Lukas 18:1-8
Van deze gelijkenis hangt de sleutel aan de deur, de strekking en bedoeling er van zijn reeds vooruit aangeduid. Christus heeft haar voorgesteld met het doel ons te leren dat men altijd bidden moet en niet vertragen, vers 1. Zij veronderstelt dat het volk Gods een biddend volk is, al Gods kinderen zijn in voortdurende gemeenschap met Hem, en hebben ook hun bijzondere tijden en gelegenheden, om met Hem te spreken en Hem met hun nood en hun begeerten bekend te maken. Het is ons voorrecht en onze eer, dat wij mogen bidden. Het is onze plicht, wij behoren te bidden, wij zondigen als wij het verzuimen. Het moet ons voortdurend werk zijn, wij behoren altijd te bidden, het is hetgeen, dat door den dagelijksen plicht wordt vereist. Wij moeten bidden en het bidden nooit moede worden, noch er aan denken om er van af te laten, totdat het bidden als verzwolgen wordt in eeuwigdurenden lof. Maar wat hier inzonderheid bedoeld schijnt, is ons standvastigheid en volharding te leren in ons bidden om geestelijke zegeningen, hetzij in betrekking tot ons zelven of tot de kerk Gods. Als wij bidden om kracht tegen onze geestelijke vijanden, onze lusten en ons bederf, die onze ergste vijanden zijn, dan moeten wij volharden in den gebede, bidden en niet vertragen, want wij zullen Gods aangezicht niet tevergeefs zoeken. Zo behoren wij ook te bidden om verlossing van Gods volk uit de handen van hun vervolgers en verdrukkers.
I. Christus toont door ene gelijkenis de kracht van het dringend aanhouden bij mensen, die er door bewogen zullen worden, als niets anders genoeg invloed op hen heeft, om hen te laten doen wat recht is. Hij geeft u een voorbeeld van een eerlijke zaak, die gunstig door een onrechtvaardigen rechter beslist was, niet omdat zij billijk was of zijn medelijden opwekte, maar zuiver en alleen omdat hij er lastig door werd gevallen. Merk hier op:
1. Het slechte karakter van den rechter, die in een zekere stad was. Hij heeft God niet gevreesd en geen mens ontzien, hij bekommerde zich noch om zijn geweten, noch om zijn goeden naam. Hij had geen ontzag voor den toorn Gods over hem, evenmin als voor de afkeuring der mensen van zijn gedrag en handelwijze. Of wel: hij bekommerde zich niet om jegens God of mensen zijn plicht te doen, hij was volkomen vreemd aan Godsvrucht en eer, en had daar zelfs geen begrip van. Het is niet vreemd dat zij, die de vreze huns Scheppers van zich afgeworpen hebben, hoegenaamd geen achtslaan op hun medeschepselen, waar geen vreze Gods is, is geen goeds te verwachten. Zulk een ongodsdienstigheid en onmenselijkheid is slecht in iedereen, maar zeer slecht in een rechter, die de macht in handen heeft, in welker gebruik hij door de beginselen van Godsdienst en gerechtigheid geleid moest worden. Zo hij zich hierdoor niet laat leiden, zal hij in plaats van goed te doen met zijne macht, gevaar lopen van er kwaad mede te doen. Goddeloosheid ter plaatse des gerichts was een der ergste kwaden, die Salomo gezien heeft onder de zon, Prediker 3:16.
2. De verdrukte zaak ener arme weduwe, die er door genoodzaakt werd zich op hem te beroepen, daar zij verongelijkt werd door iemand, die dacht haar door macht en verschrikking te overbluffen en te overstelpen. Blijkbaar was het recht aan hare zijde, maar in haar verzoek dat haar recht gedaan zou worden, schijnt zij zich niet aan de formaliteiten der wet gehouden te hebben, maar zich van dag tot dag tot den rechter zelf, in zijn eigen huis te hebben gewend, al maar roepende: Doe mij recht tegen mijne wederpartij. Zij wenste zich niet op hem te wreken wegens iets, dat hij haar had aangedaan, zij verlangde slechts dat hij verplicht zou worden haar hetgeen hij van haar in bezit had terug te geven, en dat hem de macht zou ontnomen worden om haar nog langer te verdrukken. Arme weduwen hebben dikwijls vele tegenstanders, die op barbaarse wijze hun voordeel doen met haar hulpeloosheid en haar verkorten in hare rechten, haar het weinigje, dat zij hebben, ontroven, en aan de overheidspersonen is zeer bijzonder bevolen, niet slechts de weduwe niet te verdrukken, Jeremia 22:3, maar den wees recht te doen en de twistzaak der weduwe te handelen, Jesaja 1:17, haar beschermers te zijn, dan zijn zij als goden, want God is alzo, Psalm 68:6.
3. De moeilijkheden, die zij voor hare zaak ontmoette: Hij wilde voor een langen tijd niet. Volgens zijne gewoonte zag hij haar bars aan, nam geen notitie van hare zaak, maar liet al het onrecht, dat hare wederpartij haar deed, oogluikend toe, want zij had de middelen niet om hem steekpenningen te geven. Er was ook geen voornaam man, voor wie hij ontzag had, die ten haren gunste sprak, zodat hij volstrekt niet geneigd was haar herstel van onrecht te bezorgen, en hijzelf was zich bewust van de reden zijner traagheid, en kon dus niet anders dan bij zich zelven erkennen, dat hij God niet vreesde en geen mens ontzag. Het is treurig dat een mens zo goed weet wat er slecht in hem is, zonder dat hij er zich om bekommert om van dat slechte af te komen.
4. Hoe zij hare zaak won door dezen onrechtvaardigen rechter voortdurend lastig te vallen, vers 5. "Omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zal ik acht geven op hare zaak en haar recht doen, niet zozeer uit vrees dat zij mij door haar geroep in een kwaad gerucht zal doen komen, als wel uit vrees dat haar geroep mij zal vermoeien, want zij is besloten mij geen rust te geven, voordat het gedaan is, en daarom zal ik het doen, ten einde mij verdere moeite te besparen en dus hoe eerder hoe beter dan maar." Aldus heeft zij door haar aanhoudend bidden en smeken verkregen, dat haar recht gedaan werd. Zij smeekte er om aan zijne deur, zij volgde hem op straat, zij deed hem haar verzoek in de publieke rechtszaal, altijd klonk haar geroep: Doe mij recht tegen mijne wederpartij, hetgeen hij genoodzaakt was te doen om van haar ontslagen te komen, want, hoe slecht hij ook was, heeft zijn geweten hem toch niet toegelaten haar in de gevangenis te werpen wegens belediging van het hof.
II. Hij past dit toe ter bemoediging van Gods biddend volk, om te bidden met geloof en vurigheid, en er in te volharden.
1. Hij verzekert hun dat God hun ten laatste genadig zal zijn, vers 6 :Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt, hoe hij zich geheel overwonnen verklaart door dat dringend aanhouden.
Zal God dan geen recht doen Zijnen uitverkorenen? Merk hier op:
a. Wat het is, dat zij begeren en verwachten: dat God Zijnen uitverkorenen recht zal doen. Er zijn mensen in de wereld, die Gods volk zijn, Zijne uitverkorenen, een keurvolk, een verkoren volk. En hierop heeft Hij het oog in alles wat Hij voor hen doet, het is omdat zij Zijne uitverkorenen zijn, en tengevolge van Zijne uitverkiezing van hen. Gods uitverkorenen hebben zeer veel beproevingen in deze wereld, er zijn vele wederpartijders, die tegen hen strijden. Satan is hun grote wederpartij. Wat zij verlangen en verwachten is, dat God hen zal bewaren en beschermen, dat Hij de belangen Zijner kerk zal verzekeren in de wereld, en Zijne genade in het hart.
b. Wat hiervoor van Gods volk geëist wordt: zij moeten dag en nacht tot Hem roepen. Niet alsof Hij hun betoog en hun vermaningen nodig heeft, of door hun pleiten kan bewogen worden, maar Hij heeft hun dit ten plicht gesteld, en daaraan heeft Hij genade beloofd. Wij behoren zeer bijzonder te wezen in ons bidden tegen onze geestelijke vijanden, zoals Paulus gedaan heeft: Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken, en zoals deze weduwe. Heere, dood dit bederf. Heere, wapen mij tegen deze verzoeking. Wij behoren bezorgd te zijn over, en ons het lot aan te trekken van, de vervolgde en verdrukte kerken, en te bidden dat God haar recht zal doen en haar in veiligheid zal stellen. En hieromtrent moeten wij zeer dringend zijn, wij moeten roepen met vurigheid en ernst, wij moeten dag en nacht roepen, als degenen, die geloven dat hun gebed ten laatste verhoord zal worden, wij moeten worstelen met God als degenen, die den zegen weten te waarderen en zich niet willen laten afwijzen. Aan Gods biddend volk wordt gezegd, dat zij voor Hem niet zullen zwijgen", Jesaja 62:67.
c. Welke ontmoedigingen zij kunnen hebben in hun gebeden en hun verwachtingen. Hij kan lankmoedig over hen zijn, zal wellicht niet terstond voor hen optreden als antwoord op hun gebed. Hij is makrothumoon ep autois -Hij oefent geduld jegens de tegenstanders Zijns volks, en oefent geen wrake op hen, en Hij oefent het geduld Zijns volks, en pleit niet voor hen, treedt niet voor hen op. Lang heeft Hij het geroep der zonde verdragen van de Egyptenaren, die Israël verdrukten, en het geschrei der smart van hen, die verdrukt werden.
d. Welke verzekerdheid zij hebben, dat ten laatste ontferming komen zal, al wordt zij ook uitgesteld, en hoe die verzekerdheid ondersteund wordt door hetgeen de onrechtvaardige rechter zegt. Indien deze weduwe heeft overmocht door haar dringend aanhouden bij den rechter, hoeveel te meer zullen Gods uitverkorenen dan niet overmogen. Want: Deze weduwe was een vreemde, die tot den rechter in generlei betrekking stond, maar Gods biddend volk zijn Zijne uitverkorenen, die Hij kent en liefheeft, in wie Hij zich verlustigt, en voor wie Hij altijd heeft gezorgd. Zij was slechts een persoon, maar Gods biddend volk zijn velen, die allen voor dezelfde zaak tot Hem komen, en samenstemmen om te vragen wat zij behoeven, Mattheus 18:19. Gelijk de heiligen in den hemel den troon der heerlijkheid omringen met hun verenigd lofgezang, zo belegeren de heiligen op aarde den troon der genade met hun verenigd gebed. Zij kwam tot een rechter, die haar gebood op een afstand te blijven, wij komen tot een Vader, die ons zegt vrijmoedig tot Hem te komen, en ons leert te roepen: Abba, Vader. Zij kwam tot een onrechtvaardigen rechter, wij komen tot een rechtvaardigen Vader, Johannes 17:25, Een, die acht geeft op Zijn eigen eer en op het welzijn van Zijn arme schepselen, inzonderheid die, welke in moeite of benauwdheid zijn, zoals weduwen en wezen. Zij kwam tot dezen rechter zuiver en alleen voor haar eigen zaak en belang, maar God zelf is betrokken in de zaak, die wij van Hem begeren, en wij kunnen zeggen: Sta op, Heere, twist Uwe twistzaak, en Wat zult Gij dan Uw groten naam doen? Zij had geen vriend, om voor haar te spreken en kracht bij te zetten aan hare bede, en meer invloed te oefenen dan zij bezat, maar wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Zijn eigen Zoon, die altijd leeft om voor ons te bidden, en: een machtigen, overmogenden invloed heeft in den hemel. Geen belofte had zij van welslagen, gene aanmoediging was haar gegeven om te vragen, maar ons wordt de gouden scepter toegereikt, ons wordt gezegd te bidden, en de belofte gegeven dat wij zullen ontvangen. Zij kon slechts op zekere uren van den dag toegang verkrijgen tot den rechter, maar wij mogen dag en nacht tot God roepen, en in alle uren van den dag en den nacht, en daarom kunnen wij des te eerder hopen door dringend aanhouden te zullen overmogen. Haar aanhouden was den rechter lastig, en zij zou kunnen vrezen dat het hem zou vertoornen en tegen haar zou innemen, maar ons aanhouden is Gode welbehaaglijk, het gebed des oprechten is Zijn welgevallen, en daarom kunnen wij hopen dat het, zo net een krachtig, vurig gebed is, veel zal uitwerken. 2. Hij geeft hun te kennen dat zij desniettemin het wachten op Hem moede zullen beginnen te worden, vers 8. Maar hoewel hun zulke verzekeringen gegeven zijn, dat God Zijnen uitverkorenen recht zal doen, zal de Zoon des mensen, als Hij komt, ook geloof vinden op de aarde? De Zoon des mensen zal komen, om Zijnen uitverkorenen recht te doen, de zaak der vervolgde Christenen tegen de vervolgende Joden te bepleiten. Hij zal komen in Zijne voorzienigheid, om de zaak van Zijn verongelijkt volk te bepleiten in iedere eeuw, en op den groten dag zal Hij komen om te twistzaak van Zion voor altijd te beslechten. Wanneer Hij nu komt, zal Hij geloof vinden op de aarde? In de vraag ligt een sterke ontkenning opgesloten: Neen, Hij zal het niet, Hij zelf voorziet het.
a. Dit veronderstelt dat alleen op aarde geloof nodig is, want de zondaars in de hel gevoelen wat zij niet wilden geloven, en de heiligen in den hemel genieten, aanschouwen wat zij geloofd hebben.
b. Het onderstelt dat geloof de grote zaak is, waarnaar Jezus Christus uitziet. Hij ziet neer op de kinderen der mensen, en vraagt niet: Is daar onschuld? maar: Is daar geloof? Hij vroeg naar het geloof van hen, die zich om genezing tot Hem hebben gewend.
c. Het onderstelt dat, zo er geloof was, al was het nog zo klein of zo weinig, Hij het zou ontdekken. Zijn oog is op den zwaksten gelovige, hoe onbekend ook of hoe onaanzienlijk.
d. Er is voorzegd dat Christus, als Hij komt om de zaak Zijns volks te bepleiten, slechts weinig geloof zal vinden naar verhouding van hetgeen men zou verwachten. Dat is:
A. In het algemeen zal Hij slechts weinige Godvruchtigen vinden, weinigen, die waarlijk Godvruchtig zijn. Velen, die de gedaante der Godzaligheid hebben, maar weinigen, die geloof hebben, eerlijk en oprecht zijn, ja Hij zal weinig getrouwheid vinden onder de mensen, de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensen, Psalm 12:2. Tot aan het einde der tijden zal er reden zijn voor deze klacht. De wereld zal niet beter worden, neen, niet als zij haar einde nadert. Slecht is zij, en slecht zal zij zijn, en het slechtste zal zij wezen voor Christus' komst, de laatste tijden zullen de gevaarlijkste wezen.
B. In het bijzonder. Hij zal slechts weinigen vinden, die geloof hebben betreffende Zijne komst. Als Hij komt om Zijnen uitverkorenen recht te doen, dan ziet Hij of er ook geloof is om te helpen en te ondersteunen, en Hij verwondert zich dat er geen is, Jesaja 49:16, 63:5. Het geeft te kennen dat Christus, zowel in Zijn bijzonder komen tot hulp van Zijn volk, als in Zijn algemeen komen aan het einde des tijds, Zijne komst zolang kan, en zal vertragen, dat Ten eerste, Slechte mensen haar zullen tarten, zeggende: Waar is de belofte Zijner toekomst? 2 Petrus 3:4. Zij zullen Hem tarten te komen, Jesaja 5:19, Amos 5:18 :en Zijn uitstel zal hen verharden in hun boosheid, Mattheus 24:8. Ten tweede. Zelfs Zijn eigen volk zal beginnen er aan te wanhopen, en tot de gevolgtrekking komen dat Hij, omdat Hij niet komt op den door hen berekenden tijd. in het geheel niet zal komen. Gods tijd om voor Zijn volk te verschijnen is, als de zaken op het uiterste zijn gekomen, en Zion begint te zeggen: De Heere heeft mij verlaten, Jesaja 49:14, 40:27. Maar dit is onze troost, dat wanneer de bestemde tijd daar is, het blijken zal dat het ongeloof des mensen de beloftenis God niet teniet zal doen.