pilatus waarschijnlijk openlijk meegedeeld, zodat allen, die tegenwoordig waren het hoorden, want zij was bedoeld als ene waarschuwing, niet slechts aan hem, maar ook aan de vervolgers. Merk op: De bijzondere voorzienigheid Gods in het zenden van dien droom aan Pilatus' huisvrouw. Het is niet waarschijnlijk, dat zij tevoren iets omtrent Christus gehoord had, tenminste niet iets, dat dromen bij haar kon doen ontstaan, maar die droom kwam onmiddellijk van God. Wellicht was zij een der Godsdienstige en eerlijke vrouwen, die dus wel enig besef had van Godsdienst, maar God heeft zich door dromen geopenbaard aan sommigen, die die niet hadden, zoals aan Nebukadnezar. Zij had veel geleden in dezen droom, hetzij zij droomde van de wrede mishandeling van een onschuldige, of van het oordeel, dat hen zou treffen, die de hand hadden in Zijn dood, of wellicht beide, in elk geval scheen het een schrikkelijke droom te zijn, en hare gedachten beroerden haar, zoals in Daniël 2:1, 4:5. De vader der geesten heeft vele middelen van toegang tot de geesten der mensen, en kan in den droom hun onderrichting verzegelen door het gezicht des nachts, Job 33, 15, 16. Maar tot hen, die het geschreven woord hebben, spreekt God meer gewoonlijk door het geweten als zij wakker zijn, dan in dromen als een diepe slaap op de lieden valt. De tedere zorg van Pilatus' huisvrouw in het zenden dier boodschap aan haren echtgenoot: Heb toch niet te doen met dien rechtvaardige. Ten eerste. Dit was een eervol getuigenis voor onzen Heere Jezus, getuigende van Hem, dat Hij rechtvaardig was, zelfs nu Hij gerechtelijk wordt vervolgd als de ergste kwaaddoener, nu Zijne vrienden bevreesd zijn om ter Zijner verdediging te verschijnen, heeft God hen, die vreemdelingen en vijanden waren, ten Zijnen gunste doen spreken. Toen Petrus Hem verloochende, heeft Judas Hem beleden, toen de overpriesters Hem des doods schuldig verklaarden, heeft Pilatus verklaard, dat hij gene schuld in Hem vond, toen de vrouwen, die Hem liefhadden, van verre stonden, heeft de vrouw van Pilatus, die slechts weinig van Hem wist, bezorgdheid over Hem getoond. God zal zich niet zonder getuigen laten voor de waarheid en rechtmatigheid Zijner zaak, zelfs als zij door hare vijanden op de meest boosaardige wijze in minachting wordt gebracht, en door hare vrienden op het schandelijkst wordt verlaten. Ten tweede. Het was een trouwe waarschuwing aan Pilatus: Heb niet te doen met hem. God heeft velerlei middelen om zondaren tot staan te brengen op hun zondigen weg, en het is een grote zegen om zulke beletselen te ontvangen van de Voorzienigheid, van getrouwe vrienden en van ons eigen geweten, het is ook een dure plicht om er acht op te geven. Doe toch deze gruwelijke zaak niet, die de Heere haat, is het woord, dat wij tot ons kunnen horen zeggen als wij in verzoeking komen, zo wij er slechts acht op willen slaan. Pilatus' echtgenote zond hem deze waarschuwing uit liefde voor hem, zij vreesde gene bestraffing van hem te ontvangen wijl zij zich bemoeide met zaken, die haar niet aangingen, want, hoe hij het ook zou opnemen, waarschuwen wilde zij hem. Het is een bewijs van ware liefde voor onze vrienden en betrekkingen om te doen wat wij kunnen om hen terug te houden van de zonde, en hoe nader zij ons staan, en hoe groter liefde wij voor hen hebben, hoe meer bezorgd wij moeten zijn, om de zonde niet tot hen te laten genaken, of op hen te laten rusten, Leviticus 19:17. De beste vriendschap is vriendschap voor de ziel. Er wordt ons niet gezegd, hoe Pilatus deze waarschuwing afwees, wellicht met een kwinkslag, maar uit zijne wijze van doen met den Rechtvaardige blijkt, dat hij er geen acht op gaf. Aldus worden getrouwe vermaningen in den wind geslagen, als zij tot ons gericht worden als waarschuwingen tegen de zonde, maar het zal zo gemakkelijk niet zijn ze gering te achten, als zij beschouwd worden als ene verzwaring van de zonde.
e. Intussen waren de overpriesters en de ouderlingen druk in de weer om het volk ten gunste van Barabbas te stemmen, vers 20. Zij hebben de scharen aangeraden, zij zelven en ook de personen, die daartoe door hen gezonden werden, dat zij zouden Barabbas begeren, en Jezus doden, voorgevende dat deze Jezus een bedrieger was, in verbond met Satan, een vijand van hun Godsdienst en tempel, en dat, zo men hem liet geworden, de Romeinen zouden komen en hun plaats en natie zouden wegnemen, dat Barabbas wel een slecht mens was, maar den invloed niet hebbende, dien Jezus had, niet zo veel kwaad kon doen als deze. Aldus wisten zij de scharen te bewerken, die anders welgezind waren voor Jezus, en indien zij niet zo onder de macht hunner priesters waren geweest, zouden zij nooit zo iets onzinnigs gedaan hebben als Barabbas te verkiezen boven Jezus. Hier kunnen wij deze goddeloze priesters niet aanzien zonder toorn en verontwaardiging. Volgens de wet moest het volk in ene zaak tussen bloed en bloed zich laten leiden door de priesters, en doen naar hetgeen zij zeiden, Deuteronomium 17:8, 9. Deze grote macht, die hun in handen was gegeven, hebben zij treurig misbruikt, en zo hebben de leidslieden des volks hen doen dwalen. Maar op het misleide volk kunnen wij niet zien zonder medelijden, ik wordt door ontferming bewogen met de scharen, die aldus heftig en met geweld voortgedreven worden tot zo groot een goddeloosheid, aldus onder de macht zijn der priesters, en met hun blinde leidslieden in de gracht vallen.
f. Het volk, door de priesters aldus beheerst zijnde, doet eindelijk ene keus, vers 21. Welken van deze twee wilt gij, dat ik u zal loslaten? vraagt Pilatus. Hij hoopte zijn doel om Jezus vrij te laten bereikt te hebben. Maar tot zijn grote verwondering zeiden zij: Barabbas, alsof zijne misdaden minder groot waren, en hij dus minder den dood had verdiend, of alsof zijn verdiensten groter waren, en hij dus meer waard was in het leven te blijven. Het geroep om Barabbas was zo algemeen en zo eenstemmig, dat er geen aanleiding bestond om de stemmen voor de twee kandidaten op te nemen. Ontzet u hierover, gij hemelen, en zijt verschrikt! Zijn er ooit mensen geweest, die aanspraak maken op Godsdienst en gezond verstand, en zich aan een zo buitensporige dwaasheid hebben schuldig gemaakt, en zo afschuwelijk ene goddeloosheid? Dit was het wat Petrus hun met zoveel recht heeft verweten, Handelingen 3:14, Den Heilige en Rechtvaardige hebt gij verloochend, en hebt begeerd dat u een man, die een dood. slager was, zou geschonken worden. Maar de scharen, die de wereld tot hun deel verkiezen boven God, verkiezen evenzo naar hun eigen bedenksels en tot hun eigen verderf.
2. Hun heftig aandringen om Jezus te kruisigen, vers 22. 23. Verbaasd over hun keus van Barabbas, wilde Pilatus nog hopen, dat dit meer voortkwam uit ene voorliefde voor hem, dan uit vijandschap tegen Jezus, en daarom vraagt hij hun: "Wat zal ik dan doen met Jezus? Zal ik hem ook loslaten, tot groter eer nog van uw feest, of wilt gij dat aan mij overlaten?" Neen, zij zeiden allen: Laat hem gekruisigd worden! Dien dood wilden zij, dat Hij zou sterven, omdat die beschouwd werd als de schandelijkste, en zij hoopten hierdoor, dat Zijne volgelingen zich nu ook zouden schamen om Hem te belijden. Het was ongerijmd, dat zij den rechter voorschreven welk vonnis hij moest vellen, maar hun woede en kwaadaardigheid deden hen alle regelen van orde en betamelijkheid vergeten, en zo werd een gerechtshof in een luidruchtige en oproerige vergadering verkeerd. Nu was de waarheid gestruikeld op de straat en wat recht is kon er niet ingaan, en waar men wacht naar recht, zie het is verdrukking , verdrukking van de ergste soort, naar gerechtigheid, maar zie, het is geschreeuw, het ergste geschreeuw, de ontzettendste kreet, die ooit gehoord werd: Kruisig, kruisig den Heere der heerlijkheid! Hoewel zij, die dezen kreet aanhieven, wellicht niet dezelfden waren, die tevoren Hosanna riepen, ziet men hier toch, hoe groot ene verandering in weinig tijds op het gemoed van het gepeupel kan worden teweeggebracht. Toen Hij Jeruzalem binnen reed, waren de toejuiching en de lofspraak zo algemeen, dat men gedacht zou hebben, dat Hij geen vijanden had, maar nu Hij in triomf naar het rechthuis van Pilatus wordt gebracht, zijn de kreten van vijandschap en afschuw zo algemeen, dat men zou denken dat Hij geen vrienden had. Zulke omwentelingen zijn er in deze veranderlijke wereld, door welke onze weg naar den hemel loopt, gelijk onze Meester beurtelings door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht, opdat wij ons door eer niet verheffen, alsof wij, wanneer wij toegejuicht en geliefkoosd worden, ons nest tussen de sterren gesteld hadden, en in dat nest zouden sterven, en ons door oneer niet laten terneerslaan en ontmoedigen, alsof wij, wanneer wij veracht en vertreden worden, neergestoten waren in de diepste hel, van waar gene verlossing meer is. Betreffende hun eis nu wordt ons verder gezegd
a. Hoe Pilatus daar tegen opkwam: Wat heeft hij dan kwaads gedaan? Een gepaste vraag, die wij altijd stellen moeten, eer wij iemand in een gewoon gesprek laken, of berispen, maar veel meer nog past het een rechter die vraag te doen, eer hij een doodvonnis uitspreekt. Het strekt grotelijks tot eer van den Heere Jezus, dat, hoewel Hij leed als een kwaaddoener, noch Zijn rechter, noch Zijne vervolgers konden vinden, dat Hij kwaad gedaan had. Heeft Hij kwaad gedaan tegen God? Neen, Hij heeft altijd gedaan wat Gode welbehaaglijk was. Heeft Hij kwaad gedaan tegen de burgerlijke overheid? Neen, gelijk Hij zelf deed, zo heeft Hij ook anderen geleerd den keizer te geven wat des keizers is. Heeft Hij kwaad gedaan tegen den openbaren vrede, tegen de orde ? Neen, Hij heeft niet getwist of geroepen, en Zijn koninkrijk is niet gekomen met uiterlijk gelaat, Heeft Hij kwaad gedaan aan personen? Wiens os heeft Hij genomen, wie heeft Hij verongelijkt? Neen. integendeel. Hij ging het land door goed doende. Deze herhaalde verklaring van Zijn vlekkeloze onschuld is een duidelijk bewijs, dat Hij stierf om te voldoen voor de zonde van anderen, want indien het niet om onze overtredingen was, dat Hij aldus werd gewond, om onze ongerechtigheden, dat Hij werd overgeleverd, en wel doordat Hij vrijwillig op zich had genomen er verzoening voor te doen, dan zie ik niet hoe dit buitengewone lijden, die ontzettende martelingen van iemand, die nooit iets verkeerds gedacht, gezegd of gedaan heeft, bestaanbaar zouden zijn met de rechtvaardigheid der voorzienigheid, die de wereld regeert, en dan ten minste toegelaten heeft, dat dit gedaan werd.
b. Hoe zij er op aandrongen. Zij riepen te meer: Laat hem gekruisigd worden. Zij geven zich gene moeite om aan te tonen, dat Hij kwaad gedaan heeft, maar terecht, of te onrecht, Hij moet gekruisigd worden. Alle voorgeven om de vooropgezette stellingen te bewijzen latende varen, besluiten zij om bij de gevolgtrekking, die daaruit zou voortgevloeid zijn, te volharden, en wat er aan bewijzen ontbrak, te vergoeden door geschreeuw. Deze onrechtvaardige rechter werd alzo door het aanhoudend, onbeschaamd aandringen des volks er toe gebracht om een onrechtvaardig vonnis uit te spreken, gelijk die in de gelijkenis er toe gebracht werd, om een rechtvaardig oordeel te vellen, Lukas 18:4, 5, en zo werd dan de zaak enkel en alleen door geschreeuw gewonnen.
III. Het overdragen van de schuld van Christus' bloed op het volk en de priesters.
1. Pilatus tracht die schuld van zich zelven af te schuiven, vers 24.
a. Hij ziet, dat het tot niets nut is den strijd voort te zetten. Wat hij zei zou geen goed doen, hij vorderde niet. Hij kon er hen niet van overtuigen dat het onrechtvaardig en onredelijk in hem zijn zou, om een man te veroordelen, dien hij voor onschuldig hield, en dien zij niet konden bewijzen schuldig te zijn. Zie hoe sterk de stroom soms is van woede en boze lusten, gezag noch rede vermogen dezen stroom te stuiten. Wat hij zei deed waarschijnlijk zelfs meer kwaad dan goed, hij zag veelmeer, dat er oproer werd. Het ruw en verdierlijkt gepeupel kwam tot hoge woorden, zij begonnen Pilatus te dreigen met hetgeen zij zouden doen, indien hij hun niet ter wille was, en welk een groot vuur ontstoken zou kunnen worden door deze zaak, inzonderheid als de priesters, deze grote brandstichters, de kolen aanbliezen! Deze onstuimige, oproerige geaardheid der Joden, waardoor Pilatus zo verschrikt werd, dat hij tegen zijne overtuiging en zijn geweten Christus veroordeeld heeft, heet meer dan iets anders bijgedragen tot het verderf en den ondergang dier natie, niet lang daarna, want hun herhaalde opstanden hebben de Romeinen er toe gebracht hen te verdoen, en hun voortdurende twisten onder elkaar maakten hen tot een gemakkelijke prooi van den gemenen vijand. Aldus is hun zonde hun verderf geworden. Zie hoe gemakkelijk wij ons kunnen vergissen in de gezindheid van het volk. De priesters waren bevreesd dat hun poging om Jezus te grijpen een oproer onder het volk zou teweegbrengen, inzonderheid op den feestdag, maar het bleek, dat Pilatus' poging om Hem te redden een oproer deed ontstaan, en dat wel op den feestdag, zo wispelturig, zo veranderlijk zijn de gevoelens van ene volksmenigte.
b. Dit brengt hem in een grote moeilijkheid, hij is als in de engte gedreven tussen den vrede van zijn eigen gemoed en de rust in de stad. Hij is wars van een onschuldig man te veroordelen, en hij is er ook afkerig van om het volk te mishagen en aldus een storm te verwekken, die niet zo spoedig tot bedaren gebracht zou kunnen worden. Had hij zich rustig en vastberaden aan de heilige wetten der gerechtigheid gehouden, zoals het een rechter betaamt, hij zou zich in generlei verlegenheid hebben bevonden. De zaak was eenvoudig en onbetwistbaar, dat iemand, in wie gene schuld werd gevonden, niet gekruisigd behoorde te worden, onder welk voorwendsel dan ook, en gene onrechtvaardigheid behoort begaan te worden, om enigen mens of enig gezelschap van mensen genoegen te doen. De zaak is ook spoedig beslist. -Fiat justitia, ruat cælum -Al zouden hemel en aarde ook in botsing komen, gerechtigheid moet geschieden. Als van de goddelozen -al zijn het priesters- goddeloosheid voortkomt, mijne hand zal niet tegen hem zijn.
c. Pilatus tracht de zaak te schikken en zowel het volk als zijn eigen geweten tevreden te stellen, door haar te doen, doch als onder protest. Tot zulke ongerijmdheden en tegenspraak met zich zelven moeten zij vervallen, wier overtuiging sterk is, maar wier verdorvenheid van hart nog sterker is. Zalig is hij, zegt de apostel, Romeinen 14:22, die zich zelven niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt, of, hetgeen op hetzelfde neerkomt, die niet voor goed houdt hetgeen hij veroordeelt. Pilatus poogt zich nu van alle schuld te zuiveren door een teken. Hij nam water en wies de handen voor de schare, niet alsof hij dacht zich hierdoor van enigerlei schuld voor God te reinigen, maar om vrij te zijn tegenover het volk van enigerlei schuld in deze zaak, alsof hij gezegd had: Indien het geschiedt, gij zijt getuigen, dat het mijn doen niet is. Hij ontleende die plechtigheid aan de wet, die haar voorschreef om het land te ontheffen van de schuld als een moord gepleegd was, en de moordenaar niet ontdekt werd. Deuteronomium 21:6, 7. En hij deed het om aan het volk zeer duidelijk te doen zien en gevoelen, dat hij van de onschuld van den gevangene overtuigd was, en waarschijnlijk was het rumoer der volksmenigte zo groot dat, zo hij hen niet met dit zichtbare teken had verrast, bij zich niet door hen zou hebben kunnen doen horen. Door een gezegde, waarmee hij: Ten eerste zich zelven ontschuldigt: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige. Welk een onzin! Hem te veroordelen en toch zijne onschuld te betuigen aan Zijn bloed! Als mensen tegen iets protesteren en het toch doen, dan maken zij slechts bekend, dat zij zondigen tegen hun geweten. Hoewel Pilatus zijne onschuld betuigt, legt God toch de schuld ten zijnen laste, Handelingen 4:27. Sommigen denken zich te rechtvaardigen door te zeggen, dat hun handen niet in de zonde waren, maar David doodt door het zwaard van de kinderen Ammons, en Achab door de oudsten te Jizreël. Pilatus denkt zich te rechtvaardigen door te zeggen, dat zijn hart niet in de daad was, maar dit is ene verzekering, die nooit aangenomen zal worden. Het is tevergeefs, dat hij protesteert tegen de daad, die hij terzelfder tijd ten uitvoer brengt. Ten tweede. Hij werpt het op de priesters en het volk: gijlieden moogt toezien. Indien het gedaan moet worden, het is mijne schuld niet, gijlieden zult het voor God en de wereld hebben te verantwoorden. De zonde is een wicht, waarvan niemand vader of moeder wil zijn, en velen misleiden zich zelven hiermede, dat zij de schuld niet zullen dragen, zo zij die slechts op iemand anders kunnen werpen, maar het is niet zo gemakkelijk de schuld der zonde over te dragen als velen wel denken. De toestand van iemand, die door de pest is aangestoken, is er niet minder gevaarlijk om, dat hij met die ziekte door anderen besmet werd, of er anderen mede besmet heeft. Wij kunnen wel verzocht, maar niet gedwongen worden tot zonde. De priesters hebben de schuld op Judas geworpen: Gij moogt toezien, en nu werpt Pilatus de schuld op hen: Gijlieden moogt toezien. Want, met wat mate gij meet, zal u wedergemeten worden.
2. De priesters en het volk bewilligden er in om de schuld op zich te nemen. Al het volk zei: "Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen. Wij zijn er zo zeker van, dat er in zijne terdoodbrenging zonde noch gevaar voor ons is, dat wij volkomen bereid zijn ons aan de gevolgen er van bloot te stellen", alsof die schuld noch aan hen noch aan de hunnen enig kwaad zou veroorzaken. Zij zagen, dat het de vrees voor de schuld was, die Pilatus deed aarzelen en dat hij over die moeilijkheden heen kwam door zich in te beelden, haar op hen te kunnen overdragen. Om hem nu in dien waan te be- vestigen, hebben zij er in hun woede genoegen mede genomen, veeleer dan de prooi, die zij in handen hadden, te laten ontsnappen, en zij riepen: Zijn bloed kome over ons.
a. Hiermede bedoelden zij aan Pilatus straffeloosheid te verzekeren, dat is: hem te doen denken, dat zij de schuld en de verantwoording op zich genomen hebbende, hij nu vrijuit zou gaan. Maar zij die zelven bankroet en bedelaars zijn, zullen toch nooit als borg voor anderen aangenomen worden. Niemand kan anderer zonde dragen, behalve Hij, die geen eigen zonde had te verantwoorden. Dit is een stoute onderneming, te groot voor enig schepsel, om bij den almachtigen God borg te zijn voor een zondaar.
b. Maar zij hebben werkelijk de wraak en den toorn Gods over zich ingeroepen, over zich en over hun nakomelingen. Welk een ontzettend woord was dit! Hoe weinig begrepen zij er de ontzaglijke betekenis van en welk ene hel van ramp het over hen en de hunnen gebracht heeft. Christus had hun kort tevoren gezegd, dat over hen komen zal al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, maar alsof dat nog te weinig was, hebben zij de schuld over zich ingeroepen van dat bloed, dat kostelijker en dierbaarder was dan al het andere, en waarvan de schuld zwaarder op hen zou drukken. O hoe schrikkelijk is de vermetelheid der halsstarrige zondaren, die tegen God aanlopen en Zijne gerechtigheid tarten, Job 15:15, 16. Merk op: Hoe wreed zij waren bij deze verwensing. Zij roepen de straf dezer zonde in niet slechts over zich zelven, maar ook over hun kinderen, zelfs over die nog niet waren geboren, zonder dit te beperken-gelijk het aan God zelf behaagd heeft dit te beperken, tot aan het derde en vierde geslacht. Het was dolzinnigheid om dit over zich zelven te brengen, maar de grootste barbaarsheid was het, om dit ook op hun nageslacht te doen overgaan. Voorzeker, zij waren als de struisen in de woestijn, zij verhardden zich tegen hunne jongen, alsof het hun jongen niet waren. Welk een ontzettende overdracht van schuld en toorn op hen en hun erfgenamen voor eeuwig, en dit met aller instemming, als hun eigen vrijwillige daad, hetgeen voorzeker gelijk stond met ene verbeurte en tenietdoening van de hun vanouds verleende handvest: Ik zal u een God zijn en uwen zade na u. Die oplegging van den vloek van het bloed van den Messias op het volk heeft den erfzegen van dat bloed afgesneden van hun geslachten, overeenkomstig een andere belofte, gedaan aan Abraham, dat in hem alle de geslachten der aarde gezegend zullen worden. Zie wat vijanden de goddelozen zijn van hun eigen kinderen, zij, die hun eigen ziel verdoemen, bekommeren er zich niet om, hoe velen zij met zich ter helle voeren. Hoe rechtvaardig God was in Zijne vergelding overeenkomstig deze vervloeking. Zij zeiden: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen, en God zei daar Amen toe: zo zal uw oordeel zijn, gelijk zij den vloek hebben liefgehad, is hij over hen gekomen. Het ongelukkige overblijfsel van dit door God verlaten volk gevoelt het tot op den huidigen dag. Van den tijd, toen zij dit bloed over zich inriepen, zijn zij vervolgd door het ene oordeel na het andere, totdat zij geheel en al ten ondergang werden gebracht, en tot een schrik, een spreekwoord en een spotrede geworden zijn. Maar over sommigen van hen en van de hunnen is dit bloed gekomen, niet om hen te veroordelen, maar om hen te behouden. Op hun bekering en geloof heeft de Goddelijke barmhartigheid deze overdracht van den vloek teniet gedaan, en toen was wederom de belofte voor hen en hun kinderen. God is beter voor ons en de onzen dan wij.