Mattheus 21:28-32
Gelijk Christus Zijne discipelen onderwees door gelijkenissen, waardoor Zijn onderwijs gemakkelijker door hen begrepen werd, zo heeft Hij soms Zijne vijanden door gelijkenissen van hun onrecht overtuigd, waardoor de bestraffing meer tot hen doordrong, want op die wijze worden de mensen wel eens, eer zij het zelven weten tot zelfbeschuldiging gebracht. Aldus heeft Nathan David overtuigd door ene gelijkenis, 2 Samuël 12:1, en op dezelfde wijze heeft de vrouw van Thekoa hem verrast, 2 Samuël 14:2. Bestraffende gelijkenissen doen als het ware een beroep op de zondaren zelven, en oordelen hen uit hun eigen mond. Dit is het wat Christus hier bedoelt, gelijk blijkt uit de eerste woorden, vers 28, Maar wat dunkt u? In deze verzen hebben wij de gelijkenis van de twee zonen, die gezonden waren om te werken in den wijngaard, waarvan het doel is aan te tonen, dat zij, die niet wisten of de doop van Johannes uit God was, zelfs door tollenaren en hoeren beschaamd werden, die het wèl wisten en het erkenden. Hier is:
I. De gelijkenis zelf, welke twee soorten van mensen voorstelt, sommigen, die blijken beter te zijn dan zij schenen, zijn voorgesteld door den eersten dezer twee zonen, anderen die meer van zich doen verwachten dan zij zullen blijken te zijn, worden voorgesteld door den tweeden.
1. Zij hadden beiden dezelfden vader, hetgeen betekent, dat God de Vader is van alle mensen. Er zijn gunsten, die allen gelijkelijk van Hem ontvangen, en allen staan onder dezelfde verplichtingen jegens Hem. Hebben wij niet allen een Vader? Ja, en toch is er een zeer groot verschil tussen het karakter en den aard der mensen.
2. Er was hun hetzelfde bevel gegeven: Zoon, ga heen, werk heden in mijn wijngaard. Ouders moeten hun kinderen niet in luiheid en ledigheid grootbrengen, er is voor de jeugd niets zo strelend, en toch ook zo verderflijk, als dat, Klaagliederen 3:27. God zet Zijne kinderen aan het werk, hoewel zij allen erfgenamen zijn. Dit gebod wordt aan een iegelijk onzer gegeven. Het Godsdienstig werk, waartoe wij geroepen zijn, is werk in den wijngaard, eervol, nuttig en aangenaam. Door de zonde van Adam werden wij uitgedreven, om op het gewone veld te werken, en de kruiden des velds te eten, maar door de genade van onzen Heere Jezus worden wij geroepen om te werken in den wijngaard. De Evangelie-roeping om in den wijngaard te arbeiden eist dadelijke gehoorzaamheid, Zoon, ga heen, werk heden, terwijl het heden genaamd wordt, want de nacht komt, wanneer niemand werken kan. Wij zijn niet in de wereld gezonden om lui en ledig te zijn, en ook is ons het daglicht niet gegeven om er bij te spelen. Indien wij dus iets voor God en onze ziel denken te doen, waarom niet heden? Waarom niet nu? De vermaning om heen te gaan en heden in den wijngaard te werken, spreekt tot ons als tot zonen, Hebreeën 12:5, Zoon, ga heen, werk. Het is het gebod van een Vader, waarin zowel gezag als genegenheid is gelegen, een Vader, die zich ontfermt over Zijne kinderen, die weet wat maaksel zij zijn, en hen niet overmatig zal belasten, Psalm 103:13, 14, een Vader, die Zijn zoon verschoont, die Hem dient, Maleachi 3:17. Indien wij werken in den wijngaard onzes Vaders, dan werken wij voor ons zelven.
3. Hun gedrag was zeer verschillend.
a. Een der zonen deed beter dan hij zei te zullen doen, bleek beter te zijn dan hij van zich liet verwachten. Zijn antwoord was slecht, maar zijne daden waren goed. Het onbetamelijk antwoord, dat hij zijn vader gaf, hij zei rondweg: Ik wil niet. Zie tot welk ene hoogte van onbeschaamdheid de verdorven natuur des mensen komt, als hij op het gebod van een vader antwoordt: Ik wil niet, en dat wel op zulk een gebod van zulk een Vader, zij zijn dus wel onbeschaamde en eigenzinnige kinderen. Zij, die niet willen buigen, kunnen voorzeker ook niet blozen. Indien er nog enige mate van bescheidenheid in hen ware overgebleven, zij zouden niet kunnen zeggen: Wij willen niet, Jeremia 2:25. Verontschuldigingen zijn slecht, maar rechtstreekse weigeringen zijn nog slechter, toch worden zulke lompe weigeringen om aan de roepstem van het Evangelie gehoor te geven, maar al te dikwijls vernomen. Ten eerste. Sommigen houden van hun gemak, en willen niet werken, zij willen in de wereld leven, zoals de Leviathan in het water, om daarin te spelen, Psalm 104:26, zij houden niet van werken. Ten tweede. Hun hart is zo gesteld op hun eigen akkers, dat zij er niet toe te vinden zijn om in Gods wijngaard te werken. Zij beminnen de zaken der wereld meer dan de zaak van hun Godsdienst. Aldus worden sommigen door de genietingen der zinnen, en anderen door de bezigheden der wereld, er van teruggehouden, om het grote werk te doen, waarvoor zij in de wereld gezonden waren, en zo staan zij dan den gehelen dag ledig. Nu zien wij hier een gelukkige verandering van zin of gemoedsgesteldheid, en dus ook van handelwijze: Daarna berouw hebbende, ging hij heen. Er zijn velen, die bij den aanvang slecht en eigenzinnig zijn, en zeer weinig verwachting van zich geven, die later berouw hebben, hun leven beteren, en tot iets goeds komen. Sommigen, die door God zijn uitverkoren, kunnen voor een tijd tot grote buitensporigheid van boosheid komen, dit waart gij sommigen, 1 Corinthiërs 6:11. Dezen zijn gesteld tot een voorbeeld der lankmoedigheid Gods, 1 Timotheus 1:16. Daarna berouw hebbende. Het berouw is metanoia, een na-verstand, en metameleia ene nazorg of na-gedachte. Beter laat dan nooit. Toen hij berouw had, ging hij, dat was vrucht der bekering waardig. Het enige blijk van berouw over onzen vroegeren onwil is onmiddellijke gehoorzaamheid, een zich terstond aan het werk begeven, dan zal het verledene vergeven worden, en alles zal wèl zijn. Zie hoe vriendelijk een Vader God is, Hij behoudt geen toorn over onze vroegere weigeringen, zoals Hij rechtvaardiglijk kon. Hij, die zijn vader in het aangezicht weerstaat en hem durft zeggen, dat hij niet wilde doen wat hij hem gebood, verdiende het huis uitgezet en onterfd te worden, maar onze God wacht om genadig te zijn, en in weerwil van onze vorige dwaasheden, zal Hij-zo wij berouw hebben en ons beteren, ons aannemen en ons genadig zijn-Geloofd zij God, wij zijn onder een verbond, dat plaats voor zulk berouw heeft overgelaten.
b. De andere zoon sprak beter dan hij deed, beloofde meer dan hij volbracht, zijn antwoord was goed, maar zijne daden waren slecht. Tot hem zei de vader desgelijks, vers 30. De roeping des Evangelies is voor allen gelijk, hoewel zeer verschillend in de uitwerking er van. Allen ontvangen wij hetzelfde gebod, aan allen worden dezelfde verplichtingen opgelegd, dezelfde aanmoedigingen gegeven, maar voor sommigen zijn zij ene reuk des levens ten leven, voor anderen ene reuk des doods ten dode. Hoe schone belofte gaf deze andere zoon, hij zei: Ik ga, heer! Hij spreekt zijn vader aan met den eretitel heer. Het betaamt kinderen eerbiedig te zijn in hun spreken tot hun ouders. Dat behoort tot dat eren, dat ons door het vijfde gebod ten plicht is gesteld. Hij betuigt een gerede gehoorzaamheid: Ik ga, niet: Ik zal zo straks gaan, maar: Ik ben gereed, heer, gij kunt er op rekenen, ik ga terstond. Dit antwoord behoren wij te geven van harte en in oprechtheid, op alle geboden en roepingen van het woord Gods, Jeremia 3:22, Psalm 27:8. Hoe hij faalde in het volbrengen, Hij ging niet. Er zijn velen, die goede woorden geven, en schone beloften doen omtrent den Godsdienst, en voor het ogenblik dit ook menen en er het voornemen toe hebben, maar daar dan bij blijven. Het voornemen wordt niet ten uitvoer gebracht, en zo loopt alles op niets uit. Zeggen en doen zijn twee, en velen zijn er, die zeggen en niet doen. Dit wordt inzonderheid aan de Farizeeën ten laste gelegd, Hoofdstuk 23:3. Velen tonen veel liefde met den mond, maar hun hart gaat een anderen weg. Zij waren wel genegen Godsdienstig te zijn, maar zij bevonden, dat er iets gedaan moest worden, dat hun veel te moeilijk was, dat zij van iets hadden af te laten, dat hun te lief was, en zo bleef hun voornemen zonder gevolg. Knoppen en bloesems zijn nog gene vruchten.
II. Ene vraag in het algemeen naar aanleiding van deze gelijkenis: Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? vers 31. Zij hadden beiden hun fouten, de een was ruw en lomp, de ander was onoprecht, met zulk ene verscheidenheid van aard en gezindheid in hun kinderen hebben ouders dikwijls te kampen, en daarom hebben zij veel wijsheid en genade nodig, om op de beste wijze met hen om te gaan. Maar de vraag is: wie van de twee was de beste, wie van de twee had de minst ergerlijke fouten? En die vraag was weldra opgelost, de eerste, omdat zijne daden beter waren dan zijne woorden, en het laatste bij hem beter was dan het eerste. Dit hadden zij geleerd uit het gezond verstand, daar men toch veel liever te doen heeft met iemand, die beter zal zijn dan zijn woord, dan met iemand, die zijn woord niet houdt. En de bedoeling of strekking er van hadden zij geleerd uit hetgeen God zegt omtrent den regel van Zijn oordeel, Ezechiël 18:21-24, wanneer de goddeloze zich bekeert van zijne zonden, hij zal vergeving erlangen, en indien de rechtvaardige zich af keert van zijne gerechtigheid, hij zal verworpen worden. De inhoud en strekking van geheel de Schrift geeft ons te verstaan, dat diegenen aangenomen worden, als doende den wil des Vaders, die treuren om hetgeen zij er in tekort kwamen, en er naar streven om beter te doen.
III. Een bijzondere toepassing hiervan op de onderhavige zaak, vers 31, 32. Het eerste en voorname doel der gelijkenis is aan te tonen, dat de hoeren en tollenaren wel nooit spraken van den Messias en Zijn koninkrijk, maar toch de leer van Johannes de Doper, Zijn voorloper, aannamen en zich aan zijne tucht onderwierpen, toen de priesters en ouderlingen, die vol waren van de verwachting van den Messias, Johannes de Doper toch geminacht hebben en zijne zending hebben tegengestaan. Maar zij heeft nog een verdere strekking: de heidenen waren eertijds ongehoorzaam, zijn dit lang gebleven, kinderen der ongehoorzaamheid, evenals de oudste zoon, Titus 3:3, 4, maar toen hun het Evangelie werd gepredikt, zijn zij tot de gehoorzaamheid des geloofs gekomen, terwijl de Joden, die zeiden: Ik ga, heer, schone beloften aflegden, Exodus 24:7, Jozua 24:24, en toch niet gingen, zij hebben slechts God gevleid met hun mond, Psalm 78:36. In Christus' toepassing van deze gelijkenis valt op te merken:
1. Hoe Hij bewijst, dat de doop van Johannes uit den hemel was, en niet uit de mensen.
a. Door het doel van Zijne bediening :Johannes is tot u gekomen in den weg der gerechtigheid. Wilt gij weten of Johannes zijne opdracht van den hemel had, zo herinnert u den regel der toetsing: Aan hun vrucht zult gij hen kennen, de vrucht van hun leer, de vrucht van hun doen. Let slechts op hun weg en gij zult bespeuren van waar hun oorsprong is, en werwaarts zij zich heen strekken. Nu was het blijkbaar dat Johannes kwam in den weg der gerechtigheid. In zijne bediening vermaande hij het volk tot berouw en bekering en de werken der gerechtigheid te werken. In zijn wandel was hij een treffend voorbeeld van nauwgezetheid en ernst, en van minachting der wereld, zich zelven verloochenende en goed doende aan allen. Christus heeft zich aan den doop van Johannes onderworpen, omdat het Hem betaamde alle gerechtigheid te vervullen. Indien nu Johannes aldus in den weg der gerechtigheid is gekomen, kon het hun dan onbekend zijn, dat zijn doop uit den hemel was, of konden zij daaromtrent nog enigen twijfel koesteren? b. Door den voorspoed op zijn werk, de tollenaars en hoeren hebben hem geloofd, hij heeft zeer veel goed gedaan onder de slechtste klasse van mensen. Paulus bewees zijne roeping als apostel door het zegel zijns apostelschaps, 1 Corinthiërs 9:2. Indien God Johannes de Doper niet had gezonden, Hij zou zijn arbeid niet met zo heerlijk een voorspoed hebben gekroond, hem niet als middel gebruikt hebben voor de bekering van zielen, Indien tollenaars en hoeren zijne prediking geloven, dan voorzeker is de arm des Heeren met hem. Als de gemeente nut en voordeel heeft van de prediking, dan is dit het beste getuigenis voor den prediker.
2. Hoe Hij hen bestraft vanwege hun minachting van den doop van Johannes, die zij echter uit vreze voor het volk niet openlijk durfden betonen. Om hen hierover beschaamd te maken, wijst Hij hun op het geloof, het berouw en de gehoorzaamheid van de tollenaars en hoeren, waardoor hun ongeloof en hun onboetvaardigheid verzwaard werden. Gelijk Hij in Hoofdstuk 11:21 toonde, dat zij, van wie dit het minst verwacht kon worden, zich zouden bekeerd hebben, zo toont Hij hier, dat de zodanige zich werkelijk bekeerd hebben.
a. De tollenaars en hoeren waren als de eerste zoon in de gelijkenis, van wie weinig of geen Godsdienstig leven verwacht werd. Zij beloofden weinig goeds, en die hen kenden verwachtten ook zeer weinig goeds van hen. Hun aard was meestal ruw, en hun wandel losbandig en zedeloos, toch werd door de bediening van Johannes, die in den geest en de kracht van Elia was gekomen, op velen hunner ten goede gewerkt. Zie Lukas 7:29. Dezen waren de geschikte vertegenwoordigers van de heidenwereld, want de Joden hebben de tollenaars gemeenlijk met de heidenen gerangschikt, en de heidenen werden door de Joden voorgesteld als hoeren en uit hoeren geboren, Johannes 8:41.
b. De schriftgeleerden en Farizeeën, de overpriesters en ouderlingen, ja het Joodse volk in het algemeen, waren als de andere zoon, die goede woorden sprak. Zij legden een schone belijdenis af van den Godsdienst, en toch, toen het koninkrijk van den Messias onder hen gebracht werd door den doop van Johannes, hebben zij het geminacht, het den rug toegekeerd, ja de verzenen er tegen verheven. Een geveinsde is moeilijker tot overtuiging en bekering te brengen dan een grove zondaar. De gedaante der Godzaligheid wordt, zo men er in rust, een van Satans sterkten, waardoor hij de kracht der Godzaligheid weerstaat. Ene verzwaring van hun ongeloof was, ten eerste, Dat Johannes zo voortreffelijk een man is geweest, dat hij gekomen is, tot hen gekomen is, in den weg der gerechtigheid. Hoe beter de middelen zijn, hoe zwaarder de verantwoording, zo zij niet gebruikt worden. Ten tweede, Dat zij, toen zij de tollenaars en hoeren hen zagen voorgaan in het koninkrijk der hemelen, zich daarna toch niet hebben bekeerd en niet hebben geloofd, er niet tot een heilige jaloersheid door werden opgewekt, Romeinen 11:14. Zullen tollenaars en hoeren genade en heerlijkheid wegdragen, en wij er ons deel niet van hebben? Zullen onze minderen heiliger en gelukkiger zijn dan wij? Zij hadden het vernuft en de genade niet van Ezau, die door het voorbeeld van zijn jongeren broeder bewogen werd andere maatregelen te nemen, dan die hij tevoren genomen had, Genesis 28:6. Deze trotse priesters, die leidslieden wilden zijn, versmaadden het om te volgen, al ware het ook in het koninkrijk der hemelen, inzonderheid om tollenaars te volgen, vanwege dien hoogmoed huns aangezichts wilden zij God niet zoeken, wilden zij Christus niet zoeken, Psalm 40:4.