Mattheus 21:23-27
Onze Heere Jezus heeft-evenals Paulus na Hem-het Evangelie gepredikt in veel strijds. Zijn eerste optreden was in een strijd met de leraren in den tempel, toen Hij twaalf jaren oud was, en hier, even voor Zijn dood, zien wij Hem in twistgesprek. In dien zin was Hij, evenals Jeremia, een man van twist, niet zelf twistende, maar bestreden wordende. De grote twisters met Hem waren de overpriesters en de ouderlingen, de rechters in twee onderscheidene hoven, de overpriesters zaten voor in de kerkelijke rechtbank voor alle zaken des Heeren, zoals zij het noemden, de ouderlingen des volks waren rechters aan de burgerlijke rechtbank voor tijdelijke aangelegenheden. Zie hiervoor 2 Kronieken 19:5, 8, 11. Dezen verenigden zich om Christus aan te vallen, met de gedachte Hem bij den een of bij den ander, bij dezen of dien, gehaat te maken. Zie hoe treurig ontaard dat geslacht was, als de regeerders in de kerk, zowel als in den staat, die de grote bevorderaars hadden moeten wezen van het koninkrijk van den Messias, er de grote tegenstanders van waren! Hier zien wij hoe zij Hem storen in Zijne prediking, vers 23. Zij wilden noch zelven Zijn onderricht ontvangen, noch toelaten dat anderen het ontvingen.
I. Zodra Hij te Jeruzalem kwam, ging Hij in den tempel, hoewel Hij daar daags tevoren beledigd was, er zich in het midden Zijner vijanden bevond, en dus ook midden in het gevaar. Toch ging Hij er, want Hij had daar betere gelegenheid om goed te doen aan de zielen dan overal elders te Jeruzalem. Hoewel Hij hongerig in de stad kwam, en aan den onvruchtbaren vijgenboom teleurgesteld werd voor het vinden van een ontbijt, ging Hij toch, voor- zoveel wij zien kunnen, regelrecht naar den tempel, de redenen van Gods mond en de prediking er van meer achtende dan Zijn bescheiden deel, dat is: Zijn noodzakelijk voedsel.
II. In den tempel leerde Hij, Hij had hem een huis des gebeds genoemd, vers 13, en nu predikt Hij er. In de plechtige bijeenkomsten der Christenen behoren prediking en gebed samen te gaan, het ene mag het andere niet verdringen. Om gemeenschap met God te hebben, moeten wij niet slechts tot Hem spreken in gebed, maar ook horen wat Hij ons te zeggen heeft door Zijn woord, de bedienaren van het Evangelie moeten volharden in het gebed en in de bediening des woords, Handelingen 6:4. Nu Christus leerde in den tempel, was hiermede de Schrift vervuld, Jesaja 2:3. Laat ons opgaan tot den berg des Heeren, tot het huis van den God Jakob's, opdat Hij ons lere van Zijne wegen. De priesters vanouds hebben aldaar goede wetenschap geleerd, maar nooit hadden zij een leraar als deze.
III. Terwijl Christus het volk leerde, kwamen de priesters en ouderlingen en eisten van Hem, dat Hij Zijn last zou tonen. Hierin werd de hand van Satan openbaar om Hem te hinderen in Zijn werk. Het kan niet anders dan ene verdrietelijkheid en ene hindernis zijn voor een getrouw leraar, als hij afgeleid wordt van het eenvoudige, praktische prediken des woords door een onvermijdelijke noodzakelijkheid om zich in twistgesprek te begeven, toch is er uit dit kwaad goed voortgekomen, want hierdoor werd aan Christus de gelegenheid gegeven, om de tegenwerpingen tot zwijgen te brengen, tot grote voldoening van Zijne volgelingen, en terwijl Zijne tegenstanders dachten Hem door hun macht het zwijgen op te leggen, heeft Hij door Zijne wijsheid hen tot zwijgen gebracht. Nu kunnen wij in hun twisten met Hem opmerken:
1. Hoe Hij door hun hoogmoedigen, beledigenden eis werd aangevallen. Door wat macht doet gij deze dingen? en wie heeft u deze macht gegeven? Indien zij ernstig over Zijne wonderen hadden nagedacht, en over de macht, door welke Hij ze gewrocht had, dan zouden zij Hem deze vraag niet hebben behoeven te doen, maar zij moesten iets zeggen om hun hardnekkig ongeloof te verontschuldigen.
Gij rijdt in triomf Jeruzalem binnen, gij ontvangt de hosanna's, de toejuiching des volks, houdt toezicht in den tempel, drijft er diegenen uit, die van de bestuurders van den tempel verlof hadden er te zijn, en er hun de pacht voor betaalden, gij predikt een nieuwe leer, vanwaar hebt gij uwe opdracht om dit te doen? Was het van den keizer, of van den hogepriester, of van God? Toon uwe volmacht, uwe geloofsbrieven. Matigt gij u niet aan wat u niet toekomt? Het is goed. dat allen, die met gezag handelen, zich zelven afvragen: Wie gaf u dit gezag? Want, tenzij men desbetreffende een gerust geweten kan hebben, kan men op geen voorspoed hopen. Want zij, die zonder volmacht gaan, gaan zonder zegen. Jeremia 23:21, 22. Christus had dikwijls gezegd, en het onweerlegbaar bewezen, en Nicodemus, een leraar in Israël, had het erkend, dat Hij een leraar was, van God gezonden, Johannes 3:2. Maar thans, nu die zaak volkomen duidelijk en vastgesteld was, komen zij toch tot Hem met deze vraag. Zij doen dit in het praalvertoon van hun eigen macht als overpriesters, en ouderlingen, die, naar zij dachten, hun de bevoegdheid gaf, om Hem aldus ter verantwoording te roepen. Hoe hooghartig is hun vraag: Wie heeft u deze macht gegeven? Te kennen gevende, dat Hij gene macht kon hebben, omdat zij er Hem gene verleend hadden, 1 Koningen 22:24, Jeremia 20:1. Gemeenlijk ziet men dat zij, die het grootste misbruik maken van hun macht, er ook de grootste voorstanders van zijn, een genot vinden in alles wat naar uitoefening van macht zweemt. Zij deden Hem die vraag, om Hem te verwarren en te verstrikken. Weigert Hij te antwoorden, zij zullen Hem veroordelen omdat Hij niets zegt, als iemand, die zich stom houdt, en zij zouden dan het volk doen geloven, dat Zijn stilzwijgen ene toestemming was, een stille bekentenis van onwettig gezag en macht te hebben uitgeoefend. Zegt Hij, dat Hij Zijne macht van God heeft ontvangen, zij zouden, gelijk tevoren, een teken van den hemel eisen, of wel Zijne verdediging zelf Hem als misdaad toerekenen, daar zij er Hem van Godslastering om zouden beschuldigen.
2. Hoe Hij hun vraag door ene wedervraag beantwoordt, vers 24, 25. Ik zal u ook een woord vragen. Hij weigerde hun een direct antwoord te geven, maar antwoordt hen met ene vraag. Zij, die als schapen zijn in het midden der wolven, moeten voorzichtig zijn als de slangen, het hart des rechtvaardigen bedenkt zich om te antwoorden. Wij moeten rekenschap geven van de hope, die in ons is, niet slechts met zachtmoedigheid maar ook met vreze, 1 Petrus 3:15, met voorzichtigheid, opdat de waarheid niet geschaad en wij zelven niet in gevaar gebracht worden. Deze vaag nu betreft den doop van Johannes, hier genomen voor geheel zijn dienstwerk, zijne prediking, zowel als zijn doop. Was die uit den hemel? of uit de mensen? Het moet een van beiden zijn, wat hij deed kwam of uit zijn eigen brein voort, of hij was door God gezonden om het te doen. Gamaliëls redenering kwam hier ook op neer, Handelingen 5:38, 39, deze raad is of uit mensen, of uit God. Hoewel nu hetgeen blijkbaar slecht is, niet uit God kan wezen, kan toch hetgeen schijnbaar goed is, wèl uit mensen zijn, ja zelfs uit Satan, als hij zich verandert in een engel des lichts. Deze vraag was volstrekt niet listig, niet gedaan om de hun te ontwijken, maar
a. Indien zij deze vraag beantwoordden, dan was dit tevens een antwoord op hun vraag. indien zij tegen hun geweten zeiden, dat de doop van Johannes uit de mensen was, dan zou het gemakkelijk zijn te antwoorden, Johannes deed geen teken, Johannes 10:41. Christus heeft vele tekenen gedaan. Indien zij echter zeiden-zoals zij wel moesten erkennen-dat de doop van Johannes uit den hemel was, (hetgeen verondersteld werd door de vragen, die hem gedaan waren Johannes 1:21, Zijt gij Elias, of zijt gij de profeet?) dan hadden zij een antwoord op hun vraag, want Johannes heeft van Christus getuigd. De waarheden worden in het helderste licht gesteld, als zij naar volgorde worden genomen, het antwoord op de voorafgaande vraag zal de sleutel wezen tot het antwoord op de voornaamste, de gewichtigste vraag.
b. Indien zij weigerden te antwoorden, dan zou dat een goede reden zijn, waarom Hij geen bewijzen zou aanvoeren voor Zijn gezag bij mensen, die hardnekkig vasthielden aan vooroordeel, tegen de sterkste overtuiging in, het zou slechts paarlen voor de zwijnen zijn geworpen. Aldus vat Hij de wijzen in hun arglistigheid, 1 Corinthiërs 3:19, en zij, die van de eenvoudigste, helderste waarheid niet overtuigd wilden zijn, zullen dan overtuigd worden van de snoodste boosaardigheid te hebben gekoesterd, eerst tegen Johannes, daarna tegen Christus, en in beiden tegen God.
3. Hoe zij hierdoor in het nauw werden gebracht. Zij kenden de waarheid, maar wilden haar niet erkennen, en zo werden zij zelven gevangen in den strik, dien zij voor onzen Heere Jezus hadden gespannen. Merk op
a. Hoe zij bij zich zelven overlegden, niet over de zaak zelf, of de bewijzen, die er waren voor den Goddelijken oorsprong van den doop van Johannes, neen, hun was het slechts te doen om aan hun tegenstaan van Christus een schonen glimp te geven. Over twee dingen beraadslaagden zij in dit overleg bij zich zelven-hun eer en aanzien onder de mensen, en hun veiligheid, dezelfde dingen, welke diegenen voornamelijk op het oog hebben, die slechts het hun zoeken. Zij denken aan hun eigen eer en aanzien onder de mensen, die gevaar zouden lopen, indien zij erkenden dat de doop van Johannes uit God was, want dan zou Christus hun voor al het volk vragen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd? Te erkennen, dat ene leer uit God is, en haar toch niet aan te nemen en te omhelzen, is de grootste ongerijmdheid en goddeloosheid, waarvan een mens beschuldigd kan worden. Velen, die zich niet laten weerhouden om tegen te staan hetgeen zij weten waar en goed te zijn, uit vrees van te zondigen, worden teruggehouden uit vrees van schande om datgene als waar en goed te erkennen, dat zij veronachtzamen en tegenstaan. Aldus verwierpen zij den raad Gods tegen zich zelven, door zich niet te onderwerpen aan den doop van Johannes, en zijn zij zonder verontschuldiging. Zij denken aan hun veiligheid, zij zouden zich aan den toorn des volks blootstellen, indien zij zeiden, dat de doop van Johannes uit de mensen was, wij vrezen de schare, want zij houden allen Johannes voor een profeet. Het schijnt alzo, ten eerste, dat het volk een beter gevoelen was toegedaan omtrent Johannes dan de overpriesters en ouderlingen, of tenminste meer vrijmoedig en getrouw was in het uitspreken van dat gevoelen. Deze schare, waarvan zij in hun hoogmoed zeiden, dat zij de wet niet weet en vervloekt is, Johannes 7:49, schijnt het Evangelie gekend te hebben, en gezegend te zijn geweest. Ten tweede, dat de overpriesters en ouderlingen bang waren voor het volk, hetgeen duidelijk aantoont, dat de zaken in wanorde onder hen waren, en dat wederzijdse nijd en afgunst onder hen heersten, dat de regering aan den haat en de minachting des volks onderhevig was, en de Schrift vervuld werd: Ik heb u verachtelijk en onwaardig gemaakt, Maleachi 2:8, 9. Indien zij in hun oprechtheid hadden volhard, en hun plicht hadden gedaan, zij zouden hun gezag hebben behouden, en voor het volk niet hebben behoeven te vrezen. Soms zien wij, dat het volk hen vreesde, en dat zij dit als reden lieten gelden, waarom zij Christus niet beleden, Johannes 9:22, 12:42. Diegenen konden niet anders dan het volk vrezen, die er zich slechts op toelegden om zich door het volk te doen vrezen. Ten derde, dat het de aard is, zelfs van het gewone volk, om te ijveren voor de eer van hetgeen zij heilig en Goddelijk achten. Indien zij Johannes voor een profeet houden, dan zullen zij het niet dulden, dat er gezegd zou worden: Zijn doop was uit de mensen, vandaar is de hevigste strijd ontstaan over heilige dingen. Ten vierde. Dat de overpriesters en ouderlingen weerhouden werden van een openlijke ontkenning der waarheid, zelfs tegen hun overtuiging in, niet door de vreze Gods, maar zuiver en alleen door de vrees voor het volk, gelijk de siddering des mensen, zelfs voor Godvruchtigen, een strik legt, Prediker 29:25, zo kan zij ook slechte mensen weerhouden van al te goddeloos te zijn opdat zij niet zouden sterven buiten hun tijd, Prediker 7:17. Veel slechte mensen zouden nog slechter zijn, zo zij slechts durfden.
b. Hoe zij den Heiland antwoordden, en de zaak dus maar opgaven. Wij weten het niet. Des te meer schande voor hen, daar zij voorgaven voorgangers des volks te zijn, en naar hun ambt verplicht waren kennis te nemen van zulke dingen. Als zij hun wetenschap niet wilden bekennen, waren zij gedwongen hun onwetendheid te bekennen. Daarenboven spraken zij onwaarheid, toen zij zeiden: wij weten het niet, want zij wisten, dat de doop van Johannes uit God was. Er zijn velen, die de schande van liegen meer vrezen dan de zonde van liegen, en dus niet schromen te zeggen wat zij weten onwaar te zijn betreffende hun eigen gedachten, hun genegenheden en bedoelingen, of hun gedenken of hun vergeten van dingen, omdat zij weten dat niemand hen hierin kan tegenspreken, of van onwaarheid overtuigen. Aldus ontweek Christus den strik, dien zij voor Hem gespannen hadden, en rechtvaardigde Hij zich in Zijne weigering om hun ter wille te zijn. Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik dit doe. Indien zij zo slecht en laag waren om of niet te geloven, of niet te belijden, dat de doop van Johannes uit den hemel was (hoewel hij riep en drong tot bekering, den groten plicht, en verzegelde de nabijheid van het koninkrijk Gods, de grote belofte) dan waren zij er ook niet voor geschikt, dat met hen gesproken werd over Christus' gezag, want mensen van zulk ene gemoedsgesteldheid konden niet overtuigd worden van de waarheid, ja meer, zij konden er slechts door geprikkeld en geërgerd worden, en daarom: zo iemand onwetend is, die zij onwetend. Hun, die de waarheid, welke zij kennen, ten onder houden in ongerechtigheid, hetzij door haar niet te belijden, of haar niet te beleven, wordt met recht ook de waarheid onthouden, waarnaar zij vragen, Romeinen 1:18. Neem het talent weg van hem, die het begraven heeft, zij, die niet willen zien, zullen niet zien.