1 Samuël 15:1-3
I. Hier zien wij, dat Samuël in de naam van God Saul plechtig opeist om aan het gebod Gods te gehoorzamen, en duidelijk geeft hij hem te kennen, dat hij in een bijzondere zaak op de proef wordt gesteld, of hij al of niet gehoorzaam zou zijn, vers 1. En dat dit zo uitdrukkelijk tot een proeve wordt gesteld van zijn gehoorzaamheid, heeft zijn ongehoorzaamheid zeer verzwaard.
1. Hij herinnert hem aan hetgeen God voor hem gedaan heeft. De HEERE heeft mij gezonden, dat ik u ten koning zalfde. God heeft u uw macht gegeven, en daarom verwacht Hij, dat gij uw macht voor Hem zult gebruiken.
Hij heeft eer op u gelegd, en nu moet gij u beijveren om Hem te eren. Hij heeft u tot koning gemaakt over Zijn volk, en nu moet gij Israëls zaak voorstaan, en hun twisten wreken. Gij zijt verhoogd om over Israël te gebieden, maar weet dat gij onderdaan zijt van de God Israëls en dat gij onder Zijn bevel staat".
Der mensen bevordering stelt hen niet vrij van hun gehoorzaamheid aan God, integendeel zij verplicht er hen nog temeer toe. Samuël zelf werd gebruikt om Saul te zalven en daarom was hij er zoveel geschikter voor om met deze boodschap tot hem gezonden te worden.
2. Hij zegt hem in het algemeen, dat hij uit aanmerking hiervan verplicht is te doen alles wat God hem gebiedt. Hoor dan nu de stem van de woorden des Heeren. Gods gunstbewijzen leggen ons de sterke verplichting op om Hem gehoorzaam te zijn. Dit moeten wij Hem vergelden, Psalm 116:12.
II. Hij draagt hem een bijzonderen dienstop, waarin hij nu meer dan in alles wat hij tot dusver gedaan heeft, zijn gehoorzaamheid aan God moet tonen. Samuël geeft hem Gods gezag voor het bevel. Alzo zegt de HEERE van de heirscharen, de HEERE van alle heirscharen, van Israëls heirscharen, hij geeft hem ook een reden voor het bevel, opdat de strengheid, die hij zal moeten gebruiken, hem niet hard toeschijne. Ik heb bezocht hetgeen Amalek Israël gedaan heeft, vers 2. God had een oude twist met de Amalekieten om het kwaad, dat zij Zijn volk Israël gedaan hebben, toen Hij dat uit Egypte heeft gevoerd. Wij hebben er de geschiedenis van in Exodus 17:8 verv, en hun misdaad is verzwaard in Deuteronomium 25:18 , hij heeft laaghartig in de staart al de zwakken geslagen, en hij vreesde God niet. Toen heeft God gezworen, dat Hij krijg zou hebben met Amalek van geslacht tot geslacht en dat Hij na verloop van tijd de gedachtenis van Amalek van onder de hemel zal uitdelgen. Dat is het werk dat aan Saul geboden wordt te doen, vers 3.
Ga nu heen, en sla Amalek. Israël is nu sterk, en de mate van de ongerechtigheid van Amalek is nu vol, ga nu, en ruim dit gevloekte volk volkomen uit de weg. Hem wordt uitdrukkelijk bevolen, allen en alles te doden, van den man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, hen niet te sparen uit medelijden, van de ossen tot de schapen, van de kemelen tot de ezels toe, ze niet te sparen uit hebzucht.
Voor kwaad dat aan Gods Israël gedaan werd, zal vroeg of laat voorzeker afrekening worden gehouden, inzonderheid voor de tegenstand, die hun gegeven wordt, als zij uit Egypte komen. God heeft dikwijls lang geduld met hen, die getekend zijn voor het verderf. Het uitgesproken vonnis wordt niet spoedig voltrokken. Maar hoewel Hij lang verdraagt, zal Hij toch niet altijd verdragen. Het jaar van de vergelding voor de twist van Israël zal eindelijk komen. De Goddelijke gerechtigheid slaat langzaam, maar zeker.
Hoe langer het oordeel wordt uitgesteld, zoveel te strenger is het, als het komt. God verkiest werktuigen om Zijn werk te doen, die er het geschiktst voor zijn.
Dit was bloedig werk, en daarom moet Saul het doen, die een ruw, streng man was.
III. Saul monstert zijn krijgsvolk en doet een aanval op het land van Amalek. Het was een zeer talrijk leger, dat hij te velde bracht, vers 4, twee honderd duizend mannen voetvolks.
Toen de strijd tegen de Filistijnen had, en de uitslag er van zeer hachelijk was, had hij slechts zes honderd man bij zich, Hoofdstuk 13:15.
Maar nu hij op uitdrukkelijk bevel van de hemel de Amalekieten moest aanvallen, waarbij hij zeker was van de overwinning, had hij duizenden, die zijn roepstem volgden. Maar wat het ook op andere tijden geweest moge zijn, nu was het niet tot eer van Juda, dat zijn strijdmacht afzonderlijk geteld was, want zijn aandeel was ergerlijk klein, (wat hier nu ook de reden van moge geweest zijn).
Het was slechte een twintigste deel van het geheel, want zijn strijders waren slechts tien duizend, terwijl de andere tien stammen (want Levi reken ik niet mede) twee honderd duizend man te velde brachten. De dag van Juda's eer genaakte, maar was nog niet gekomen.
Saul telde ze te Telaïm, hetgeen lammeren betekent. Hij telde hen als lammeren staat hier in de Vulgata, telde hen naar de paaslammeren, zo heeft het de Chaldeeër, tien voor een lam rekenende, een wijze van tellen, die later bij de Joden in zwang was.
Saul voerde zijn gehele krijgsmacht naar de stad Amalek, die stad was hun hoofdstad, vers 5, teneinde hen tot de slag uit te lokken.
IV. Hij gaf een vriendelijken raad aan de Kenieten, om zich af te scheiden van de Amalekieten, onder wie zij woonden, toen deze executie plaats ging hebben, vers 6.
Hierin heeft hij wijs en vroom gehandeld, waarschijnlijk naar de instructie, die Samuël hem gegeven had. De Kenieten waren de nakomelingen van Jethro, Mozes' schoonvader, een volk, dat in tenten woonde, waardoor het gemakkelijk voor hen was, om bij iedere gelegenheid naar een ander land te verhuizen, dat nog in niemands bezit was. Velen van hen woonden toen onder de Amalekieten, waar zij, hoewel in tenten wonende, door de natuur versterkt waren, want "zij hebben hun nest in een steenrots gelegd", Numeri 24:21.
Bileam had daar voorzegd, dat zij verteerd zullen worden, vers 22, Saul moet hen echter niet verteren. Maar 1. Hij erkent de vriendelijkheid, die hun voorouders aan Israël hebben bewezen, toen zij uit Egypte kwamen. Jethro en zijn familie waren hun zeer behulpzaam en van dienst geweest bij hun tocht door de woestijn, zij waren hun inplaats van ogen geweest, en dit wordt in vriendelijkheid voor hun nageslacht herdacht vele eeuwen daarna. Aldus laat een Godvruchtige de Goddelijken zegen als een erfdeel na aan zijn kindskinderen. Zij, die na ons komen, kunnen het voordeel oogsten van onze goede werken, als wij in ons graf zijn. God is niet onrechtvaardig om de vriendelijkheid te vergeten, betoom aan Zijn volk, maar zij zal op een anderen tijd herdacht worden, op zijn laatst in de groten dag, vergolden worden in de opstanding van de rechtvaardigen, "Ik ben hongerig geweest en gij hebt mij te eten gegeven".
Gods gedenken van de voorouders van de Kenieten door hun gunst te betonen terzelfder tijd dat Hij het kwaad strafte, gedaan door de voorouders van de Amalekieten, droeg er toe bij om Gods rechtvaardigheid in die bedeling in het licht te stellen. Als Hij gunsten doet beërven, waarom mag Hij dan ook niet Zijn ongenoegen op navolgende geslachten doen overgaan? Hij omhelst de zaak Zijns volks, zodat Hij "zegent die hen zegenen', en daarom ook "vervloekt die hen vervloeken", Numeri 24:9, Genesis 12:3. Zij kunnen de vriendelijkheid, die hun bewezen wordt, niet vergelden, noch het kwaad wreken, dat hun wordt aangedaan, maar God zal beide doen.
2. Hij verlangt van hen dat zij hun tenten van uit het midden van de Amalekieten zullen wegnemen. Gaat weg, wijkt, trekt uit het midden van de Amalekieten. Als verwoestende oordelen uitgaan, zal God zorgdragen om het kostelijke van het snode uit te trekken, en in de dag Zijns toorns de zachtmoediger van de aarde te verlossen. Het is gevaarlijk om in het gezelschap van Gods vijanden te worden gevonden, en het is onze plicht en ons belang om van hen uit te gaan, opdat wij geen gemeenschap hebben aan hun zonden en van hun plegen niet ontvangen, Openbaring 18:4. De Joden hebben een gezegde: Wee de goddeloze, en wee zijn nabuur.
V. Saul overmocht tegen de Amalekieten, want het was veeleer een terdoodbrenging van veroordeelde misdadigers, dan een oorlog tegen strijdende vijanden, de uitslag kon niet twijfelachtig wezen, als de zaak rechtvaardig en de roeping zo duidelijk was. Hij sloeg hen, vers 7, het volk verbande hij, vers 8. Nu komt de zonde hunner voorouders hun duur te staan. Aldus bezoekt God soms de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen. Zij waren afgodendienaars, en zij waren schuldig aan veel andere zonden, waarvoor zij verdienden onder de toorn Gods te vallen maar als God met hen gaat afrekenen, dan legt Hij de nadruk op de zonde hunner voorouders in hun mishandelen van Israël, als de grond van Zijn twist met hen. Heere, hoe ondoorgrondelijk zijn Uwe oordeler, maar hoe onbetwistbaar is tevens Uwe gerechtigheid!
Vl. Maar hij deed zijn werk slechts ten halve, vers 9.
1. Hij verschoonde Agag, omdat hij een koning was, evenals hij, en misschien ook in de hoop van een groot rantsoen van hem te krijgen.
2. Hij verschoonde de beste schapen en runderen. en de naast-beste en de lammeren, en al wat best was, maar alle ding, dat verachtelijk en dat verdwijnende was, dat verbande hij. Wij kunnen onderstellen dat velen van het volk ontkomen zijn, en hun goederen medegenomen hebben naar andere landen, en daarom lezen wij later nog van Amalekieten maar dat was niet te verhelpen. Het was Sauls verkeerdheid dat hij niet ombracht wat hem onder de hand kwam, en in zijn macht was. Wat nu verdelgd werd, werd in werkelijkheid geofferd aan de gerechtigheid Gods, als aan de God wiens de wraak is, en dat Saul dacht dat het verscheurde en het zieke, het kreupele en magere daar goed genoeg voor is, terwijl hij voor zijn eigen velden en zijn eigen tafel de keur van het vee wilde behouden, dat was in waarheid zichzelf meer eren dan God.