Markus 12:28-34
De schriftgeleerden en Farizeeën waren-hoe slecht ook overigens-den Sadduceeën vijandig gezind, nu zou men verwacht hebben dat zij, horende hoe Christus hen in dezen redetwist had verslagen, Hem gesteund zouden hebben, zoals zij Paulus gesteund hebben toen hij tegen de Sadduceeën optrad, Handelingen 23:9, maar die uitwerking had het nu niet, omdat Hij niet met hen instemde omtrent de ceremoniën van den Godsdienst, heeft Zijne instemming met hen ten opzichte der hoofdpunten gene achting of eerbied van hen gewonnen. Doch wij hebben hier een bericht omtrent een hunner, een schriftgeleerde, die hoffelijkheid genoeg bezat om nota te nemen van Christus' antwoord aan de Sadduceeën en te erkennen, dat Hij hun wel geantwoord had, vers 28. En wij hebben redenen te hopen, dat hij zich niet met de andere schriftgeleerden heeft verenigd om Christus te vervolgen, want wij zien hier hoe hij zich tot Christus wendt om onderricht, en wel op een betamelijke wijze, niet om Christus te verzoeken, maar nadere kennis met Hem begerende.
I. Hij vroeg: Welk is het eerste gebod van alle? vers 28. Hij bedoelt niet het eerste naar rangorde, maar het eerste in gewicht en betekenis. "Welk is het gebod, dat wij zeer bijzonder in het oog moeten houden, en waaraan onze gehoorzaamheid den grond zal leggen voor onze gehoorzaamheid aan al de overigen?" Niet, alsof enig gebod van God klein of onbeduidend is-zij zijn allen geboden van een groot God- maar sommigen zijn groter of gewichtiger dan anderen, zedelijke voorschriften dan rituele bepalingen, en van sommigen kunnen wij zeggen: Zij zijn de grootsten van allen.
II. Christus gaf een rechtstreeks antwoord op zijne vraag, vers 29-31. Hen, die in oprechtheid onderricht begeren te worden omtrent hun plicht, zal Christus leiden in het recht en Zijn weg leren. Hij zegt hem:
1. Dat het grootste gebod van alle, en waarin allen eigenlijk opgesloten liggen, is het gebod om God lief te hebben uit geheel ons hart.
a. Waar dit het heersend beginsel is in de ziel, daar bestaat de neiging om alle andere plichten te volbrengen. Liefde is de voornaamste genegenheid der ziel, de liefde tot God is de voornaamste genadegave in de wedergeboren ziel.
b. Waar dit niet is, daar wordt niets anders gedaan, dat goed is of dat op de rechte wijze gedaan wordt, of Gode welbehaaglijk is, of lang gedaan wordt. Als wij God liefhebben met geheel ons hart, dan zal ons dit krachtdadiglijk aftrekken van, en ons wapenen tegen, al die dingen, die met Hem mededingen naar den troon in onze ziel en ons aansporen tot alles, waardoor Hij geëerd kan worden en dat Hem welbehaaglijk is, en geen gebod zal zwaar zijn waar dit beginsel heerst en de overhand heeft. Hier in Markus laat onze Heiland dit gebod voorafgaan door de grote leerstellige waarheid, waarop het gegrond is, vers 29, Hoor Israël! de Heere, onze God, is een enig Heere. Indien wij dit vastelijk geloven, dan zal hieruit volgen dat wij Hem uit geheel ons hart zullen liefhebben. Hij is Jehova, die alle beminnelijke volmaaktheden heeft in zich zelven, Hij is onze God, tot wie wij in betrekking staan, en aan wie wij verplicht zijn, en daarom behoren wij Hem lief te hebben, op Hem onze genegenheden te vestigen, onze begeerten naar Hem te laten uitgaan, in Hem onze verlustiging te vinden, en Hij is een enig Heere, daarom moet Hij bemind worden uit geheel ons hart, Hij alleen heeft recht op ons, en daarom moet Hij alleen ons bezitten. Indien Hij een is, dan moet ons hart een zijn met Hem, en daar er geen andere God is, moet geen mededinger op Zijn troon worden toegelaten.
2. Dat het tweede grote gebod is, onzen naaste lief te hebben als ons zelven, vers 31, even waarlijk en oprecht als wij ons zelven liefhebben en ten opzichte van dezelfde zaken, en wij moeten dit tonen door te doen wat wij wensen dat ons gedaan zal worden. Gelijk wij nu God meer moeten liefhebben dan ons zelven, omdat Hij Jehova is, een wezen, oneindig beter dan wij zelven zijn, en Hem moeten liefhebben uit geheel ons hart, omdat Hij een enig Heere is, en niemand Hem gelijk is, zo moeten wij onzen naaste liefhebben als ons zelven, omdat hij met ons van dezelfde natuur is, onze harten zijn op dezelfde wijze geformeerd, en mijn naaste en ik zijn van een lichaam, van ene maatschappij, die van de wereld der mensheid, en zo hij een mede-Christen is, en tot dezelfde heilige gemeenschap behoort, dan is de verplichting nog sterker. Heeft niet een God ons geschapen? Maleachi 2:10. Heeft niet een Christus ons verlost? Wèl mocht Christus zeggen: Er is geen ander gebod groter dan deze, want in deze wordt de gehele wet vervuld, en als wij er een gewetenszaak van maken om aan deze te gehoorzamen, dan zal gehoorzaamheid aan alle andere als vanzelf hieruit voortvloeien.
III. De schriftgeleerde stemde in met wat Christus gezegd heeft, en weidde er nog over uit, vers 32, 33.
1. Hij prijst Christus' beslissing van deze zaak, Meester, Gij hebt in waarheid gezegd. Christus' verklaring had het getuigenis van den schriftgeleerde niet van node, maar deze schriftgeleerde, een man van gezag zijnde, dacht dat het woord van Christus er in aanzien door zou winnen, als het door hem geprezen en gesteund werd. En het zal getuigen tegen hen, die Christus vervolgd hebben als een bedrieger, dat een hunner, een schriftgeleerde uit hun eigen midden, beleden heeft dat Hij de waarheid heeft gezegd, en haar goed heeft gezegd. Zo moeten wij de woorden van Christus onderschrijven, er ons zegel op zetten, dat zij waar zijn.
2. Hij voegt er nog ene verklaring aan toe. Christus had de grote leerstelling aangehaald, dat de Heere onze God een enig Heere is, en hiermede heeft hij niet slechts ingestemd, maar er nog aan toegevoegd: Er is geen ander dan Hij, en daarom moeten wij ook geen andere goden hebben. Hierdoor worden alle mededingers van Hem buitengesloten, en wordt de troon van ons hart Hem geheel en onverdeeld verzekerd. Christus heeft de grote wet vastgesteld van God lief te hebben uit geheel ons hart, en ook dit wordt door den schriftgeleerde volkomen toegestemd. Wij moeten God liefhebben uit geheel het verstand, als die weten hoe overvolledige redenen wij hebben om Hem lief te hebben. Gelijk onze liefde tot God geheel en onverdeeld moet wezen, zo moet zij ook een verstandige, welbewuste liefde zijn, al onze verstandelijke vermogens moeten aangewend worden om de genegenheden der ziel op God te richten. Christus had gezegd: God en onzen naaste lief te hebben is het grootste van al de geboden, ja, zegt de schriftgeleerde, het is meer dan al de brandoffers en de slachtofferen, Gode meer welbehaaglijk, en ook van meer nut voor ons zelven. Er waren sommigen, die meenden dat de wet der offeranden het grootste van al de geboden was, maar deze schriftgeleerde stemde geredelijk in met Christus, dat de wet der liefde tot God en onzen naaste groter is dan die der offeranden, zelfs dan die der brandoffers, die alleen en uitsluitend de eer Gods bedoelden.
IV. Christus schonk Zijne goedkeuring aan hetgeen hij gezegd had en moedigde hem aan om nog verder onderzoek naar Hem te doen, vers 34. 1. Hij erkende dat hij goed had verstaan, en in zover ook goed en betamelijk had geantwoord. Jezus zag dat hij verstandelijk had geantwoord, en dit behaagde Hem te meer, omdat Hij zo vele schriftgeleerden, mannen van letteren en wetenschap, had ontmoet, die onverstandig hadden geantwoord, als mensen, die geen verstand hadden of begeerden te hebben. Hij antwoordde als iemand, die geest of verstand had, als een met rede begaafden mens, die zijne zinnen goed bij elkaar had, als iemand, wiens geest niet was verblind, wiens oordeel niet was vervalst, en wiens gedachten niet gebonden waren door de vooroordelen, waardoor de andere schriftgeleerden zich zozeer lieten beheersen. Hij antwoordde als iemand, die zich de vrijheid en den tijd gunt om na te denken, en die dan ook werkelijk nagedacht heeft.
2. Hij erkende dat hij goed op den weg was om nog verder te komen: "Gij zijt niet verre van het koninkrijk Gods, het koninkrijk der genade en der heerlijkheid, gij zijt goed op weg om een Christen te worden, een discipel van Christus. Want de leer van Christus dringt het meest aan op deze dingen, is bestemd en heeft de strekking u hiertoe te brengen." Er is voor hen, die van het licht dat zij hebben een goed gebruik maken, en zover gaan als dit licht hen brengt, goede hope, dat zij door de genade Gods nog verder zullen komen. Wat van dezen schriftgeleerde geworden is, wordt ons niet gezegd, maar wij willen gaarne hopen, dat hij den wenk ter harte nam, dien Christus hem gaf, en dat hij, na tot zijn grote voldoening van Hem gehoord te hebben wat het grote gebod der wet was, Hem of Zijn apostelen nu ook zou vragen wat het grote gebod was van het Evangelie. indien hij dit echter niet gedaan heeft, maar op het punt is blijven staan waar hij was, dan moeten wij dit niet vreemd achten, want er zijn velen, die niet verre zijn van het koninkrijk Gods, en er toch nooit in komen. Nu zou men zo gedacht hebben, dat velen hierdoor opgewekt zouden zijn om Hem te raadplegen, maar het had een tegenovergestelde uitwerking.
Niemand durfde Hem meer vragen. Alles wat Hij zei, werd gezegd met zoveel gezag en majesteit, dat iedereen met ontzag voor Hem werd vervuld, zij, die wilden leren, schaamden zich om onderricht te vragen, en zij, die slechts bedoelden te vitten, waren bevreesd om nog iets te vragen.