Johannes 12:42-43
Er werd enige eer aan Christus bewezen door deze oversten, want zij geloofden in Hem, zij waren er van overtuigd, dat Hij van God was gezonden, en hielden Zijne leer voor Goddelijk, maar zij deden Hem geen eer genoeg, want zij hadden den moed niet om hun geloof ín Hem te bekennen. Velen beleden meer vriendelijkheid voor Christus dan zij werkelijk hadden, dezen hadden meer vriendelijkheid voor Hem dan zij wilden belijden. Zie welk een strijd er in deze oversten was tussen hun overtuiging en hun bederf.
I. Zie de kracht van het woord in de overtuiging, die velen in hun hart koesterden, die niet moedwillig hun ogen sloten voor het licht. Zij geloofden in Hem zoals Nicodemus, ontvingen Hem als een leraar van God gekomen. De waarheid van het Evangelie heeft wellicht meer invloed op de gewetens der mensen dan wij weten. Velen kunnen niet anders, of zij moeten in hun hart toestemmen en goedkeuren, hetgeen waarvoor zij in het openbaar niet durven uitkomen. Wellicht zijn deze oversten ware gelovigen geweest, hoewel zij zwak waren, en hun geloof als een rokende vlaswiek was. Het zou kunnen wezen, dat er meer Godvruchtigen zijn dan wij denken. Elia dacht, dat hij alleen was overgebleven, toen God nog zeven duizend trouwe aanbidders had in Israël. Sommigen zijn wezenlijk beter dan zij schijnen. Hun fouten zijn bekend, maar hun berouw is het niet, iemands goedheid kan verborgen wezen door een schuldige maar toch vergeeflijke zwakheid, waarover hij zelf oprecht berouw heeft. Het koninkrijk Gods komt niet bij allen met eenzelfde uiterlijk gelaat, en allen, die goed en Godvruchtig zijn hebben niet hetzelfde vermogen om het te tonen.
II. Zie de kracht der wereld in het smoren van deze overtuiging. Zij geloofden in Christus, maar om den wille der Farizeeën, die het in hun macht hadden hun onvriendelijkheid aan te doen, durfden zij Hem niet belijden uit vreze van in den ban te worden gedaan. Merk hier op:
1. Waarin zij faalden en tekort kwamen. Zij hebben Christus niet beleden. Er is reden om de oprechtheid te betwijfelen van het geloof, waarvoor men, of uit schaamte, of uit vrees, niet durft uitkomen, want zij, die geloven met het hart, behoren te belijden met den mond, Romeinen 10:9.
2. Wat zij vreesden: uitgeworpen te worden uit de synagoge, hetgeen, naar zij dachten, ene schande en een nadeel voor hen zou zijn, alsof het hun kwaad kon doen om uitgeworpen te worden uit ene synagoge, die zich tot ene synagoge van Satan had gemaakt, en waarvan God geweken was.
3. Wat op den bodem lag dezer vrees: zij hadden de eer der mensen lief, verkozen haar als een kostbaarder goed, en joegen er naar als tot een begerenswaardiger doel, dan de eer van God, hetgeen afgoderij was, zoals die, Romeinen 1:25, het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper. Zij hebben deze twee tegen elkaar in de weegschaal gelegd, en, ze gewogen hebbende, dienovereenkomstig, gehandeld.
a. Zij legden de ere der mensen in de ene schaal, en be- dachten hoe goed het was ere te geven aan mensen, en eerbied te betonen voor de mening der Farizeeën, en ere te ontvangen van mensen, geprezen te worden door de overpriesters en toegejuicht te worden door het volk als goede zonen der kerk, der Joodse kerk, en zij wilden Christus niet belijden, uit vrees van in de achting der Farizeeën te dalen, en hun eigen reputatie te verliezen, hetgeen hun bevordering, hun wereldse belangen in den weg zou staan. En behalve dat: de volgelingen van Christus hadden een slechten naam, werden met minachting aangezien, hetgeen zij, die aan eerbewijzen gewoon waren, niet konden dragen. Indien zij echter elkanders mening gekend hadden, dan zouden zij wellicht meer moed hebben gehad, maar ieder hunner dacht, dat, zo hij zich ten gunste van Christus zou verklaren, hij alleen zou staan, zonder iemands steun te ontvangen, terwijl, zo iemand hunner slechts de kloekmoedigheid had gehad om het ijs te breken, hij meer steun zou gehad hebben dan hij wel dacht.
b. Zij legden de ere van God in de andere schaal. Zij waren er zich van bewust, dat zij door Christus te belijden, beide ere zouden geven aan God, en ere zouden ontvangen van God, dat Hij een welbehagen in hen zou hebben, en hun Zijn "wèl, zou toegeroepen hebben, maar:
c. Zij gaven de voorkeur aan de eer van mensen, en dit deed de schaal overhellen, het gevoel had de overhand over het geloof, en stelde het voor als meer begerenswaardig om goed aangeschreven te staan in de mening der Farizeeën, dan om Gode welbehaaglijk te wezen. Liefde voor de eer van mensen werkt zeer ten nadele van de kracht en de beoefening der Godsvrucht. Velen komen tekort in Gode ere te geven, doordat zij te veel haken naar de gunst van mensen. Liefde tot eer van mensen als bijoogmerk van hetgeen goed is, zal den mens tot een geveinsde maken, als de Godsdienst in de mode is, en liefde tot de eer van mensen als een laag beginsel in het kwade, zal den mens tot een afvallige maken, als de Godsdienst gehaat en gesmaad wordt, en men er zijn aanzien door verliezen kan, zoals dat hier het geval was. Zie Romeinen 2:29.