Mattheus 18:21-35
Dit gedeelte van de rede over ergernissen moet ongetwijfeld verstaan worden van persoonlijk onrecht, dat wij kunnen vergeven. Wij hebben te letten op:
I. Petrus' vraag betreffende deze zaak, vers 21 :Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven? Is zevenmaal genoeg?
1. Hij neemt aan, dat hij moet vergeven, Christus had tevoren deze les aan Zijne discipelen geleerd, Hoofdstuk 6:14, 15, en Petrus heeft haar niet vergeten. Hij weet dat hij niet slechts geen wrok mag koesteren tegen zijn broeder, niet op wraak mag zinnen, maar een even goed vriend moet zijn als ooit, en de belediging of het onrecht moet vergeten.
2. Hij denkt, dat het heel groot is om tot zeven maal te vergeven, hij bedoelt niet zeven maal daags, zoals Christus gezegd heeft, Lukas 17:4, maar zeven maal in zijn leven, in de onderstelling dat, indien iemand hem zeven maal had mishandeld of onrecht had aangedaan, hij hem nu gerust kon verlaten, zich aan hem kon onttrekken, al zou de belediger overigens ook nog zo begerig zijn om met hem verzoend te worden. Wellicht had Petrus het oog op Spreuken 24:16 :De rechtvaardige zal zeven maal vallen, of op de vermelding van drie overtredingen, en vier, die God niet zal voorbijzien, Amos 2:1. Er is in onze verdorven natuur ene neiging om ons te beperken in het goede, en om bevreesd te zijn van te veel te doen in Godsdienstige aangelegenheden, inzonderheid in het te dikwijls vergeving schenken, al is het ook, dat ons zo heel veel vergeven is.
II. Christus, direct antwoord op de vraag van Petrus: Ik zeg u niet, tot zeven maal, een bepaald voor een onbepaald getal, maar een groot getal. Het staat ons niet fraai om zo nauwkeurig rekening te houden van de beledigingen of mishandelingen, die onze broederen ons aangedaan hebben. Er is wel ietwat boosaardigheid in gelegen, als wij de beledigingen optellen, er aantekening van houden, alsof wij nu wel gaarne gewroken zouden willen worden, als de maat vol is. God houdt er rekening van, omdat Hij de Rechter is, en de wraak Zijne is, maar wij moeten dit niet doen, want wij mogen niet op Zijn rechterstoel gaan zitten. Voor de bewaring van den vrede, inwendig zowel als uitwendig, is het nodig beledigingen of onrecht voorbij te laten gaan, zonder op te tellen hoeveel maal wij dat gedaan hebben, te vergeven en te vergeten. God vermenigvuldigt Zijne vergevingen, en dat moeten ook wij, Psalm 78:38, 40. Het duidt aan, dat het onze voortdurende gewoonte moet zijn beledigingen te vergeven, dat wij er dus als het ware aan gewoon zijn geraakt.
III. Nog ene rede onzes Heeren in den vorm van ene gelijkenis, om de noodzakelijkheid aan te tonen van het vergeven van beledigingen, of van onrecht, dat ons aangedaan is. Gelijkenissen zijn nuttig, niet slechts ter verklaring der Christelijke leer, maar ter aansporing tot Christelijke plichtsbetrachting, want zij laten een indruk achter in het hart. Deze gelijkenis nu is ene verklaring van de vijfde bede in het gebed onzes Heeren: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. Zij alleen kunnen vergeving verwachten van God, die hunnen broederen vergeven. De gelijkenis stelt het koninkrijk der hemelen, dat is: de kerk, voor, en het bestuur van de Evangeliebedeling er in. De kerk is het huisgezin Gods, Zijn hof, dáár woont Hij, daar heerst Hij. God is onze Meester, Zijne dienstknechten zijn wij, tenminste naar belijdenis en verplichting. In het algemeen wordt door deze gelijkenis aangeduid hoeveel terging God van Zijn huisgezin op aarde heeft te verduren, en hoe verkeerd en lastig Zijne dienstknechten zijn. Wij vinden in de gelijkenis drie zaken.
1. De grote goedertierenheid des meesters over zijn dienstknecht, die in schuld bij hem was. Uit zuiver medelijden met hem heeft hij hem tien duizend talenten kwijt gescholden, vers 23-27, waarbij wij opmerken
a. Dat elke zonde, die wij begaan, ene schuld is jegens God, niet als ene schuld aan een gelijke, aangegaan door koop of lening, maar aan een meerdere, zoals ene schuld aan een vorst, wanneer een onderpand verbeurd, of ene boete of straf belopen wordt door ene overtreding der wet, of een vredebreuk, zoals de schuld van een dienstknecht aan zijn meester, als hij hem zijn dienst onthoudt, het goed zijns heren verspilt, zijn contract verbreekt, en deswege er de boete van beloopt. Wij zijn allen schuldenaars, wij zijn voldoening verschuldigd aan den eis der wet.
b. Er wordt aantekening gehouden van deze schuld, en wij zullen er weldra verantwoording van hebben af te leggen. Deze koning wilde rekening houden met zijne dienstknechten. God rekent met ons door onze eigen consciëntie, de consciëntie is een auditeur voor God in de ziel, om ons rekenschap af te vorderen en met ons te rekenen. Een der eerste vragen, die een ontwaakt Christen zich stelt, is: Hoeveel zijt gij mijn Heere schuldig? En, tenzij de consciëntie omgekocht wordt, zal zij de waarheid zeggen, en niet vijftig voor honderd schrijven. Er komt nog een andere dag van rekening en verantwoording, wanneer deze rekeningen afgelezen zullen worden, en niets anders dan het bloed van Christus kan die rekening vereffenen.
c. De schuld der zonde is een zeer grote schuld, en sommigen zijn dieper in schuld door de zonde dan anderen. Toen hij begon te rekenen bleek een der eerste nalatigen tien duizend talenten schuldig te zijn. Er is geen ontkomen of ontwijken aan het onderzoek der Goddelijke gerechtigheid, uwe zonde zal u gewis vinden. De schuld bedroeg tien duizend talenten, een zeer grote som, naar berekening gelijk staande met twee en twintig millioen vijfhonderdduizend gulden (f 22.500.000), eens konings rantsoen, of eens konings subsidie, veeleer dan de schuld van een dienstknecht. Zie dus wat onze zonden zijn: in het snode van haren aard, het zijn talenten, de grootste benaming, die ooit bij de berekening van geld of van gewicht in gebruik was. Elke zonde is de last van een talent, een talent van lood, dit is de goddeloosheid, Zacheria 5:7, 8. 1) Elk pand, dat ons als rentmeesters van de genade Gods is toevertrouwd, is een talent, Hoofdstuk 25:15, een talent van goud, en voor ieder talent, dat wij in de aarde begraven, en nog veel meer voor ieder talent, dat wij verspillen, zijn wij een talent schuldig, en dit maakt de rekening groter. Zie dus ook hoe groot het aantal is onzer zonden, tienduizend, ene myriade, menigvuldiger dan de haren van ons hoofd, Psalm 40:12. Wie zou de afdwalingen verstaan, Psalm 19:13, wie zou er het getal van kennen, wie zou kunnen zeggen hoe menigmaal hij zondigt?
d. De schuld der zonde is zo groot, dat wij niet instaat zijn haar te betalen. Hij had niet om te betalen. Zondaren zijn insolvente schuldenaars, de Schrift, die alles onder de zonde heeft besloten, is ene faillietverklaring van ons allen. Met zilver en goud zou onze schuld niet betaald kunnen worden, Psalm 49:7, 8. Slachtofferen en brandoffers zouden het ook niet kunnen, onze goede werken zijn slechts de werken Gods in ons en kunnen gene vergoeding bieden voor het kwaad, dat wij bedreven hebben, wij zijn zonder kracht en kunnen ons zelven niet helpen. e. Indien God met ons naar strenge gerechtigheid zou handelen, dan zouden wij als insolvente schuldenaren veroordeeld worden, en God zou de schuld van ons kunnen afeisen door zich zelven te verheerlijken in ons algeheel verderf. De gerechtigheid eist voldoening. Currat lex - Laat het vonnis der wet worden uitgevoerd. De dienstknecht heeft deze schuld aangegaan door zijne verkwisting en moedwil, en daarom zou hij er volkomen terecht in gelaten kunnen worden.
Zijn heer beval, dat men hem zou verkopen, als slaaf op de galeien, verkopen om in het gevangenhuis te malen, ook zijne vrouw en kinderen en al wat hij had moesten verkocht en de schuld betaald worden. Zie hier wat iedere zonde verdient, dit is de bezoldiging der zonde. Verkocht te worden. Zij, die zich zelven verkopen om te doen wat kwaad is, moeten verkocht worden om aan de Goddelijke gerechtigheid te voldoen. Die gevangen zijn onder de zonde, zijn gevangen onder den toorn. Wie als slaaf verkocht is, is beroofd van alle gemakken en genoegens, er wordt hem niets gelaten dan het leven, opdat hij zijne ellende gevoele, en dat is de toestand van veroordeelde zondaren. Aldus wilde hij, dat de schuld betaald zou worden, dat is: er moet iets aan gedaan worden, ene poging worden aangewend tot betaling, hoewel het onmogelijk is, dat de verkoop van zulk een waardeloos persoon genoeg zou opbrengen om zo groot ene schuld af te doen. Zo zal de verdoemenis der zondaren wel altijd een voldoen zijn aan de gerechtigheid Gods, maar aan die gerechtigheid zal toch nooit geheel en ten volle er door voldaan worden.
f. Overtuigde zondaren kunnen niet anders dan zich voor God verootmoedigen, en om genade bidden. De dienstknecht, die onder den last was van dit vonnis, viel neer aan de voeten van zijn koninklijken meester, en aanbad hem, of naar de lezing in sommige handschriften, smeekte hem. Zijne bede was zeer ootmoedig, en zeer dringend: Wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen, vers 26. De dienstknecht wist tevoren, dat hij zo diep in schulden stak, en toch was hij er niet bezorgd over, voordat hem rekenschap werd gevraagd. Zondaren zijn gewoonlijk zeer onbekommerd om hun zonden, totdat zij opgeschrikt worden door een woord, een treffende leiding der voorzienigheid Gods, of bij het naderen van den dood, en dan heet het: Waarmee zal ik den Heere tegenkomen? Micha 6:6. Hoe gemakkelijk, hoe snel, kan God den hoogmoedigsten zondaar aan Zijne voeten brengen, Achab tot het zich omgorden met een zak, Manasse tot zijn gebed, Farao tot zijne bekentenissen, Judas tot zijn terugbrengen van het bloedgeld, Simon de tovenaar tot zijne smeking, Belsazar en Felix tot hun siddering. Het kloekste hart zal bezwijken, als God het zijne zonde ordelijk voorhoudt. Deze dienstknecht ontkent de schuld niet, hij zoekt gene uitvluchten, en tracht zich ook niet schuil te houden. Maar hij verzoekt om tijd, om uitstel. Wees lankmoedig over mij. Geduld en lankmoedigheid zijn grote gunstbewijzen, maar het is dwaasheid te denken, dat die alleen ons zullen redden of behouden. Uitstel, of opschorting van het vonnis, is nog gene begenadiging. Aan velen wordt verdraagzaamheid betoond, die er toch niet door tot bekering worden geleid, Romeinen 2:4, en dan doet die verdraagzaamheid hun geen goed. Hij belooft betaling, heb nog voor een wijle geduld, en ik zal u alles betalen. Het is de dwaasheid van velen, die onder overtuiging van zonde verkeren, om zich voor te stellen, dat zij Gode voldoening kunnen geven voor het onrecht, dat zij Hem hebben aangedaan, evenals zij, die gelijk bankroetiers, die ene schikking aangaan met hun schuldeisers, hun schuld willen betalen door hun eerstgeborene te geven voor hun overtreding, Micha 6:7, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, Romeinen 10:3. Hij, die niet had om te betalen, vers 25, beeldde zich in dat hij alles kon betalen. Zie hoe de hoogmoed zelfs ontwaakte zondaars blijft aankleven, zij zijn overtuigd van schuld, maar zij zijn niet verootmoedigd. g. Uit zuiver mededogen is de God van alle genade zeer bereid de zonden te vergeven van hen, die zich voor Hem verootmoedigen, vers 27. De heer van dezen dienstknecht heeft, toen hij hem met volle recht aan het verderf had kunnen overgeven, hem genadiglijk vrijgelaten, en, daar hij gene voldoening kon erlangen door de betaling der schuld, wilde hij zich verheerlijken door haar kwijt te schelden. De bede van den dienstknecht luidde: Wees lankmoedig over mij, des meesters toestaan van zijn verzoek bestaat in een algehele kwijtschelding der schuld. De vergeving van zonde is te danken aan de barmhartigheid Gods, Lukas 1:77, 78. Hij was met barmhartigheid innerlijk bewogen. Gods redenen om barmhartig te zijn, zijn ontleend aan Hem zelven, Hij is genadig, omdat Hij genadig wil wezen. God zag neer met mededogen op het mensdom in het algemeen, omdat het zich in een ellendigen toestand bevond, en Hij zond Zijn Zoon om hun borg te zijn. Hij ziet met ontferming neer op bijzondere boetvaardigen, omdat zij zich bewust zijn van hun ellende (hun hart is berouwvol en verbroken) en neemt hen aan in den Geliefde. Er is bij God vergeving voor de grootste zonden, als zij betreurd worden, als men er zich van bekeert. Hoewel de schuld zo ontzettend groot was, heeft hij haar toch kwijtgescholden, vers 32. Hoewel onze zonden zeer talrijk en zeer snood zijn, kunnen zij toch op de Evangelievoorwaarden vergeven worden. De kwijtschelding der schuld is de vrijlating van den schuldenaar, hij heeft hem ontslagen. De verbintenis is teniet gedaan, nooit wandelen wij in vrijheid, voordat onze zonden vergeven zijn. Doch let er op dat, hoewel hij hem ontsloeg van de straf als schuldenaar, hij hem niet ontsloeg van zijn plicht als dienstknecht. De vergeving der zonden verslapt onze verplichting niet om te gehoorzamen, maar versterkt haar, en wij moeten het beschouwen als ene gunst van God, dat het Hem behaagt om zulke verkwistende dienstknechten als wij geweest zijn, in zulk een winstgevenden dienst te houden als Zijn dienst is, ons dus verlost, opdat wij Hem zouden dienen, Lukas 1:74. Ik ben Uw knecht, Gij hebt mijne banden losgemaakt.
2. De onredelijke strengheid van den dienstknecht jegens zijn mededienstknecht, niettegenstaande de goedertierenheid zijns heren over hem, vers 28-30. Dit stelt de zonde voor van hen, die, hoewel zij niet onrechtvaardig zijn door te vragen van hetgeen het hun niet is, toch zeer streng en onbarmhartig zijn in het eisen van hetgeen wèl het hun is, op het uiterste van hun recht staan, waardoor het soms blijkt wezenlijk onrecht te zijn. Het hoogste recht wordt dan het grootste onrecht. Vergoeding te eisen voor schade, als dit noch strekken kan tot bevordering van het algemeen welzijn, noch een eigenlijke herstelling van onrecht is, maar alleen uit zuivere wraakoefening geschiedt, kan de wet wel toestaan om verschrikking teweeg te brengen, en vanwege de hardheid van de harten der mensen, maar er ademt toch geen Christelijke gezindheid uit. Iemand om geldschulden te vervolgen, die hij bij geen mogelijkheid betalen kan, en hem dus in de gevangenis te laten verkwijnen, toont een grotere liefde voor het geld dan voor den naaste, Nehemia 5:7. Zie hier
a. Hoe gering de schuld was, hoe bijzonder klein in vergelijking met de tien duizend talenten, die zijn heer hem kwijtgescholden had. Hij was hem honderd penningen schuldig, ongeveer zeven en dertig gulden vijftig cents van ons geld. Onrecht, dat aan mensen geschiedt, is van generlei betekenis in vergelijking met het onrecht, dat aan God gedaan wordt. Beledigingen, aangedaan aan een mens, zijn slechts als penningen, splinters, mugjes, maar beledigingen, aangedaan aan God, zijn als talenten, balken, kamelen. Niet alsof wij het daarom een kleine zaak mogen achten, onzen naaste onrecht aan te doen, want dat is toch tevens een onrecht aan God gepleegd, maar daarom behoren wij het van gene betekenis te achten als onze naaste ons onrecht doet, dat moeten wij niet door een vergrootglas bezien, en daarover moeten wij niet op wraak zinnen. David bekommerde zich niet om den smaad, die hem werd aangedaan, Ik ben als een dove, ik hoor niet, maar het ging hem zeer ter harte, dat er zonden gepleegd werden tegen God, daarover vlieten waterbeken uit zijne ogen.
b. Hoe streng de eis was: hem aanvattende, greep hem bij de keel. Trotse en toornige mensen denken, dat zo hun eis slechts rechtvaardig is, hun wijze van doen, al is die ook nog zo wreed en onmenselijk, hierdoor verontschuldigd wordt, maar zo is het niet. Waartoe al dat geweld en die heftigheid? De schuld zou ingevorderd kunnen worden, zonder dat de schuldenaar bij de keel gegrepen wordt, zonder een bevel tot inhechtenisneming te verkrijgen, of de gerechtsdienaars op hem af te zenden. Hoe hoog en meesterachtig is de houding dezes mans, maar hoe laag en slaafs is zijne ziel! Indien hijzelf om hetgeen hij zijn heer verschuldigd was naar de gevangenis was gezonden, dan zou zijn nood zo dringend zijn geweest, dat er enig voorwendsel zou zijn tot zulke harde maatregelen om te trachten het zijne te verkrijgen, maar dikwijls zullen hoogmoed en boosaardigheid de mensen harder en strenger maken dan de grootste nood of verlegenheid dit zou kunnen.
c. Hoe onderworpen de schuldenaar was. Zijn mededienstknecht was zijn gelijke, maar wetende hoezeer hij zich in zijne macht bevond, viel hij neer aan zijne voeten, en verootmoedigde zich voor hem om die geringe schuld, in even grote mate als deze zich voor zijn heer wegens zijn grote schuld had verootmoedigd, want die ontleent is des leners knecht, Prediker 22:7. Zij, die hun schulden niet kunnen betalen, behoren zeer beleefd en eerbiedig te zijn jegens hun schuldeisers, hun niet slechts goede woorden te geven, maar hun ook alle goede diensten te bewijzen, die zij kunnen. Zij moeten zich niet vertoornen op hen, die het hun terugvragen, en deswege geen kwaad van hen spreken, neen, al zouden zij dit ook op harde en strenge wijze doen, maar in zulk een geval het aan God overlaten om hun zaak te bepleiten. Het verzoek van den armen man luidt: Wees lankmoedig over mij, eerlijk bekent hij zijne schuld, en hij legt zijn schuldenaar den last niet op de schuld te bewijzen, hij verzoekt slechts om uitstel. Geduld en uitstel is wel gene kwijtschelding, maar is soms toch ene daad van prijzenswaardige barmhartigheid. Gelijk wij niet hard mogen zijn, mogen wij ook niet haastig zijn in onze eisen, maar bedenken hoe lankmoedig God over ons is.
d. Hoe onverzoenlijk en woedend de schuldeiser zich betoonde, vers 30. Hij wilde niet lankmoedig over hem zijn, hij wilde niet luisteren naar zijne belofte, zonder barmhartigheid wierp hij hem in de gevangenis. Hoe onbeschaamd vertrad hij een man, die hem gelijk was, en zich aan hem had onderworpen! Hoe wreed handelde hij met iemand, die hem geen kwaad had gedaan, terwijl die wreedheid toch voor hem zelven niet eens voordeel opleverde! Onbarmhartige schuldenaren kunnen hier hun eigen beeld als in een spiegel aanschouwen, als zij nergens meer behagen in scheppen dan in te verderven en te verslinden, 2 Samuël 20:19, en er in roemen om hun schuldenaars tot op het gebeente uit te mergelen.
e. Hoe dit de overige dienstknechten gegriefd heeft, zij zijn zeer bedroefd geworden, vers 31, bedroefd om de wreedheid van den schuldeiser en om de ramp, die den schuldenaar had getroffen. De zonden en het lijden van onze mededienstknechten moeten ene oorzaak van smart voor ons zijn. Het is treurig, dat sommigen van onze broederen zich zelven door hun wreedheid en barbaarsheid tot roofdieren maken, en dat anderen door de onmenselijke behandeling van degenen, die macht over hen hebben, tot lastdieren of slaven worden gemaakt. Een mededienstknecht te zien, die woedt en raast als een wild dier, of vertreden wordt als een worm, moet wel leedwezen teweegbrengen in het hart van hen, die jaloers zijn voor de eer van hun geslacht of van hun Godsdienst. Zie met welk een oog Salomo gezien heeft op de tranen der verdrukten en de macht der verdrukkers, Prediker 4:1.
f. Hoe dit aan den meester te kennen werd gegeven, komende, verklaarden zij hun heer al wat er geschied was. Zij durfden hun mededienstknecht niet bestraffen-hij was zo onredelijk en woedend (dat een beer, die van zijn jongen beroofd is, een man tegemoet kome, maar niet een zot in zijne dwaasheid,) maar zij gingen tot hun heer, en smeekten hem voor den verdrukte op te treden tegen den verdrukker. Hetgeen ons ene oorzaak is van smart, moet ons ene aanleiding zijn tot gebed. Laat onze klachten, zowel over de goddeloosheid der goddelozen als over de verdrukking der verdrukten, tot God gebracht worden.
3. Des meesters rechtvaardige toorn wegens de wreedheid, waaraan zijn dienstknecht zich had schuldig gemaakt. Indien de dienstknechten dit reeds zo euvel opnamen, hoeveel te meer dan niet de meester, wiens mededogen het onze zover te boven gaat. Laat ons nu zien:
a. Hoe hij de wreedheid van zijn dienstknecht bestrafte, vers 32, 33, Gij, boze dienstknecht! Onbarmhartigheid is boosheid, een grote boosheid. Hij bestraft hem door hem de barmhartigheid voor te houden, die hij bij zijn meester had gevonden: Al die schuld heb ik u kwijtgescholden. Aan hen, die de gunsten van God willen gebruiken, zullen zij nooit worden verweten, maar die ze misbruiken, kunnen dit wèl verwachten, Hoofdstuk 11:20. Bedenk: Het was al die schuld, die grote schuld. De grootheid der zonde verhoogt den rijkdom der vergevende genade, wij moeten bedenken hoe veel ons vergeven is, Lukas 7:47. Hiermede toont hij hem de verplichting, waaronder hij was tegenover zijn mededienstknecht: Behoorde gij ook niet u over uwen mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik mij over u ontfermd heb? Er wordt terecht verwacht dat zij, die barmhartigheid hebben ontvangen, ook barmhartigheid zullen bewijzen. Wie zelf vergeving nodig heeft, zal haar gemakkelijk ook aan anderen schenken. Hij toont hem: Ten eerste: Dat hij meedogender had behoren te zijn, meer medelijden had moeten tonen met de benauwdheid van zijn mededienstknecht. Wat wij zelf gevoeld hebben, kunnen wij des te meer medegevoelen met onze broederen. De Israëlieten kenden het gemoed des vreemdelings, dewijl zij vreemdelingen geweest waren, en deze dienstknecht had het gemoed van een gevangen schuldenaar beter moeten kennen, dan om zo hard tegen zo iemand op te treden. Ten tweede: Dat hij zich meer naar het voorbeeld van zijns meesters goedertierenheid had behoren te gedragen, daar hij haar zelf zo ruimschoots had ervaren. De troostrijke bewustheid van vergevende genade strekt grotelijks om ons hart te neigen tot vergeving van onze broederen. Het was aan het einde van den verzoendag, dat de bazuin des geklanks doorging tot bevrijding van hen, die schulden hadden, waardoor een ieder tot zijne bezitting kon wederkeren, Leviticus 25:9, want wij moeten ons ontfermen over onze broederen, zoals God zich over ons ontfermd heeft.
b. Hoe hij zijne kwijtschelding herriep, zodat de rechtsvordering tegen hem weer van kracht werd, vers 34. Hij leverde hem de pijnigers over, totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was. Hoewel de boosheid zo groot was, heeft zijn heer hem toch geen andere straf opgelegd dan de betaling van zijn eigen schuld. Zij, die de Evangelievoorwaarden niet willen aannemen, behoeven niet ellendiger of ongelukkiger te zijn dan blootgesteld te zijn aan de wet, en deze haar vrijen loop tegen hen te laten hebben. Zie hoe de straf beantwoordt aan de zonde, hij die niet wilde vergeven, zal gene vergeving erlangen. Hij leverde hem den pijnigers over. Het uiterste, wat hij aan zijn mededienstknecht kon doen, was hem in de gevangenis te werpen, maar hij zelf werd den pijnigers overgeleverd. De macht van Gods toorn om ons te verderven reikt oneindig verder dan het uiterste, dat door den toorn des mensen bereikt kan worden. De verwijtingen en verschrikkingen van zijn eigen consciëntie zullen zijne pijnigers zijn, want dat is de worm, die nooit sterft. Duivelen, de uitvoerders van Gods toorn, die thans de verleiders zijn der zondaren, zullen tot in eeuwigheid hun pijnigers zijn. Hij werd naar het tuchthuis gezonden, totdat hij alles betaald zou hebben. Ten opzichte van onze schuld aan God worden nooit schikkingen getroffen, of zij wordt geheel vergeven, of zij wordt tot aan den laatsten penning ingevorderd. Aan de verheerlijkte heiligen in den hemel is alles vergeven door de volkomen genoegdoening van Christus, de veroordeelde zondaren in de hel betalen alles, dat is: zij ondergaan voor alles de straf. De belediging, Gode aangedaan door de zonde, raakt Zijne eer, hieromtrent kan dus gene schikking worden getroffen, en daarom moet zij op de ene of andere wijze, hetzij door den zondaar of door zijn borg, volkomen goed gemaakt worden.
Eindelijk: Hier is de toepassing van de gehele gelijkenis, vers 35, Alzo zal ook Mijn hemelse Vader u doen. De titel, dien Christus hier aan God geeft, werd in vers 19 gebruikt voor een troostrijke belofte, die zal hun geschieden van Mijn Vader, die in de hemelen is, hier wordt hij gebruikt in een ontzettende bedreiging. Indien Gods bestuur vaderlijk is, dan volgt hieruit dat het rechtvaardig is, maar daarom volgt er nog niet uit, dat het niet streng is, of dat wij onder Zijne regering niet in ontzag gehouden moeten worden door den toorn Gods. Als wij tot God bidden als tot onzen Vader, die in de hemelen is, dan wordt ons geleerd te vragen om vergeving onzer schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. Merk hier op:
1. Den plicht der vergeving, wij moeten van harte vergeven. Wij vergeven onzen broeder, die tegen ons misdaan heeft, niet recht en niet op Gode welbehaaglijke wijze, als wij hem niet van harte vergeven, want dat is het, waarop God ziet. Wij moeten geen wrok blijven koesteren, noch kwaadwilligheid jegens iemand in ons hart hebben. Geen plannen van wraak moeten in het hart worden bedacht, gene begeerte er naar worden gekoesterd, gelijk dit toch door velen gedaan wordt, die uitwendig vreedzaam en verzoend schijnen te zijn. Toch is dat nog niet genoeg, wij moeten van harte het welzijn begeren en zoeken te bevorderen zelfs van hen, die tegen ons misdaan hebben, of ons hebben beledigd.
2. Het gevaar van niet te vergeven: Alzo zal ook Mijn hemelse Vader u doen.
a. Dit is niet bedoeld om ons te leren, dat God Zijne vergeving van iemand herroept, maar dat Hij haar weigert aan hen, die er onbevoegd toe zijn, overeenkomstig den geest van het Evangelie, evenals Achab schenen zij zich zelven en anderen toe verootmoedigd te zijn en daardoor in een staat van genade te zijn gekomen, en daar eigenen zij zich de vertroosting van toe. Wij hebben in de Schrift genoeg wenken en aanduidingen van het verbeuren van genade ter waarschuwing van de vermetelen, en toch hebben wij ook zekerheid genoeg van het blijvende der genade en vergeving ter vertroosting van hen, die oprecht maar vreesachtig zijn, opdat genen zullen vrezen en dezen zullen hopen. Zij, die hun broeder zijne schulden niet vergeven, hebben nooit in waarheid berouw gehad over hun eigen zonden, en hebben ook nooit wezenlijk in het Evangelie geloofd, hetgeen hun dus ontnomen wordt, hebben zij slechts schijnbaar bezeten, Lukas 8:18.
b. Dit is bestemd om ons te leren, dat een onbarmhartig oordeel zal gaan over degenen, die gene barmhartigheid gedaan heeft, Jakobus 2:13. Het is voor vergeving en vrede volstrekt noodzakelijk, dat wij niet slecht recht doen, maar ook weldadigheid liefhebben. Het is een onmisbaar bestanddeel van dien Godsdienst, die zuiver en onbevlekt is voor God en den Vader, van die wijsheid, die van boven is, en die zuiver, vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk is. Zie, hoe diegenen het te verantwoorden zullen hebben, die, hoewel zij den naam dragen van Christenen, toch in de strengste en onbarmhartigste behandeling volharden van hun broederen, alsof zij van de strengste wetten van Christus vrijstelling konden verkrijgen ter bevrediging van hun ongebreidelde hartstochten, en zo spreken zij, telkenmale als zij het gebed des Heeren bidden, een vloek uit over zich zelven.