Mattheus 14:13-21
Dit verhaal betreffende Christus' spijziging van vijf duizend mensen met vijf broden en twee vissen, wordt door al de vier evangelisten meegedeeld, hetgeen met weinig of geen van Christus wonderen het geval is. Dit geeft te kennen dat hierin, iets zeer bijzonders valt op te merken.
I. De grote toeloop van volk tot Christus, toen Hij zich in ene woeste plaats had teruggetrokken, vers 13. Hij trok zich terug in de eenzaamheid, nadat Hij gehoord had, niet van Johannes' dood, maar van de gedachten, die Herodes nopens hem koesterde, n.l. dat Hij Johannes de Doper was, opgewekt van de doden, en dus zo door Herodes gevreesd werd, dat die vrees haat was geworden. Hij ging verder weg om uit het rechtsgebied van Herodes te komen. Als God ons in tijden van gevaar ene deur opent, dan is het ons geoorloofd, om ter behoudenis van ons leven te vluchten, tenzij wij er bijzonder toe geroepen zijn ons bloot te stellen. Christus' ure was nog niet gekomen, en daarom wilde Hij het lijden niet moedwillig over zich brengen. Hij zou zich wel door Goddelijke almacht hebben kunnen beveiligen, maar dewijl zijn leven bestemd was een voorbeeld te zijn, heeft Hij het door menselijke voorzichtigheid gedaan, Hij vertrok te scheep. Maar ene stad op een berg kan niet verborgen zijn, en de scharen, dat horende, zijn hem te voet gevolgd van alle zijden. Zo zeer deelde Hij in de genegenheid des volks, dat, als Hij zich van hen terugtrok, dit slechts veroorzaakte, dat zij Hem des te ijveriger volgden. Gelijk zo dikwijls, werd ook hier de Schrift vervuld, dat tot Hem de volken vergaderd zullen worden. Het schijnt dat na Johannes' marteldood het volk nog meer naar Christus toestroomde dan te voren. Soms wordt het lijden der heiligen bevorderlijk gemaakt aan het Evangelie, Filippenzen 1:12, en het bloed der martelaren is het zaad der kerk. Nu het getuigenis van Johannes volbracht was, hebben de mensen het zich herinnerd en het zich meer dan ooit ten nutte gemaakt. Als Christus' woord ons onttrokken is, dan is het voor ons het beste om-hoe strijdig dit ook moge zijn met vlees en bloed-het te volgen, het welvaren onzer ziel hoger stellende dan alle wereldse voordelen of gewin.
Wanneer gij de ark ziet vertrekken, verreist gij lieden ook van uwe plaats en volgt haar na, Jozua 3:3. Zij, die waarlijk begerig zijn naar de redelijke en onvervalste melk des woords zullen zich door gene moeilijkheden laten weerhouden om het te horen. De tegenwoordigheid van Christus en Zijn Evangelie maken ene woeste plaats niet slechts draaglijk, maar begerenswaardig, Zij maakt ene woestijn als Eden, Jes 51:3, 41:19, 20.
II. De barmhartigheid onzes Heeren Jezus over hen, die hem aldus volgden, vers 14.
1. Hij is uitgegaan en openlijk onder hen verschenen. Hoewel Hij zich ter Zijner veiligheid en rust had teruggetrokken, kwam Hij toch uit deze afzondering weer te voorschijn, toen Hij zag, dat het volk begerig was Hem te horen, gewillig zijnde, om te arbeiden en zich aan gevaar bloot te stellen tot heil van de zielen der mensen, want ook Christus heeft zich zelven niet behaagd.
2. Toen Hij de schare zag, werd Hij innerlijk met ontferming over hen bewogen. Het gezicht ener grote menigte van mensen kan met recht tot medelijden stemmen. Ene grote schare te zien en dan te denken, hoe vele kostelijke, onsterfelijke zielen daar zijn, waarvan de meesten, naar wij reden hebben te vrezen, veronachtzaamd zij n en op het punt van om te komen, dat is ene grote droefheid voor het hart. Gene ontferming over de zielen als die van Christus: Zijne barmhartigheden hebben geen einde. 3. Hij had niet slechts medelijden met hen, maar Hij hielp hen. Velen hunner waren ziek, en met ontferming over hen bewogen zijnde, genas Hij hen, want Hij is in de wereld gekomen, om de grote Heelmeester te zijn. Na ene wijle waren zij allen ook hongerig, en met ontferming over hen bewogen zijnde, spijzigde Hij hen. In al de gunsten, die Christus ons betoont, is Hij met ontferming over ons bewogen, Jesaja 63:9.
III. Het voorstel der discipelen om de scharen weg te zenden. en Christus afwijzen van dit voorstel.
1. Het was tegen den avond, en de discipelen stelden aan Christus voor de scharen van zich te laten. Zij dachten, dat er ene goede dag werks was verricht, en het nu tijd was om uiteen te gaan. Christus' discipelen zijn dikwijls meer bezorgd, om hun voorzichtigheid te tonen, dan hun ijver, hun grote bedachtzaamheid, dan hun grote genegenheid in de dingen Gods.
2. Christus wilde hen niet hongerig wegzenden, en hen ook niet langer zonder spijze laten, en evenmin wilde Hij hun de moeite en de kosten laten doen, om zich spijze te kopen, daarom geeft Hij bevel aan Zijne discipelen om hen van het nodige te voorzien. Christus heeft altijd veel meer mededogen jegens het volk betoond dan Zijne discipelen, immers, wat is het medelijden van de barmhartigste mensen, vergeleken met de ontfermingen Gods in Christus? Zie hoe afkerig Christus er van is, om te scheiden van hen, die besloten hebben Hem aan te kleven. Het is hun niet van node heen te gaan. Zij, die Christus hebben, hebben genoeg, en behoeven niet heen te gaan om geluk en levensonderhoud te zoeken bij het schepsel. Zij, die zich verzekerd hebben van het ene nodige, behoeven niet bezig te zijn met veel dienens. Christus wil ook Zijne volgelingen geen onnodige kosten laten doen, hun volgen van Hem, om Zijn woord te horen, moet hun goedkoop uitkomen. Maar als zij honger hebben, moeten zij wel heengaan, want dat is een nood, die geen wet kent, daarom: Geeft gij hun te eten. De Heere staat het lichaam voor, want het is het werk Zijner handen. Hij zelf was met een lichaam bekleed, teneinde ons aan te moedigen, om op Hem te steunen voor onze lichamelijke behoeften. Maar inzonderheid draagt Hij dan zorg voor het lichaam, als het gebruikt wordt ten dienste der ziel in Zijn meer onmiddellijken dienst. Indien wij eerst het koninkrijk Gods zoeken, en dit tot onze voornaamste zorge maken, dan kunnen wij er staat op maken, dat ons alle andere dingen toegeworpen zullen worden, voor zover God het nodig en geschikt acht, en dan kunnen wij de zorge voor al die dingen op Hem werpen. Deze lieden volgden Christus slechts voor ene wijle, in ene ogenblikkelijke opwelling van ijver, en toch heeft Christus toen zorg voor hen gedragen, hoe veel te meer zal Hij dan niet zorgen voor hen, die Hem volkomen en ten allen tijde volgen!
IV. De geringe voorraad, die aanwezig was voor zo groot ene schare, en hier moeten wij het aantal der genode gasten vergelijken met de lijst der (aanwezige) eetwaren.
1. Het aantal gasten bedroeg vijf duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen, en het is mogelijk, dat het getal der vrouwen en kinderen gelijk was aan dat der mannen, zo het dat al niet overtrof. Dit was wel een groot gehoor, waarvoor Christus gepredikt had, en wij hebben reden te denken, dat het een aandachtig gehoor was. En toch schijnt het wel, dat voor de meesten hunner, deze schijnbare ijver en voortvarendheid op niets is uitgelopen. Zij gingen heen, en volgden Hem niet meer, want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Over de waardering, het ter harte nemen des woords, kan dus beter geoordeeld worden door de bekering, dan door de menigte der hoorders, hoewel ook dit een aangenaam gezicht oplevert en een goed teken is. 2. De spijslijst was zeer onevenredig aan het aantal gasten, niet meer dan vijf broden en twee vissen. Dezen mondvoorraad droegen de discipelen met zich ten gebruike van het gezin, nu zij zich in ene woeste plaats hadden teruggetrokken. Christus zou hen op wonderdadige wij ze hebben kunnen spijzigen, maar om ons het voorbeeld te geven van onze huisgenoten te verzorgen, wil Hij, dat Zijn eigen kamp op de gewone wijze van mondbehoeften voorzien wordt. Hier is noch overvloed, noch verscheidenheid, noch lekkernij. Vis was gene zeldzaamheid voor hen, die vissers van beroep waren, maar een geschikt voedsel voor de twaalven, twee vissen voor hun avondeten, en brood, dat hun wellicht voor een paar dagen genoeg moet zijn. Geen wijn of sterke drank. Schoon water uit de rivieren was het beste wat zij bij hun maaltijd te drinken hadden. En toch wil Christus daar nu deze gehele menigte mede spijzigen. Zij, die slechts weinig hebben, moeten, als de nood dringend is, uit dat weinige toch nog anderen bijstaan, en dat is dan de manier om het te vermenigvuldigen. Zou God ene tafel kunnen toerichten in de woestijn? Ja, Hij kan dit, als het Hem behaagt, en wel ene overvloedig voorziene tafel.
V. De milde uitdeling van dien voorraad onder de menigte, vers 18, 19: Brengt Mij dezelve hier. De manier om de middelen tot onderhoud onzes levens waarlijk levensonderhoudend voor ons te doen zijn, is ze tot Christus te brengen, want alle dingen worden geheiligd door Zijn woord en door het gebed. Datgene zal ons tot welzijn en voorspoed verstrekken, hetwelk wij onzen Heere Jezus in handen hebben gegeven, opdat Hij er naar Zijn welbehagen over beschikke en wij het weer uit Zijne hand terug ontvangen, dan zal het ons dubbel liefelijk zijn. Wat wij in liefdadigheid geven, behoren wij eerst tot Christus te brengen, opdat Hij het genadiglijk van ons aanneme, en het genadiglijk moge zegenen voor hen, aan wie het gegeven wordt, dit is: het doende als den Heere. Ten opzichte nu van dezen wonderdadigen maaltijd hebben wij te letten op:
1. Het doen plaats nemen der gasten, vers 19. Hij beval de scharen neer te zitten, hetgeen aanduidt, dat zij stonden, terwijl Hij voor hen predikte. Zij stonden, dat is de houding van den eerbied en van bereidheid om in beweging te komen. Maar hoe komen wij aan stoelen voor die allen? Laten zij neerzitten op het gras. Toen Ahasveros den rijkdom der heerlijkheid zijns rijks, en de kostelijkheid des sieraads zijner grootheid vertoonde in een maaltijd voor alle zijne vorsten, de grootste heren en de oversten der landschappen, waren de bedden, of rustbanken, waar zij op zaten, van goud en zilver, op een vloer van porfiersteen, van marmer en albast en kostelijke stenen, Esther 1:6. Onze Heere Jezus heeft bij een Goddelijken feestmaaltijd den rijkdom niet vertoond van een heerlijker koninkrijk dan dit was, en de sierlijkheid van uitnemender grootheid, de heerschappij namelijk over de natuur zelf, neen, er wordt hier niet eens een tafellaken gespreid, gene borden en servetten neergelegd, gene messen en vorken, ja er waren zelfs gene banken om op te zitten, maar daar het Christus' bedoeling is om de wereld terug te voeren naar de eenvoudigheid, en aldus ook naar de onschuld en het geluk van Adam in het paradijs, beval Hij hun neer te zitten op het gras. Door aldus alles te doen zonder vertoon van enigerlei praal of pracht, heeft Hij duidelijk aangetoond, dat Zijn koninkrijk niet was van deze wereld, en niet komt met uiterlijk gelaat.
2. Het bidden om een zegen. Hij heeft geen Zijner discipelen tot zijn kapelaan aangesteld, Hij zelf zag op naar den hemel, en zegende dezelve. Hij loofde God voor de spijze, die zij hadden, en bad God haar voor hen te zegenen. Zijn vragen om een zegen was een zegen gebieden, want Hij bad zoals Hij predikte, als machthebbende, en in dit bidden en danken kunnen wij onderstellen, dat Hij het in het bijzonder gedaan heeft met het oog op de vermenigvuldiging der spijze, maar hierin heeft Hij ons geleerd den goeden plicht te betrachten van te bidden en te danken bij onze maaltijden. Gods goede schepselen moeten met dankzegging genomen worden, 1 Timotheus 4:4. Samuël zegende den offermaaltijd, 1 Samuël 9:13, Handelingen 2:46, 47, 27:34, 35. Dit is eten en drinken ter ere Gods, 1 Corinthiërs 10:31, dit is God danken, Romeinen 14:6, dit is eten voor het aangezicht Gods, zoals Mozes en zijn schoonvader gedaan hebben, Ex:18:12. Toen Christus zegende, of dankte, zag Hij op naar den hemel, om ons te leren in het gebod God te beschouwen als een Vader in de hemelen, en als wij onze levensbenodigdheden erlangen, derwaarts heen te zien, als om ze uit Gods hand te ontvangen, en op Hem te betrouwen voor den zegen.
3. Het voorsnijden der spijze. De gastheer zelf was de Hoofd-voorsnijder, want Hij brak de broden, en gaf ze den discipelen, en de discipelen aan de scharen. Christus bedoelde hiermede Zijne discipelen te eren, opdat zij geëerbiedigd zouden worden als medearbeiders met Hem, en tevens om aan te duiden op wat wijze het geestelijk voedsel der wereld aan de wereld uitgereikt moest worden: van Christus, als den oorspronkelijken Werker, door Zijne dienstknechten. Wat Christus voor Zijne kerk bestemd heeft, heeft Hij Zijn dienstknecht Johannes te kennen gegeven, Openbaring 1:1, 4. Zij hebben ook datgene, en datgene alleen, overgegeven, wat zij van den Heere ontvangen hebben, 1 Corinthiërs 11:23. De leraren kunnen nooit het hart der mensen vullen, tenzij Christus eerst hun handen gevuld heeft, en wat Hij aan de discipelen heeft gegeven, dat moeten zij geven aan de scharen, want zij zijn rentmeesters, om aan ieder zijn deel van het voedsel te geven, Hoofdstuk 24:45. En, geloofd zij God! hoe groot de schare ook zij, er is genoeg voor allen, genoeg voor ieder.
4. De vermenigvuldiging der spijze. Alleen de uitwerking, het gevolg, wordt vermeld, niet de oorzaak, noch de manier, waarop het geschiedde. Er wordt ons geen bericht gegeven van een woord, door Christus hierbij gesproken, en waardoor de spijze vermenigvuldigd werd. De voornemens en de bedoelingen van Zijn hart en Zijn wil komen tot stand, al worden zij ook niet uitgesproken, maar het is opmerkelijk, dat de spijze niet vermenigvuldigd werd toen zij nog als op een hoop bij elkaar lag, maar terwijl zij uitgedeeld werd. Gelijk de olie der weduwe toenam terwijl zij uitgegoten werd, zo werd hier het brood vermenigvuldigd terwijl het werd gebroken. Aldus neemt de genade toe, als zij in werking is, en terwijl andere dingen door het gebruik slijten en vergaan, zullen geestelijke gaven door het gebruik toenemen. God verschaft zaad aan den zaaier, maar Hij vermenigvuldigt niet het bewaarde zaad, maar het gezaaide zaad, 2 Corinthiërs 9:10. Aldus is er een, die uitstrooit, dewelke nog meer toegedaan wordt, die uitstrooit, en daardoor toeneemt.
VI. De overvloedige verzadiging van al de gasten. Hoewel de onevenredigheid zo groot was, was er toch genoeg en meer dan genoeg, want er bleef over.
1. Er was genoeg: Zij aten allen en werden verzadigd. Zij, die door Christus worden gevoed, worden ook door Hem verzadigd, aldus luidt de belofte, Psalm 37:19. Zij zullen verzadigd worden. Daar er voor allen genoeg was, hebben zij allen gegeten, en er was zo voor allen genoeg, dat zij verzadigd werden. Hoewel er zo weinig was, was er genoeg, en dat is even goed als een feestmaaltijd. De zegen Gods kan het weinige heel ver doen strekken, gelijk als, van den anderen kant, wanneer God hetgeen wij hebben verzengt en doet verdorren, wij eten, maar niet tot verzadiging, Haggai 1:6. 2. Er bleef nog over, Zij namen op, het overschot der brokken, twaalf volle korven, ene korf voor iedere apostel. Wat zij dus gaven, ontvingen zij terug, en nog veel meer daarenboven, en zij waren zo weinig kieskeurig, dat zij die resten zeer gaarne voor een volgend maal wilden gebruiken, en er dankbaar voor zullen zijn. Dit was om het wonder duidelijk en onmiskenbaar te maken en het te verheerlijken, en ook om aan te tonen, dat Christus de Zijnen niet karig, maar mild en overvloedig verzorgt, overvloed van brood. Lukas 15:17, ene overvloeiende volheid. Elisa's vermenigvuldiging der broden was enigszins hieraan gelijk, hoewel het er toch ver beneden bleef, en toen werd gezegd: Men zal eten en overhouden, 2 Koningen 4:43. Het is dezelfde Goddelijke macht, hoewel uitgeoefend op de gewone wijze, die elk jaar het gezaaide zaad in den grond vermenigvuldigt, en het land zijne inkomst geeft, zodat, hetgeen bij handvollen uitging, in schoven wederkeert. Dat is van den Heere geschied. Het is door Christus, dat alle natuurlijke dingen bestaan, en door het woord Zijner kracht worden zij onderhouden.