Lukas 9:28-36
Wij hebben hier het verhaal van Christus' gedaanteverandering, welke bedoeld was als een proeve of voorbeeld van Zijne heerlijkheid, waarin Hij komen zal om de wereld te oordelen, waarvan Hij zo-even had gesproken, en bijgevolg als ene bemoediging voor Zijne discipelen om voor Hem te lijden en zich nooit Zijns te schamen. Wij hadden dit verhaal reeds in Mattheus en Markus, en het is wel waard om herhaald te worden, en opnieuw door ons te worden bepeinsd ter bevestiging van ons geloof in den Heere Jezus, als het afschijnsel van Zijns Vaders heerlijkheid en als het Licht der wereld, tot vervulling van ons hart met hoge en eervolle gedachten nopens Hem, in weerwil van Zijn bekleed zijn met een lichaam, en om ons enig denkbeeld te geven van de heerlijkheid, tot welke Hij inging bij Zijne hemelvaart, en waarin Hij thans verschijnt binnen den voorhang, en tot opwekking en bemoediging van onze hoop en verwachting betreffende de heerlijkheid, die voor alle gelovigen in de toekomende wereld is weggelegd.
I. Hier is een bijzonderheid in het verhaal, waardoor het schijnt te verschillen van de twee andere evangelisten, die deze verheerlijking hebben beschreven. Zij zeiden dat het was zes dagen na de voorgaande woorden. Lukas zegt dat het was omtrent acht dagen, dat is: dat het heden voor een week was, dus met zes volle dagen er tussen, en het was de achtste dag. Sommigen denken dat het nacht was, toen Christus van gedaante werd veranderd, omdat de discipelen met slaap bezwaard waren, zoals bij Zijne doodsbenauwdheid, en des nachts zal Zijne verschijning in glans en heerlijkheid des te schitterender geweest zijn. Indien het in den nacht was, dan wordt de tijdberekening des te meer twijfelachtig en onzeker, waarschijnlijk was het in den nacht, tussen den zevenden en achtsten dag, en zo was het dan nu omtrent acht dagen..
II. Hier worden ook verscheidene belangrijke bijzonderheden bijgevoegd en verklaard.
1. Er wordt ons hier gezegd, dat Christus de eer ontving. toen Hij biddende was. Hij klom op den berg om te bidden, zoals Hij dikwijls deed, vers 28, en als Hij bad, werd de gedaante Zijns aangezichts veranderd. Toen Christus zich zelven vernederde om te bidden, is Hij aldus verhoogd geworden. Hij wist tevoren dat dit toen voor Hem bestemd was, en daarom zoekt Hij het door gebed. Christus zelf moet bidden om de gunsten, die voor Hem weggelegd waren en Hem waren beloofd: Eis van Mij, en Ik zal U geven, Psalm 2:8. En aldus bedoelde Hij eer te leggen op den plicht des gebeds, en het ons aan te bevelen. Het is een gedaante veranderende, hart veranderende plicht, als ons hart er door opgeheven en verwijd wordt, zodat wij er de heerlijkheid des Heeren in aanschouwen, dan zullen wij naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd worden, van heerlijkheid tot heerlijkheid, 2 Corinthiërs 3:18. Door het gebed verkrijgen wij ons de wijsheid, genade, en blijdschap, die het aangezicht doen blinken.
2. Lukas gebruikt niet het woord van gedaante veranderd - metamorphoote, (dat door Mattheus en Markus gebruikt werd) wellicht omdat het zo veelvuldig gebruikt wordt in de heidense theologie, maar hij gebruikt ene uitdrukking, die een gelijke betekenis heeft, to eidos tou prosopou heteron -de vorm van Zijn aangezicht was anders dan het geweest was, Zijn aangezicht blonk veel sterker dan het aangezicht van Mozes toen hij van den berg kwam, en Zijne kleding was wit en zeer blinkende. Zij was exastraptoon -schitterend als weerlicht, (een woord, dat alleen hier wordt gebruikt) zo dat Hij gans en al met licht bekleed scheen te zijn, om zich te bedekken met het licht, als met een kleed. 3. In Mattheus en Markus werd gezegd, dat van hen werden gezien Mozes en Elias, hier wordt gezegd dat zij gezien werden in heerlijkheid, om ons te leren, dat de heiligen, die van de aarde zijn weggegaan, in de heerlijkheid zijn, zich bevinden in een staat van heerlijkheid, zij blinken in heerlijkheid. Hij, in de heerlijkheid zijnde, zijn zij met Hem verschenen in heerlijkheid, zoals weldra ook alle heiligen met Hem in heerlijkheid zullen verschijnen.
4. Hier wordt ons gezegd wat het onderwerp was der bespreking tussen Christus en de twee grote profeten des Ouden Testaments. Zij spraken van Zijn uitgang, dien Hij zou volbrengen te Jeruzalem. Elegon tên exodon autou -Zijn exodus, Zijn heengaan, dat is: Zijn dood.
a. De dood van Christus wordt hier Zijn uitgang genoemd, Zijn verlaten van de wereld. Mozes en Elias hebben er in die gedachte tot Hem van gesproken, om Hem er mede te verzoenen, en het vooruitzicht er van voor Zijn menselijke natuur gemakkelijker te maken. De dood der heiligen is hun exodus, hun uittocht uit het Egypte dezer wereld, hun bevrijding uit het diensthuis. Sommigen denken dat de hemelvaart van Christus hier mede ingesloten is in dat heengaan, want de uittocht van Israël uit Egypte was een heengaan in triomf, en dat was ook Zijn heengaan van de aarde naar den hemel.
b. Deze uitgang moet Hij volbrengen, want aldus was het besloten, de zaak was onveranderlijk vastgesteld in den raad Gods.
c. Hij moet hem volbrengen te Jeruzalem, hoewel Hij meestal in Galilea verblijf hield: want Zijn boosaardigste vijanden waren te Jeruzalem, en daar was de zetel van het sanhedrin, dat het op zich nam om de profeten te oordelen.
d. Mozes en Elias spraken hiervan, om te kennen te geven dat het lijden van Christus en Zijn ingaan tot de heerlijkheid hetgeen was, waarvan Mozes en de profeten hadden gesproken, Lukas 24:26, 27, 1 Petrus 1:11.
e. Onze Heere Jezus was, zelfs in Zijne gedaanteverandering, bereid om in gesprek te treden over Zijn lijden en dood, om ons te leren dat het denken aan den dood, daar hij ons heengaan is uit deze wereld naar een andere, nooit ontijdig is, maar zeer bijzonder tijdig, als wij verhoogd worden, opdat wij ons niet zouden verheffen. Laat ons, in onze grootste heerlijkheid op aarde, gedenken dat wij hier geen blijvende stad hebben.
5. Hier wordt ons gezegd, wat ons tevoren niet gezegd was, dat de discipelen met slaap waren bezwaard, vers 32. Toen het visioen eerst begon, waren Petrus, Jakobus en Johannes slaperig. Het was of laat, of zij waren vermoeid, of in den vorigen nacht in hun rust gestoord. Of wellicht was er een lieflijke, kalmerende lucht, of waren er harmonieuze geluiden, die hen tot sluimeren uitlokten, als ene inleiding tot het visioen. Het kan ook zijn voortgekomen uit zondige zorgeloosheid en achteloosheid, toen Christus met hen in gebed was, dat zij op Zijn gebed niet behoorlijk acht sloegen, en om hen hiervoor te straffen werden zij gelaten om nu voort te slapen, toen Hij begon van gedaante veranderd te worden, zodat zij de gelegenheid verloren om te zien hoe dit wonder gewrocht werd. Deze drie sliepen toen Christus in Zijne heerlijkheid was, zoals zij daarna sliepen, toen Hij in doodsbenauwdheid was. Zie de zwakheid der menselijke natuur, zelfs in de besten, en hoezeer zij de genade Gods van node hebben. Men zou zo denken dat deze discipelen door niets zo getroffen zouden zijn, dan door de heerlijkheid en door de doodsbenauwdheid van hun Meester, en beide de heerlijkheid en de doodsbenauwdheid, nog wel in de hoogste mate, en toch was het een noch het ander instaat hen uit den slaap te houden. Hoe nodig is het ons God om opwekkende genade te bidden, ons niet slechts levend, maar ook levendig te maken! Opdat zij echter bevoegde getuigen zouden zijn van dit teken van den hemel bij hen, die er om een vroegen, zijn zij na een wijle ontwaakt, en toen hebben zij een juist gezicht gehad op al die heerlijkheid, zodat zij instaat waren een bijzonder bericht te geven, gelijk een hunner ook gedaan heeft, van hetgeen er geschiedde toen zij met Christus op den heiligen berg waren, 1 Petrus 1:18.
6. Hier wordt opgemerkt dat, toen Mozes en Elias op het punt waren om van Hem te scheiden, Petrus zei: Meester! het is goed, dat wij hier zijn, en laat ons drie tabernakelen maken. Aldus gebeurt het dikwijls dat wij de waardij onzer zegeningen dan eerst beseffen, als wij op het punt zijn van ze te verliezen, en er het voortduren niet eerder van begeren, voor zij op het punt zijn van weggenomen te worden. Petrus zei dit, niet wetende wat hij zei. Zij weten niet wat zij zeggen, die spreken van tabernakelen te maken op aarde voor de verheerlijkte heiligen in den hemel, die betere woningen hebben in den tempel aldaar, en verlangen om er weer te keren.
7. Er wordt hier betreffende de wolk, die hen overschaduwde, bijgevoegd, dat zij bevreesd werden als die in de wolk ingingen. De wolk was een teken van Gods meer bijzondere tegenwoordigheid. Het was in een wolk, dat God vanouds bezit nam van den tabernakel en den tempel, en als de wolk de tent der samenkomst bedekte, kon Mozes niet ingaan, Exodus 40:34, 35, en toen zij den tempel vervulde, konden de priesters vanwege die wolk niet staan om te dienen, 2 Kronieken 5:14. Dit was zodanig een wolk, geen wonder dus dat de discipelen vreesden om er in te gaan. Maar laat nooit iemand bevreesd zijn om in een wolk te gaan met Jezus Christus, want Hij zal er hen gewis veilig doorheen brengen.
8. De stem, die van den hemel kwam, wordt hier en in Markus niet zo ten volle beschreven als in Mattheus: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem! Hoewel de woorden: in dewelke Ik Mijn welbehagen heb, die wij zowel in Mattheus als Petrus hebben, hier niet zijn uitgedrukt, zijn zij toch in dat: Deze is Mijn geliefde Zoon begrepen, want, dien Hij liefheeft en in wie Hij een welbehagen heeft, is van gelijke betekenis, wij zijn aangenomen in den geliefde.
Eindelijk. Van de apostelen wordt hier gezegd, dat zij de zaak geheim hielden. Zij verhaalden in die dagen niemand iets van hetgeen zij gezien hadden, de openbaring er van bewarende voor een andere gelegenheid, wanneer de bewijzen, dat Christus de Zone Gods is, volledig geleverd zullen zijn door de uitstorting des Heiligen Geestes, en die leer dan in de gehele wereld verkondigd zal worden. Gelijk er een tijd is om te spreken, zo is er ook een tijd om te zwijgen. Alles is schoon en nuttig op zijn tijd.