Lukas 23:1-12
Door de geestelijke rechtbank was onze Heere Jezus veroordeeld als een Godslasteraar, maar die boosheid was zo onmachtig mogelijk, want toen zij Hem veroordeeld hadden, wisten zij dat zij Hem toch niet ter dood konden brengen, en daarom namen zij dan ook andere maatregelen.
I. Zij beschuldigden Hem voor Pilatus. De gehele menigte van hen stond op, toen zij zagen dat zij in hun eigen gerechtshof niet verder met Hem konden gaan, en leidde Hem tot Pilatus' hoewel het geen rechtsdag was, geen zitting van het gerechtshof plaatshad, en zij eisten recht tegen Hem, niet als Godslasteraar-dat was geen misdaad, waarvan Pilatus kennis nam-maar als iemand, die de Romeinse heerschappij ongenegen was, hetgeen zij in hun hart als geen misdaad beschouwden, of, zo het er een was, dan voorzeker waren zij er veel meer schuldig aan dan Hij, maar het beantwoordde aan hun doel, en het is opmerkelijk, dat de voorgewende misdaad, waarvoor zij de Romeinse macht gebruikten om Christus te verderven, de werkelijke misdaad is geweest, waarvoor de Romeinse machten niet lang daarna hen zelven verwoest en verpletterd hebben.
1. Hier is de beschuldiging, die zij tegen Hem hebben ingebracht, vers 2, en waarmee zij ijver voor den keizer voorwendden, om zich bij Pilatus aangenaam te maken, maar het was kwaadwilligheid jegens Christus en niets anders. Zij stelden Hen (ten onrechte) voor als:
a. het volk tot opstand aansporende tegen den keizer. Het was waar, en Pilatus wist het, dat er een algemene ontevredenheid heerste tegen de Romeinse heerschappij, en zij verlangden slechts naar ene gelegenheid om hun juk af te schudden, nu willen zij echter Pilatus doen geloven, dat deze Jezus het was, die deze ontevredenheid aankweekte, terwijl zij zelf er de aanstokers van waren: Wij hebben bevonden dat deze het volk verkeert, alsof hen tot Gods regering te bekeren hen verkeerde tegen het burgerlijk bestuur, terwijl toch niets meer strekt om de mensen tot goede onderdanen te maken, dan hen tot Christus' getrouwe volgelingen te maken. Christus had inzonderheid geleerd dat zij den keizer schatting behoorden te geven, hoewel Hij wist dat Hij daardoor sommigen ergernis zou geven, en toch wordt Hij nu valselijk beschuldigd, dat Hij verbiedt den keizer schatting te geven. Onschuld is geen beschutting tegen laster.
b. Als zich opwerpende als mededinger van den keizer, hoewel het juist de reden was, waarom zij Hem verwierpen en Hem niet wilden erkennen als den Messias, dat Hij niet in wereldlijke praal en macht verscheen en zich niet opwierp als een wereldlijk vorst, noch aanbood iets te doen tegen den keizer, toch is dit het, waarvan zij Hem beschuldigen, namelijk dat Hij zei, dat Hij zelf Christus, de Koning is. Hij heeft gezegd, dat Hij de Christus is, en indien Hij dat is, dan is Hij ook Koning, maar geen koning, die ooit den keizer onrust zou veroorzaken. Toen Zijne volgelingen Hem koning wilden maken, Johannes 6:15, wees Hij dit af, hoewel Hij door de vele wonderen, die Hij wrocht, getoond heeft dat, indien Hij des keizers mededinger had willen zijn, Hij hem zeer gemakkelijk overwonnen zou hebben.
2. Zijn antwoord op de beschuldiging. Pilatus vroeg Hem, zeggende: Zijt gij de koning der Joden? vers 3. Waarop Hij antwoordde: Gij zegt het, dat is: "Het is zoals gij zegt, dat Ik recht heb om over het Joodse volk te regeren, maar in mededinging met de schriftgeleerden en Farizeeën, die in Godsdienstige zaken hen tiranniseren, niet in mededinging met den keizer, wiens bestuur slechts hun burgerlijke belangen betreft". Christus' koninkrijk is gans en al geestelijk, en zal zich niet mengen met de rechtsmacht des keizers. Of, Gij zegt het, maar kunt gij het bewijzen? Welk bewijs hebt gij er voor?" Allen, die Hem kenden, wisten het tegendeel, namelijk dat Hij nooit voorgewend heeft de Koning der Joden te zijn, in tegenstand met den keizer als opperheer, of met de stadhouders, door hem gezonden, maar wèl het tegendeel.
3. Pilatus' verklaring van Zijne onschuld, vers 4. Hij zei tot de overpriesters en de scharen, die zich bij hen schenen aangesloten te hebben in de vervolging: Ik vind gene schuld in dezen mens. Heeft hij zich schuldig gemaakt aan overtredingen uwer wet, dat gaat mij niet aan, daar behoef ik mij niet mede in te laten, maar ik vind niets in hem, dat hem strafbaar maakt voor ons gerechtshof.
4. De aanhoudende woede en het geweld der vervolgers, vers 5. In plaats van tot matiging te zijn gebracht door Pilatus' verklaring van Zijne onschuld, en te bedenken, gelijk zij hadden behoren te doen, of zij niet de schuld van onschuldig bloed over zich brachten, geraakten zij slechts in nog heftiger woede. Wij bevinden niet dat zij met een bijzonder feit voor den dag konden komen, en nog veel minder met enig bewijs voor zulk een feit, maar zij besluiten om hun zin door te drijven met luidruchtigheid, het herhaaldelijk op hogen toon te zeggen, al kunnen zij het dan ook niet bewijzen: Hij beroert het volk -spoort hen aan om in opstand te komen tegen den keizer- lerende door geheel Judea, begonnen hebbende van Galilea tot hier toe. Hij heeft het volk beroerd, of opgewekt, maar niet tot oproerigheid, maar wel tot hetgeen deugdzaam en prijzenswaardig was. Hij heeft hen geleerd, maar zij konden Hem geen lering ten laste leggen, die de strekking had den openbaren vrede te verstoren, of die aan de regering reden tot bezorgdheid of achterdocht kon geven.
II. Zij beschuldigden Hem voor Herodes.
1. Pilatus verwees Hem en Zijne zaak naar Herodes. De beschuldigers maakten melding van Galilea, het noordelijk deel van Kanaän. "Is hij van die landstreek?" zegt Pilatus, "is hij een Galileër?" vers 6. "Ja," zeggen zij, "daar is zijn hoofdkwartier, daar heeft hij zijn meesten tijd doorgebracht". "Laat ons hem dan tot Herodes zenden", zegt Pilatus, "want Herodes is nu in de stad, en het is niet meer dan recht dat hij kennis neemt van zijne zaak, daar hij tot zijn rechtsgebied behoort." Pilatus had er reeds meer dan genoeg van, en was zeer begerig om zich die zaak van den hals te schuiven, hetgeen de ware reden schijnt te zijn, waarom hij Hem naar Herodes zond. Maar God heeft het alles verordineerd, omdat hieruit des te duidelijker bleek, dat de Schriften vervuld werden, zoals wij zien in Handelingen 4:26, 27. alwaar het woord van David in Psalm 2:2, De koningen der aarde zijn tezamen opgestaan, en de oversten zijn bijeen vergaderd tegen den Heere en tegen Zijn Gezalfde, uitdrukkelijk gezegd wordt vervuld te zijn in Herodes en Pontius Pilatus.
2. Herodes was zeer gaarne bereid om Hem in het verhoor te nemen, vers 8, Als Herodes Jezus zag, werd hij zeer verblijd, en wellicht des te meer verblijd, omdat hij Hem als gevangene en in banden zag. Hij had veel van Hem gehoord in Galilea, waar gedurende langen tijd schier over niets gesproken werd dan over Zijne wonderen, en hij verlangde Hem te zien, niet omdat hij enigerlei genegenheid had voor zijne leer, maar uit zuivere nieuwsgierigheid, en het was slechts om die te bevredigen, dat hij hoopte enig teken te zien, dat van Hem gedaan zou worden, waarover hij dan zijn leven lang zou kunnen spreken, Daarom vraagde hij Hem met vele woorden, ten einde Hem eindelijk tot iets te brengen, waarin Hij Zijne macht kon tonen. Wellicht ondervroeg hij Hem betreffende verborgen dingen, of over de toekomst, of over Zijne genezing van krankheden. Maar Jezus antwoordde hem niets, noch wilde hem de voldoening geven van een enkel wonder voor hem te doen. Aan den armsten bedelaar, die Hem om een wonder vroeg ter verlichting van zijne ellende, werd dit nooit geweigerd, maar dien hoogmoedigen vorst, die alleen om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen om een wonder vroeg, wordt het wèl geweigerd. Hij zou Christus en de wonderen door Hem gewerkt dikwijls in Galilea hebben kunnen zien, maar hij wilde niet, en daarom wordt nu terecht gezegd: Nu wil hij ze zien, maar zal ze niet zien, zij zijn verborgen van voor zijne ogen, omdat hij den dag zijner bezoeking niet bekend heeft. Herodes dacht dat hij, nu hij Hem in banden voor zich heeft, Hem zou kunnen gebieden een wonder te doen, maar om nieuwsgierigheid te bevredigen worden gene wonderen gedaan, en de Almacht staat ook de grootste vorsten niet ten dienste om hun wensen en wenken op te volgen.
3. Zijne vervolgers verschenen tegen Hem voor Herodes, want zij gunden zich geen rust in hun vervolging. Zij stonden en beschuldigden Hem heftiglijk, vers 10, stoutmoedig en onbeschaamd is de eigenlijke betekenis van het woord. Zij wilden Herodes doen geloven dat Hij ook Galilea door Zijn oproerige denkbeelden had vergiftigd. Het is niets nieuws dat goede mensen en goede leraren, die oprechte en zeer nuttige vrienden zijn van het burgerlijk bestuur, valselijk beschuldigd worden van oproerige denkbeelden te verbreiden en der regering vijandig te zijn.
4. Herodes gedroeg zich zeer beledigend jegens Hem. Hij met zijne krijgslieden, zijne dienaren en beambten en voorname personen, verachtten Hem. Zij achtten Hem als niets, gelijk de eigenlijke betekenis is dier woorden. Ontzettende goddeloosheid! Hem als niets te achten, die alle dingen gemaakt heeft. Zij bespotten Hem als een dwaas, want zij wisten dat Hij vele wonderen gedaan had ten behoeve van anderen, waarom wilde hij dan nu geen wonder doen ten behoeve van zich zelven? Of, zij bespotten Hem als iemand, die zijne macht had verloren en zwak was geworden als andere mensen. Herodes, die bekend was geweest met Johannes de Doper, en ook meer kennis had van Christus dan Pilatus, was beledigender dan Pilatus jegens Christus geweest is, want kennis zonder genade maakt de mensen slechts vernuftiger in de boosheid. Herodes deed Christus een blinkend kleed aan, een kleed van een opzichtige kleur, om Hem als een schijnkoning tentoon te stellen, en daarmee heeft Hij de krijgslieden van Pilatus geleerd om Hem later op dezelfde wijze te beledigen. Hij ging hun voor in die mishandeling.
5. Herodes zond Hem terug naar Pilatus, en dit bleek een gelegenheid voor hen te zijn om vrienden te worden, daar zij tevoren in vijandschap met elkaar geleefd hadden. Herodes kon geen wonder te zien krijgen, en toch wilde hij Hem niet veroordelen als een kwaaddoener, en daarom zond hij Hem terug naar Pilatus, vers. 11, en hiermede beantwoordde hij aan Pilatus' beleefdheid door hem den gevangene te zenden, en deze wederzijdse plichtpleging met de boodschap die zij er bij zonden, bracht hen tot een betere verstandhouding, dan er vroeger tussen hen geheerst had, vers 12.
Zij waren tevoren in vijandschap tegen elkaar, waarschijnlijk omdat Pilatus de Galileërs had gedood, die de onderdanen waren van Herodes, Lukas 13:1, of om een andere soortgelijke oorzaak van twist, als er gewoonlijk tussen vorsten en groten der aarde plaatsheeft. Merk op, hoe zij, die in twist en onenigheid leefden met elkaar, zich toch samen tegen Christus kunnen verenigen, zoals Gebal en Ammon en Amalek, hoewel onderling verdeeld, toch saamverbonden waren tegen het Israël Gods, Psalm 83:8. Christus is de grote vredestichter, beiden Herodes en Pilatus erkenden Zijne onschuld, en hun overeenstemming hierin maakte een einde aan hun onenigheid ten opzichte van andere dingen.