9. Maar Saul en het gehele volk spaarde, tegen het uitdrukkelijk bevel van God in (
Vers 3), Agag, 1) zodat men hem niet met de scherpte van het zwaard verbande, en de beste schapen, en runderen, en de naast beste, 2) en de lammeren, en al wat best was, en zij wilden ze niet verbannen; maar elk ding, dat verachtzaam, dat nietswaardig, en dat verdwijnende, schurftig was, dat verbanden zij.
1) De uitleggers hebben veel moeite met dit woord: "hamisnim." Door deze wordt het gehouden voor "vetgemeste", door anderen weer voor "de runderen van de tweede soort", of "van de tweede geboorte"..
Het sparen van Agag was in Sauls belang, die met de koninklijke slaaf wilde pronken; het sparen van het beste vee was in het eigen belang van het volk. Deze zonde was zeer zwaar en aan Achan gestraft (Jozua 7, 8)..
Het verbannen was een geheel overgeven aan God. Hem geeft men nu het nietswaardige, terwijl men al wat goed was God ontsteelt..
Ongetwijfeld heeft Saul hier het gebruik van de heidense koningen willen navolgen, om overwonnen koningen te gebruiken als hun slaven, om hen daarmee hun onmacht te doen voelen. Hoogmoed was het daarom, die hem tot deze daad aanzette, waardoor hij het bevel van de Heere verachtte en zich niet als koning op bevel van God wilde gedragen. Door deze daad van verzet maakte Saul zich los van de band, die hem bond aan het volk, dat de Heere tot zijn Opperheer had en bovenal van de band, die hemzelf bond aan de Heere God..
2) In het Hebreeuws Wehamischnim. In onze Statenvertaling vertaald door de naaste beste. Volgens David Kimchi zijn het de runderen en schapen van de tweede geboorte (animalia secundo partu edita), die gewoonlijk voor de besten worden gehouden.. Onder de lammeren moeten verstaan worden de weide- of vette lammeren. Het beste hielden zij voor zich en het slechtste gaven zij de Heere. Niet alleen blijkt hieruit een geringachten van het bevel van de Heere, maar ook een aantasten van Zijn heerlijk en heilig Wezen..
II. Vers 10-35. De Heere is vertoornd over Sauls ongehoorzaamheid. In een openbaring van de nacht maakt hij aan Samuël het vonnis van de verwerping over de trouweloze koning bekend. Samuël moet, hoewel hij de gehele nacht tot God roept om afwending van dit vonnis, het toch tenslotte als onherroepelijk erkennen. Daarom begeeft hij zich de volgende morgen op weg, om Saul te ontmoeten. Deze heeft de terugweg uit het land van de Amalekieten over Karmel, waar hij zich een gedenkteken van de overwinning opgericht heeft, reeds zó ver afgelegd, dat hij juist naar Gilgal afgekomen is. Hier ontmoet hem de profeet en houdt hem, die huichelende, alsof hij het woord van de Heere volbracht had, hem tegemoet komt, aanstonds zijn ongehoorzaamheid voor. Saul beproeft zijn handelwijze op alle mogelijke wijze te sparen, maar Samuël maakt alle zijn uitvluchten te schande en kondigt hem aan, wat de Heere de afgelopen nacht met hem gesproken heeft. Met herhaalde bede dringt de koning bij de profeet aan hem nu niet te verlaten, zoals hij het voornemen heeft, maar hem tot het voorgenomen offer te vergezellen, opdat hij voor het volk niet tentoongesteld worde. Samuël geeft eindelijk hierin toe. Nadat echter de godsdienstige plechtigheid geschied is en Samuël den gevangenen koning der Amalekieten nog op de plaats van het offer heeft omgebracht, scheidt hij zich voor altijd van den door den Heere verworpenen Saul, zonder dat hij toch zijn hart van hem afgetrokken heeft.