Lukas 10:25-37
Wij hebben hier Christus' gesprek met een wetgeleerde over zekere gewetenszaken, omtrent welke goed ingelicht te zijn voor ons allen van het grootste belang is, en die inlichting ontvangen wij hier van Christus, hoewel de vragen Hem met geen goede bedoelingen gedaan zijn.
I. Het is voor ons van belang te weten wat het goede is, dat wij in dit leven moeten doen, ten einde het eeuwige leven te kunnen verkrijgen. Ene vraag desbetreffende werd aan onzen Zaligmaker gedaan door een zeker wetgeleerde of schriftgeleerde, met het blote doel Hem te verzoeken, niet met het doel om door Hem onderwezen te worden, vers 25. De wetgeleerde stond op en vroeg Hem: Meester! wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? Indien Christus daar iets bijzonders voor wist of had voor te schrijven, dan zou hij het door deze vraag van Hem te weten komen, en er Hem misschien om kunnen tentoonstellen als tegenstander van Mozes, indien niet, dan zou hij Zijne leer tentoonstellen als nutteloos en nodeloos, daar zij geen andere aanwijzing kon geven om de gelukzaligheid te verkrijgen, dan die zij reeds hadden ontvangen. Of wellicht had hij gene boze bedoelingen tegen Christus, zoals sommige schriftgeleerden ze hadden, en wilde hij slechts een weinig met Christus spreken, zoals de mensen naar de kerk gaan om eens te horen wat de leraar zegt. Het was een goede vraag: Wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? Maar al het goede ging er van af, als zij gedaan werd met een slechte bedoeling, of wel met een laag, onbeduidend doel. Het is niet genoeg van de dingen Gods te spreken en er onderzoek naar te doen, wij moeten het doen met passende belangstelling. Als wij van het eeuwige leven en den weg, die er heen voert, op zorgeloze, onverschillige wijze spreken, als bloot onderwerp van gesprek, inzonderheid als stof tot twisting, dan gebruiken wij Gods naam ijdelijk, zoals hier deze wetgeleerde gedaan heeft. De vraag nu gesteld zijnde, merk op:
1. Hoe Christus hem verwijst naar de Goddelijke wet, en hem zei hare aanwijzing te volgen. Hoewel Hij de gedachten en bedoelingen van zijn hart kende, heeft Hij hem toch niet geantwoord naar de dwaasheid er van, maar naar de wijsheid van de vraag, die hij deed. Hij antwoordde met een wedervraag: Wat is in de wet geschreven? hoe leest gij? vers 26. Hij kwam om Christus te ondervragen en Hem te kennen, maar Christus zal hem ondervragen en hem zich zelven doen kennen. Hij spreekt tot Hem als een wetgeleerde, als iemand die zeer vertrouwd is met de wet, de studie van zijn beroep zal hem inlichten, laat hem nu handelen naar zijne kennis, en dan zal hem het eeuwige leven niet ontgaan. Het zal ons op onzen weg naar den hemel van groot nut zijn om goed te bedenken wat geschreven is in de wet, en wat wij daar lezen. Wij moeten ons wenden tot onzen Bijbel, tot de wet, zoals zij nu is in de hand van Christus, en wandelen op den weg, die ons daar getoond is. Het is een groot voorrecht en genade, dat wij de geschreven wet hebben, dat zij ons tot volkomen zekerheid hierdoor is, en dus ook geschikt om verder verspreid te worden en langer te duren. Daar zij geschreven is, is het onze plicht haar te lezen, haar te lezen met verstand, en te bewaren en te onthouden wat wij lezen, zodat wij als er de gelegenheid toe is, instaat zijn te zeggen wat in de wet geschreven is en hoe wij lezen. Hierop moeten wij ons beroepen, daaraan moeten wij onze leer toetsen, en hiermede alle twisting doen eindigen, dit moet onze Godsspraak zijn, onze keursteen, onze regel, onze gids. Wat is geschreven in de wet? Hoe lezen wij? Indien er licht in ons is, dan zal dit betrekking hebben op dat licht.
2. Hoe goed hij sprak over de wet, over de voornaamste geboden der wet, tot wier waarneming wij ons moeten verplichten, als wij het eeuwige leven willen beërven. Hij heeft zich niet, als een Farizeeër, beroepen op de inzettingen der ouden, maar als een goed bijbelkundige, klemde hij zich vast aan de twee eerste en grote geboden der wet, als die welke hij dacht, dat het stiptst onderhouden moesten worden, ten einde het eeuwige leven te verkrijgen, en waarin ook alle anderen lagen opgesloten, vers 27.
a. Wij moeten God liefhebben uit geheel ons hart, moeten op Hem zien als op het beste van alle wezens, in zich zelven hoogst-beminnelijk en oneindig volmaakt en voortreffelijk, als iemand, aan wie wij de grootste verplichting hebben en dus de grootste dankbaarheid verschuldigd zijn. Wij moeten Hem waarderen, en ons zelven schatten naar onze verhouding tot Hem, wij moeten ons in Hem verlustigen en ons geheel en volkomen aan Hem wijden. Onze liefde tot Hem moet oprecht, hartelijk en vurig zijn, het moet een alles-overtreffende liefde zijn, een liefde, sterk als de dood, maar een verstandige liefde, waarvan wij goede rekenschap kunnen geven, en de gronden er voor kunnen aantonen. Het moet een onverdeelde liefde zijn, Hij moet geheel onze ziel hebben, en moet gediend worden met alles wat in ons is. Wij moeten buiten Hem niets anders liefhebben, dan wat wij voor Hem liefhebben en in ondergeschiktheid aan Hem.
b. Wij moeten onzen naaste liefhebben als ons zelven, hetgeen ons gemakkelijk zal vallen, indien wij, zoals wij behoren, God meer liefhebben dan ons zelven. Wij moeten voor allen het goede wensen en voor niemand het kwade, wij moeten in de wereld al het goed doen dat wij kunnen, en geen kwaad, en het ons ten regel stellen om aan anderen te doen wat wij wensen, dat zij ons zullen doen: dit is onzen naaste lief te hebben als ons zelven.
3. Christus' goedkeuring van hetgeen hij zei, vers 28. Hoewel hij gekomen was om Hem te verzoeken, heeft Christus toch wat hij goed zei geprezen. Gij hebt recht geantwoord. Christus zelf hechtte zich aan deze als aan de twee grote geboden der wet, Mattheus 22:37, beiden kwamen dus hierin overeen. Zij, die goed doen, hebben lof en dien moeten ook zij hebben, die goed spreken. In zover is het recht, maar nu blijft nog het moeilijkste deel van het werk: Doe dat, en gij zult leven, zult gij het eeuwige leven beërven
4. Zijne poging om aan de overtuiging te ontkomen, die door dit antwoord bij hem zou kunnen ontstaan. Toen Christus zei: Doe dat, en gij zult leven, begon hij te begrijpen, dat Christus hem tot de erkentenis wilde brengen, dat hij dit niet gedaan had, en dat hij dus nu behoorde te gaan vragen wat hij doen moest, waarheen hij zich moest wenden om vergeving zijner zonden te verkrijgen: een erkenning ook, dat hij dit in het vervolg niet volkomen kon doen in zijn eigen kracht, en dus de vraag moest doen, werwaarts zich te wenden om de kracht, die hem hiertoe instaat stellen zal, maar hij wilde zich rechtvaardigen, en dus wilde hij dit gesprek liever niet voortzetten, maar zei, naar zin en bedoeling, wat iemand anders gezegd heeft, Mattheus 19:20, Al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af. Velen doen goede vragen veeleer met het doel om zich te rechtvaardigen, dan om zich inlichtingen te verschaffen, eerder hovaardiglijk om te tonen hoeveel goed er in hen is, dan in ootmoed om te zien wat er slecht en verkeerd in hen is.
II. Het is voor ons van belang te weten wie onze naaste is, dien wij, volgens het tweede grote gebod, verplicht zijn lief te hebben. Dat is een andere vraag van den wetgeleerde, die hij slechts deed, om van de andere af te komen, opdat Christus hem, bij de voortzetting van het gesprek er over, niet zou noodzaken zich zelven te veroordelen, terwijl hij bij zich zelven besloten had zich te rechtvaardigen. Wat betreft het liefhebben van God, hij was bereid er niets meer van te zeggen, maar betreffende zijn naaste, hij was er zeker van hieraan volkomen voldaan te hebben, want hij is altijd zeer vriendelijk en welwillend en hoffelijk geweest voor allen, die hem omringen. Merk nu op:
1. Wat het valse begrip was der Joodse leraren omtrent deze zaak. Dr. Lightfoot haalt hun eigen woorden aan, als volgt: "Waar God zegt: Gij zult uwen naaste liefhebben, zondert Hij uit alle heidenen, want zij zijn onze naasten niet, maar alleen diegenen zijn het, welke van onze eigen natie en Godsdienst zijn." Zij wilden geen Israëliet ter dood brengen wegens den moord op een heiden, want hij was zijn naaste niet. Wèl zeggen zij dat zij geen heiden moeten doden, met wie zij niet in oorlog zijn, maar als zij een heiden in doodsgevaar zagen, dan achtten zij zich niet verplicht om te helpen om zijn leven te redden, Zulke goddeloze gevolgtrekkingen hebben zij afgeleid van dat heilig verbond van bijzonderen aard, waardoor God hen had onderscheiden, en door het aldus te misbruiken, hebben zij het verbeurd, en heeft God de verbondszegeningen overgebracht op de heidenwereld, waaraan zij zelfs de gewone gunsten wilden ontzeggen.
2. Hoe Christus dit onmenselijk denkbeeld terechtwees, en door ene gelijkenis aantoonde, dat hij, van wie wij een vriendelijkheid nodig hebben te ontvangen, en dien wij gereed vinden ons de vriendelijkheid te betonen, die wij nodig hebben, door ons als onzen naaste beschouwd moet worden, en bijgevolg moeten wij ook allen, die onze vriendelijkheid behoeven, als onze naasten beschouwen en hun dienovereenkomstig vriendelijkheid bewijzen, al zijn zij ook niet van ons volk en onzen Godsdienst. Let nu op:
a. De gelijkenis zelf, die ons een armen Jood voorstelt in benauwende omstandigheden, en die ondersteund en geholpen werd door een goeden Samaritaan. Laat ons hier zien, hoe hij mishandeld werd door zijne vijanden. De brave man reisde vreedzaam voor zijn wettige zaken over den weg, en het was een lange weg, die van Jeruzalem naar Jericho leidde, vers 30. De vermelding dezer plaatsen geeft te kennen dat het een gebeurde zaak, geen gelijkenis was, waarschijnlijk was het kort-geleden gebeurd, juist zoals het hier verhaald wordt. De voorvallen onder de leiding van Gods voorzienigheid kunnen ons veel leren, als wij ze zorgvuldig opmerken en er ons geestelijk voordeel mede doen, zij zouden dan van evenveel waarde zijn als de gelijkenissen, die tot lering uitgedacht worden, en zij zouden nog dieper indruk maken. Deze arme man viel onder de moordenaars. Of het Arabieren, plunderaars, waren, die van roof leefden, of losbandige snoodaards van zijn ei gen volk. of sommige Romeinse soldaten, die in weerwil van de strenge krijgstucht in hun leger, die slechte daad bedreven hebben, blijkt niet, maar zij waren zeer barbaars, zij namen hem niet alleen zijn geld af, maar ook zijne klederen, en, opdat hij niet instaat zou zijn hen te vervolgen, of wellicht alleen om hun wrede neiging bot te vieren (want anders, wat gewin was er in zijn bloed?) hebben zij hem gewond, en lieten hem half dood liggen, op het punt van aan zijne wonden te sterven. Wij kunnen hier een rechtmatige verontwaardiging gevoelen voor struikrovers, die zich van alle menselijke gevoel hebben ontdaan, en als onredelijke dieren zijn geworden, roofdieren, voortgebracht om gevangen en gedood te worden, en tevens kunnen wij niet dan met medelijden denken aan hen, die zulke goddelozen en onredelijken mensen in handen vallen, en zo het in onze macht is, moeten wij bereid zijn hen te helpen. Welk een reden hebben wij om God te danken, als wij voor het gevaar van rovers bewaard worden. Hoe hij veronachtzaamd werd door hen, die zijne vrienden hadden moeten wezen, die niet slechts tot zijn eigen volk en Godsdienst behoorden, maar van wie de een een priester en de ander een Leviet was, mannen dus, die met een openbaar ambt waren bekleed, ja zelfs waren zij mannen, die op heiligheid aanspraak maakten, en wier ambt hen tot teder mededogen verplichtte, Hebreeën 5:2, die aan anderen hun plicht hadden moeten leren in een dergelijk geval, namelijk degenen te redden, die ter dood gegrepen is, maar zij zelven wilden het niet doen. Dr. Lightfoot zegt, dat vele priesters hun woonplaats hadden in Jericho, en van daar opgingen naar Jeruzalem, als het hun beurt was om er dienst te doen, en dan weer teruggingen, waardoor op dien weg zeer dikwijls priesters heen en weer gingen, die dan van Levieten vergezeld waren. Zij kwamen dien weg af, en zagen den armen gewonden man liggen. Waarschijnlijk hebben zij zijn kermen gehoord, en moesten zij wel bemerken dat hij, zo hem gene hulp werd verleend, zou moeten omkomen. De Leviet bespeurde hem niet slechts, maar hij kwam, en zag hem, vers 32. Maar zij gingen tegenover hem voorbij, toen zij zagen in welken toestand hij zich bevond, gingen zij hem zo ver mogelijk uit den weg, als om een schijn te hebben van te kunnen zeggen, Wij hebben het niet geweten. Het is treurig wanneer zij, die voorbeelden moesten zijn van barmhartigheid, monsters zijn van wreedheid, als zij, die door op de goedertierenheden Gods te wijzen, de ingewanden der barmhartigheid moeten openen van anderen, de hun toesluiten. Hoe hij geholpen en bijgestaan werd door een vreemdeling, een zeker Samaritaan, iemand uit dat volk, dat door de Joden meer dan alle anderen veracht en verfoeid werd, en waarmee zij geen omgang wilden hebben. Deze man bezat nog iets menselijks, vers 33. De priester had zijn hart verhard tegen iemand van zijn eigen volk, maar de Samaritaan had het zijne geopend voor iemand van een ander volk. Hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen, zonder in overweging te nemen van welk land hij was. Schoon hij een Jood was, was hij toch een mens, een mens in ongelukkigen toestand, en de Samaritaan heeft geleerd alle mensen te eren. Hij weet niet hoe spoedig hij in hetzelfde geval van dien ongelukkige kan verkeren, en daarom heeft hij medelijden met hem, zoals hij wenste en verwachtte dat men met hem medelijden zou hebben, als hij zich in zulk een toestand zou bevinden. Dat zulk een grote liefde in een Samaritaan zou gevonden worden werd misschien even verwonderlijk geacht als het grote geloof, dat Christus in een Romein heeft bewonderd. en in een Kananese vrouw, maar in werkelijkheid is dit niet zo, want medelijden is het werk des mensen, maar geloof is het werk van Goddelijke genade. Het mededogen van dezen Samaritaan was geen droog medelijden, hij achtte het niet genoeg te zeggen: Word genezen, word geholpen, maar toen hij zijne ziel opende voor dezen ongelukkige, heeft hij ook zijne hand tot hem uitgestrekt. Jesaja 58:7, 10, Spreuken 31:20. Zie hoe vriendelijk deze goede Samaritaan was. Ten eerste. Hij ging tot den armen man, van wie de priester en de Leviet op een afstand zijn gebleven. Ongetwijfeld heeft hij hem gevraagd, hoe hij in zo beklagenswaardigen toestand gekomen is, en hem zijn leedwezen er over te kennen gegeven. Ten tweede. Bij gebrek aan betere geneeskundige hulp, heeft hij zelf hem zo goed hij kon geneeskundig behandeld. Hij verbond zijne wonden, maakte daarvoor gebruik van zijn eigen linnen waarschijnlijk, en goot er olie en wijn in, die hij wellicht bij zich had, wijn om de wonde te wassen, en olie om haar te verzachten en te doen sluiten. Hij deed al wat hij kon om de pijn te verlichten en het gevaar van zijne wonden af te wenden, als iemand wiens hart met hem bloedde. Ten derde. Hij hief hem op zijn eigen beest, en ging zelf te voet, en voerde hem in de herberg. Het is een grote zegen om herbergen te hebben op den weg, waar wij voor ons geld voedsel en rust kunnen bekomen. Wellicht zou de Samaritaan, indien hij dit oponthoud niet had gehad, dien avond aan het einde zijner reis zijn gekomen, maar uit medelijden met dien armen man, brengt hij den nacht door in de herberg. Sommigen denken dat de priester en de Leviet voorwendden den armen man niet te hulp te kunnen komen, omdat zij gehaast waren om hun dienst in den tempel te gaan waarnemen. Wij onderstellen dat deze Samaritaan voor zaken op reis was, maar hij begreep dat zijn zaken, en ook het offeren aan God plaats moesten geven aan een werk der barmhartigheid, als dit. Ten vierde. Hij verzorgde hem in de herberg, bracht hem te bed, voorzag hem van geschikt voedsel en goede bediening, en wellicht heeft hij ook met hem gebeden. Ten vijfde. Alsof het zijn eigen kind was of iemand, voor wie het zijn plicht was te zorgen, heeft hij, toen hij des morgens vertrok, geld achtergelaten bij den waard, om voor hem besteed te worden, en gaf zijn woord te zullen betalen, als er meer onkosten moesten gemaakt worden. Twee penningen van hun geld hadden een waarde van ongeveer vijf en zeventig cents van ons geld, hetgeen naar de waarde der dingen in dien tijd, ver kon strekken, evenwel, het was slechts als een a conto voor het volle bedrag. Dit alles was vriendelijk en edelmoedig, zoveel als men van een vriend had kunnen verwachten, of van een broeder, en het wordt hier gedaan door een vreemde, een buitenlander. Nu is deze gelijkenis van toepassing voor nog iets anders, dan waarvoor zij oorspronkelijk bedoeld werd. Op uitnemende wijze stelt zij de liefde van God, onzen Zaligmaker, in het licht voor den. zondigen, ongelukkigen mens. Wij waren gelijk deze arme, in benauwdheid verkerende reiziger. Satan, onze vijand, had ons beroofd, ons naakt uitgetogen en ons gewond, dat is het kwaad, dat de zonde ons gedaan heeft. Van nature waren wij meer dan half dood, wij waren dubbel dood door de misdaden en de zonden, volkomen onmachtig om ons zelven te helpen, want wij waren krachteloos. De wet van Mozes heeft, evenals de priester en de Leviet, de dienaren der wet, ons aangezien, maar ons geen medelijden betoond, ons geen hulp of verlichting gegeven, maar ging tegenover ons voorbij, daar zij noch mededogen noch macht had ons te helpen, maar nu komt de gezegende Jezus, de goede Samaritaan (en bij wijze van smaad en verwijt hebben zij van Hem gezegd: hij is een Samaritaan), Hij ontfermt zich over ons, verbindt onze bloedende wonden, Psalm 147:3, Jesaja 61:1, giet er-niet olie en wijn in, maar hetgeen on eindig kostelijker is: Zijn eigen bloed. Hij verzorgt ons, en zegt ons al de kosten onzer genezing op Zijne rekening te stellen, en dit alles, terwijl Hij toch niet tot ons behoorde, voordat het Hem door Zijn vrijwillige, neerbuigende goedheid behaagd heeft, te worden als tot ons behorende, hoewel dan nog oneindig ver boven ons. Dit verheerlijkt den rijkdom Zijner liefde, en verplicht ons allen te zeggen: "Hoeveel zijn wij Hem verschuldigd, en wat zullen wij Hem vergelden?"
b. De toepassing der gelijkenis. De waarheid, er in vervat, wordt aan des wetgeleerden eigen mond ontwrongen. Zeg Mij, zegt Christus, wie van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen, die onder de moordenaren gevallen was? vers 36, de priester, de Leviet, of de Samaritaan? Wie van dezen heeft den plicht van den naaste gedaan?" Hierop wilde de wetgeleerde niet antwoorden, zoals hij had behoren te antwoorden: "Ongetwijfeld de Samaritaan, maar: die barmhartigheid aan hem gedaan heeft, hij heeft zich ongetwijfeld als naaste gedragen, en ik kan niet anders zeggen, dan dat het een goed werk was om aldus een armen Jood voor omkomen te behoeden". De plicht, hieruit afgeleid, wordt den wetgeleerde nu aan het hart gelegd Ga heen, en doe gij desgelijks. De plicht van vrienden en betrekkingen is wederzijds, de aanspraak en het recht, van vrienden, broeders, naburen, zijn, gelijk Hugo de Groot hier zegt: toon pros ti, aan beide zijden gelijkelijk bindend: indien de ene zijde verbonden is, kan de andere zijde niet los zijn, zoals in alle contracten overeen wordt gekomen. Indien een Samaritaan wel doet met een in nood zijnden Jood bij te staan, dan voorzeker doet een Jood niet wel, zo hij weigert om een in nood zijnden Samaritaan te hulp te komen. Petimusque damasque vicissim -Deze vriendelijke diensten moeten wederkerig bewezen worden. "Daarom, ga heen en doe zoals de Samaritaan gedaan heeft, telkenmale als de gelegenheid er zich toe aanbiedt, betoon barmhartigheid aan hen, die uwe hulp behoeven, en doe het vrijwillig, met belangstelling en medelijden, al zijn zij ook niet van uw volk of uwe geloofsbelijdenis, of kerkgemeenschap. Laat uwe barmhartigheid aldus ruim, uitgebreid zijn, eer gij roemt dat gij het grote gebod zijt nagekomen van uwen naaste lief te hebben." Deze wetgeleerde liet zich zeer voorstaan op zijne geleerdheid en kennis der wetten, en daarin dacht hij Christus zelf in verwarring of verlegenheid te hebben gebracht, maar Christus zendt hem ter schole bij een Samaritaan, om van hem zijn plicht te leren. "Ga heen, en doe gij zoals hij gedaan heeft." Het is de plicht van een iegelijk onzer om, in onze plaats en naar ons vermogen, allen te helpen, die in nood of benauwdheid zijn, en inzonderheid behoren wetgeleerden dit te doen, en hierin moeten wij streven velen te overtreffen, die er zich op verheffen priesters of Levieten te zijn.