Deuteronomium 25:5-12
I. Hier is de wet vastgesteld betreffende het huwen van de weduwe van een broeder. Uit de geschiedenis van Juda's gezin blijkt, dat dit een oud gebruik was, Genesis 38:8, ter bewaring en instandhouding van de onderscheiden geslachten. Het gestelde geval komt dikwijls voor namelijk dat een man sterft zonder kinderen na te laten, hetzij in de bloei van zijn jaren, of spoedig na het huwelijk, terwijl zijn broeders nog te jong waren om gehuwd te zijn. In zo'n geval nu moest de weduwe niet hertrouwen in een andere familie, tenzij al de bloedverwanten van haar overleden man haar weigerden, opdat de bezitting, waarmee zij begiftigd was, niet vervreemd werd.
2. De broeder van haar echtgenoot, of naaste bloedverwant, moest haar huwen, deels uit achting voor haar, die haar eigen volk en haars vaders huis vergeten hebbende, alle mogelijke vriendelijkheid moet ontvangen van de familie, waarin zij door haar huwelijk gekomen is, en deels uit achting voor de overleden echtgenoot opdat hij, hoewel gestorven zijnde, niet vergeten zou worden, noch gemist zal worden in de geslachtregisters van zijn stam, want het eerstgeboren kind, dat de broeder of naaste bloedverwant bij de weduwe zou hebben, moest genoemd worden naar de gestorvene, en in het geslachtsregister ingeschreven worden als zijn kind, vers 5, 6. Wij hebben reden te denken dat de mensen onder die bedeling niet zo helder en vast een vooruitzicht hadden, van zelf na de dood te leven, als wij thans hebben, aan wie het leven en de onsterflijkheid aan het licht gebracht zijn door het Evangelie, en daarom moesten zij wel te meer begeren te leven in hun nageslacht, welke onschuldige begeerte enigermate bevredigd werd door deze wet, een middel gevonden zijnde, dat de naam eens mans niet uitgedelgd zou worden in Israël, al had hij ook geen kind bij zijn vrouw, dat is, dat zijn naam niet zou voorkomen op de stamboom, of, hetgeen hieraan gelijk was, onder het brandmerk van de kinderloosheid zou blijven. De Sadduceen hebben onze Heiland een geval voorgesteld met betrekking tot deze wet, met het doel er de leerstelling van de opstanding door in het nauw te brengen, Mattheus 22:24 en verv, wellicht te kennen willende geven, dat het niet nodig was de onsterflijkheid van de ziel en een toekomstige staat voor te staan, daar de wet er zo goed in voorzien had, dat van de mensen naam en geslacht in deze wereld in wezen zullen blijven. Maar:
3. Indien de broeder of nabestaande weigerde deze goede dienst te bewijzen aan de nagedachtenis van de verstorvene, wat moet er dan geschieden?
a. Hij zal er niet toe gedwongen worden, vers 7. Indien zij hem niet bevalt, is hij vrij om haar te weigeren, hetgeen, naar sommigen denken, in zo'n geval niet veroorloofd was voor de wet van Mozes. In die betrekking is liefde alles in alles voor het behaaglijke en lieflijke van het leven, en liefde kan niet gedwongen worden, en daarom moet zonder haar die betrekking niet gedwongen tot stand worden gebracht.
b. Maar hij zal er in het openbaar om gesmaad worden, dat hij weigert. De weduwe, als de persoon aan wie de naam en de eer van de overledene het meest aangingen, moest bij de oudsten een klacht indienen wegens de weigering. Indien hij dan in zijn weigering bleef volharden, dan moest zij zijn schoen uittrekken en hem in het gezicht spuwen, in de open rechtszitting (of zoals de Joodse wetgeleerden het temperen, voor zijn aangezicht spuwen) om hem een schandmerk in te drukken, dat ook na hem op zijn geslacht zou blijven, vers 8 10. Diegenen lijden rechtvaardiglijk in hun eigen eer, die niet doen wat zij moeten om de naam en de eer van anderen te bewaren. Hij, die het huis van zijn broeder niet wilde bouwen, verdiende dat er een smet kwam op zijn eigen huis, en dat het genoemd zou worden het huis desgenen wie de schoen uitgetogen is, ten teken, dat hij verdiende barrevoets te moeten gaan. In het geval van Ruth vinden wij die wetten uitvoer gelegd Ruth 4:7, omdat echter op de weigering van de naaste bloedverwant er een ander was, bereid om de plichten van de echtgenote van een broeder te vervullen, zo was het die andere die de schoen uittrok, en niet de weduwe Boaz, en niet Ruth.
II. Een wet om een onwelvoegelijke vrouw te straffen, vers 11, 12. De vrouw, die volgens de vorige wet de broeder haars echtgenote moest verklagen, omdat hij haar niet wilde huwen, en hem in tegenwoordigheid van de oudsten in het gezicht moest spuwen, had wel een grote mate van stoutmoedigheid nodig, maar opdat nu die stoutmoedigheid, welke deze wet ondersteunde niet zo ver zou gaan, dat zij ongepast werd voor haar sekse, is hier een zeer strenge, maar rechtvaardige wet om onbeschaamdheid en onzedigheid te straffen.
1. Het veronderstelde geval is blijkbaar in de hoogste mate schandelijk. Ene vrouw zou het niet kunnen doen, als zij niet alle deugd en eer had afgeschud.
2. De aanleiding er toe zou haar ten dele kunnen verontschuldigen, het was om haar echtgenoot te redden uit de hand desgenen, die hem te sterk was. Indien nu die handeling zo streng gestraft moest worden, hoeveel temeer dan niet, zo zij in dartele brooddronkenheid gedaan werd.
3. Voor straf moest haar de hand afgehakt worden, en de magistraat moet niet barmhartiger willen wezen dan God, uw oog zal niet verschonen. Onze Heiland zinspeelt misschien op deze wet, als Hij ons gebiedt die rechterhand die ons ergert, of ons een aanleiding is tot zondigen, af te hakken, het is beter het zwaarste lijden op te leggen aan het lichaam, dan dat de ziel voor eeuwig verloren ga. Zedigheid is de omtuining van de kuisheid, en moet daarom door beide seksen met de uiterste zorg bewaard worden.