Job 18:11-21
Bildad beschrijft hier het verderf zelf, voor hetwelk de goddelozen bewaard worden in de andere wereld en dat hen dikwijls enigermate reeds in deze wereld aangrijpt. Kom en zie in welk een ongelukkige toestand de zondaar zich bevindt, als zijn dag om te vallen gekomen is.
I. Zie hem ontmoedigd en verzwakt door gedurige verschrikkingen, voortkomende uit het besef van zijn schuld en van de toorn Gods, vers 11, 12. De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, de angsten van zijn eigen geweten zullen hem vervolgen, zodat hij nooit gerust is, overal waar hij gaat volgen deze hem, waarheen hij de blik richt, staren deze hem aan. Het zal hem doen beven te zien dat de gehele schepping tegen hem strijdt, dat de hemel hem dreigend aanziet, de hel zich voor hem opent en de aarde van hem walgt. Hij, die zijn eigen beschuldiger en zijn eigen pijniger altijd met zich omdraagt, kan niet anders dan aan alle kanten bevreesd zijn. Dat zal hem op de vlucht drijven, zoals de boosdoeners, die, zich bewust zijnde van hun schuld "vlieden daar geen vervolger is," Spreuken 28:1. Maar zijn voeten zullen hem geen dienst bewijzen, zij zitten vast in de strik, vers 9. De zondaar zou even spoedig de Goddelijke almacht kunnen overweldigen, als de Goddelijke alwetendheid ontvluchten, Amos 9:2, 8.
Geen wonder, dat de zondaar ontmoedigd is en verbijsterd van angst, want:
1. Hij ziet zijn verderf naderen, de verwoesting zal aan zijn zijde gereed zijn, om hem, zodra de gerechtigheid het woord spreekt, het teken geeft, aan te grijpen, zodat hij "als in een ogenblik tot verwoesting wordt," Psalm 73:19.
2. Hij gevoelt zich ten enenmale onmachtig om er tegen te worstelen, hij kan er noch aan ontkomen noch er zich kloekmoedig onder gedragen. Hetgeen waarop hij steunde als op zijn sterkte-zijn rijkdom, zijn macht en pracht, zijn vrienden en zijn stoutmoedigheid-zal hem in de tijd van nood falen, hongerig wezen dat is: het zal hem niet meer dienst doen dan een uitgehongerd man, die reeds wegteert van honger, dienst zou doen voor arbeid of in de krijg. De zaak aldus met hem staande, is het geen wonder, dat hij zichzelf een schrik is. De weg van de zonde is een weg van vrees en leidt naar eeuwige beschaming, waarvan de tegenwoordige verschrikkingen van een onzuiver en onbevredigd geweten voorproeven zijn, zoals zij dit voor Kain en Judas geweest zijn.
II. Zie hem verzwolgen door een ongelukkige dood, en zeer ellendig voorwaar is de dood van een goddeloze, hoe veilig en vrolijk zijn leven ook scheen te zijn.
1. Zie hem stervende aangegrepen door de eerstgeborene des doods, de een of andere ziekte, of een noodlottige slag, die een meer dan gewone gelijkenis heeft met de dood zelf, zo grote dood, gelijk hij genoemd wordt, 2 Corinthiers 1:10, een bode des doods, die een ongemene kracht en verschrikking in zich heeft, de voorboden van de dood verteren de kracht van zijn huid, vers 13, zij brengen verrotting in zijn gebeente en verteren hem. Zijn vertrouwen zal uit zijn tent uitgerukt worden, vers 14, dat is: alles waarop hij vertrouwt voor zijn ondersteuning. zal hem ontnomen worden en hij zal niets hebben, waarop hij steunen kan neen, zelfs zijn eigen tent niet. Zijn eigen ziel was zijn vertrouwen, maar die zal uit de tent, de tabernakel des lichaams, uitgerukt worden, gelijk een boom, die onnut de aarde beslaat. Uw ziel zal van u afgeëist worden. 2. Zie hem gestorven, en beschouw met het oog des geloofs nu zijn toestand.
a. Dan wordt hij tot de koning van de verschrikkingen gebracht. Hij was omringd van verschrikkingen terwijl hij leefde, vers 11, en de dood was de koning van al die verschrikkingen, zij streden tegen de zondaar in naam van de dode, want het is uit hoofde van de dood, dat de zondaars "al hun leven van de dienstbaarheid onderworpen zijn," Hebreeën 2:15, en eindelijk zullen zij tot hetgeen zij zolang gevreesd hebben, gebracht worden, zoals een gevangene tot de overwinnaar. Voor de natuur is de dood schrikkelijk. Onze Heiland zelf heeft gebeden: "Vader verlos mij van deze ure, " maar voor de goddelozen is hij in zeer bijzondere zin de koning van de verschrikkingen, beide omdat hij een einde maakt aan dat leven, in hetwelk zij hun geluk gesteld hebben, en omdat hij hen heenvoert naar dat leven, waarin zij eindeloze rampzaligheid zullen vinden. Hoe gelukkig zijn dan niet de heiligen en hoeveel zijn zij niet verschuldigd aan de Heere Jezus, door wie de dood zo teniet gedaan is en de eigenschap ervan zo veranderd is, dat deze koning van de verschrikking een vriend en dienstknecht is geworden! Hij zal dan van het licht in de duisternis werden gestoten, vers 13, van het licht van deze wereld, en zijn staat van voorspoed erin, in duisternis, en "tot in eeuwigheid zal hij het licht niet zien" Psalm 49:20, niet het minste schijnsel ervan.
b. Men zal hem van de wereld verjagen, voortgedreven en weggesleurd door de boden des doods, zeer tegen zijn zin, verjaagd zoals Adam uit het paradijs, want de wereld is zijn paradijs. Het geeft te kennen dat hij wel gaarne hier zou blijven, hij is wars van heen te gaan, maar heengaan moet hij, geheel de wereld is hem moede, en daarom jaagt zij hem er uit, blijde om hem kwijt te raken. Dat is voor een goddeloze de dood.
III. Zie zijn gezin, zijn geslacht, verdorven en afgesneden, vers 15. De toorn en de vloek van God komen neer en liggen niet alleen op zijn eigen hoofd en hart, maar ook op zijn huis om het te verteren "met zijn houten en zijn stenen," Zacheria 5:4. De dood zelf zal in zijn tent wonen, en hem uitgeworpen hebbende, neemt hij bezit van zijn huis, tot schrik en verderf van allen, die hij heeft achtergelaten, zelfs de woning zal om der wille van haar eigenaar verwoest worden, zijn woning zal met zwavel overstrooid worden, er op geregend worden zoals op Sodom, naar welks verwoesting dit schijnt te verwijzen. Sommigen denken dat hij hier aan Job het verbranden van zijn schapen en dienstknechten door het hemelvuur als voor de voeten werpt. De reden wordt opgegeven, waarom zijn tent voor verwoesting is getekend namelijk omdat zij de zijne niet is, dat is: zij was onrechtvaardig verkregen en aan de rechtmatige eigenaar onthouden, daarom moet hij niet verwachten dat hij er duurzame gerieflijkheid van zal hebben.
Zijn kinderen zullen omkomen, hetzij met hem of na hem, vers 16. Zodat zijn wortelen, in zijn eigen persoon zijnde, van onderen zullen verdorren, en van boven zal zijn tak, ieder kind van zijn geslacht, afgesneden worden. Aldus zijn de huizen van Jerobeam, Baesa en Achab afgesneden, geen hunner nakomelingen werd in het leven gelaten. Zij, die wortel schieten in de aarde, kunnen verwachten dat die wortel aldus zal verdorren, maar als wij geworteld zijn in Christus, dan zal zelfs ons blad niet afvallen, veel minder onze tak worden afgesneden. Zij, die te rade gaan met de ware eer van hun geslacht, en het welvaren van deszelfs takken zullen bevreesd zijn om het door hun zonde te doen verdorren. De verdelging van het geslacht van de zondaars wordt nogmaals vermeld, vers 19. Hij zal geen zoon noch neef hebben, kind noch kleinkind, om zijn goederen te bezitten en zijn naam in wezen te houden, ook zal er niemand, die aan hem verwant is, in zijn tent overblijven. De zonde brengt een vloek op het nageslacht, en de ongerechtigheid van de vaderen wordt dikwijls bezocht aan de kinderen. Ook hierin heeft Bildad waarschijnlijk gedoeld op de dood van Jobs kinderen en dienstknechten als een nog nader bewijs dat hij een goddeloos man is, terwijl toch niet allen, die kinderloos zijn aangeschreven, daarom ook zijn aangeschreven als zonder genade te zijn, er is een naam, die beter is dan die van zonen en dochteren.
IV. Zie zijn gedachtenis met hem begraven, of hatelijk gemaakt, hij zal of worden vergeten, of er zal met schande van hem worden gesproken, vers 17. Zijn gedachtenis zal vergaan van de aarde, en als zij vandaar vergaat, dan vergaat zij geheel en al, want in de hemel was zij nooit geschreven, zoals de namen van de heiligen daar geschreven zijn, Lukas 10:20. Al zijn eer zal in het stof gelegd en verloren zijn, of geschandvlekt door altijddurende versmaadheid, zodat hij geen naam zal hebben op de straat, heengaan zal zonder begeerd te zijn. Zo volgen hem Gods oordelen na de dood in deze wereld, als een aanduiding van de rampzaligheid van zijn ziel na de dood, en een voorproef van die eeuwige schande en versmaadheden, waartoe hij zal ontwaken in de groten dag. "De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn, maat de naam van de goddelozen zal verrotten,' Spreuken 10:7.
V. Zie een algemene verbazing bij zijn val, vers 20. Zij, die hem zien, zijn verschrikt, zo plotseling heeft de verandering plaats, zo schrikkelijk is de strafvoltrekking en zo dreigend voor allen, die hem omringen, en zij, die na hem komen en er het gerucht van horen, staan er over ontzet, hun oren klinken en hun hart siddert, en zij roepen: Heere, hoe vreeslijk zijt Gij in Uw oordelen! Een plaats, of een persoon, die ten enenmale aan verderf en verwoesting werd prijsgegeven, wordt gezegd tot een schrik te zijn gemaakt, Deuteronomium 28:37, 2 Kronieken 7:21 Jeremia 25:9, 18.
Eindelijk. Zie dit alles betuigd en gestaafd als het algemene gevoelen van de patriarchale tijd, gegrond op hun kennis van God en hun veelvuldige waarnemingen van de handelingen van Zijn voorzienigheid, vers 21. Gewis zodanig zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats, dit de toestand, desgenen, die God niet kent! Zie hier wat het begin en wat het einde is van de goddelozen.
1. Het begin is onwetendheid omtrent God, en het is moedwillige onwetendheid, want er is datgene van Hem te weten, hetwelk. volstaat om hen voor altijd zonder verontschuldiging te laten. Zij kennen God niet, en dan zondigen zij, bedrijven zij alle ongerechtigheid, Farao kent de Heere niet, en daarom wil hij niet naar Zijn stem horen.
2. Het einde is algeheel verderf. Zodanig, zo ellendig, zijn de woningen van de goddelozen. "Er zal wraak gedaan worden over degenen, die God niet kennen," 2 Thessalonicenzen 1:8 T. Want aan hen, van wie Hij geen eer ontvangt, zal Hij geëerd worden. Zo laat ons dan beroerd zijn, dat is vreze, ontzag hebben voor Gods majesteit, -en niet zondigen, want zonde zal gewis in het einde bitterheid wezen.