Markus 15:33-41
Wij hebben hier het verhaal van Jezus' sterven, hoe Zijne vijanden Hem smaadden en God Hem eerde bij Zijn dood.
I. Er werd een zware duisternis over de gehele aarde, welke drie uren aanhield, van den middag tot drie uur na den middag. Nu is de Schrift vervuld geworden: Ik zal de zon op den middag doen ondergaan, en het land bij lichten dag verduisteren, Amos 8:9, en Jeremia 15:9. Haar zon is ondergegaan als het nog dag was. De Joden hadden dikwijls van Christus een teken van den hemel begeerd, en nu hadden zij er een, maar zulk een, dat de verblinding hunner ogen betekende. Het was een teken van de duisternis, die reeds gekomen was en nog komen zou over de kerk en het volk der Joden. Zij deden al wat zij konden om de Zon der gerechtigheid uit te blussen, die nu onderging, en waarvan zij het weder opgaan nooit zullen willen erkennen, wat kon men dan anders dan een erger dan Egyptische duisternis bij hen verwachten? Voor hen betekende dit, dat hetgeen tot hun vrede diende nu voor hun ogen werd verborgen, en dat de dag des Heeren nabij was, die voor hen een dag van duisternis en donkerheid zou zijn, Joël 2:12. Het was de macht der duisternis, waaronder zij zich nu bevonden, het waren de werken der duisternis, die zij nu deden, en zodanig zal het rechtvaardig oordeel zijn over hen, die de duisternis liever gehad hebben dan het licht.
II. Tegen het eindigen van deze duisternis heeft onze Heere Jezus in de benauwdheid Zijner ziel uitgeroepen: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? vers 34. De duisternis betekende de wolk, waaronder de menselijke ziel van Christus nu was, toen Hij haar tot een offer stelde voor de zonde. In zijn boek "Acts and Monuments, (vol. III, p. 160) verhaalt Fox van enen Dr. Hunter, een martelaar uit den tijd van Maria de Bloeddorstige, die, toen hij aan den paal werd vastgebonden om verbrand te worden, dit korte gebed opzond: "Zone Gods, bestraal mij," en onmiddellijk kwam de zon aan den hemel uit een donkere wolk te voorschijn, en scheen hem zo in het gelaat, dat hij genoodzaakt was naar een anderen kant te zien, hetgeen hem tot groten troost was. Onzen Heere Jezus daarentegen werd het licht der zon ontzegd, toen Hij in Zijn lijden was, om aan te duiden dat het licht van Gods aangezicht Hem was onttrokken. En hierover heeft Hij meer geklaagd dan over iets anders, Hij heeft er niet over geklaagd, dat Zijne discipelen Hem hebben verlaten, maar wèl over het verlaten zijn door Zijn Vader.
1. Omdat Zijn geest hierdoor verslagen werd, en dat is iets, pijnlijk en moeilijk te dragen, Spreuken 18:14, dit bracht de wateren tot aan Zijne ziel, Psalm 69:2-4.
2. Omdat Hij inzonderheid hierin zonde voor ons werd gemaakt, onze ongerechtigheden hadden toorn en verbolgenheid verdiend, Romeinen 2:8, en daarom heeft Christus, tot een offer gesteld zijnde, zoveel er van ondergaan als Hij kon, en dit moest wel zwaar en hard vallen aan Hem, die van eeuwigheid af in den schoot des Vaders is geweest, en altijd Zijne vermakingen is geweest. Deze tekenen van den Goddelijken toorn, waaronder Christus zich bevond in Zijn lijden, waren als dat vuur van den hemel, dat in buitengewone gevallen werd gezonden om de offers te verteren, Leviticus 9:24, 2 Kronieken 7:1, 1 Kronieken 18:38, en het is altijd een teken geweest van Gods welbehagen. Het vuur, dat op den zondaar had moeten vallen, indien God niet verzoend ware geworden, viel op het offer, ten teken dat Hij verzoend was, daarom viel het nu op Christus, en heeft Hem dien luiden en bitteren kreet ontwrongen. Toen Paulus als een drankoffer geofferd stond te worden ten dienste der heiligen, kon hij zich verblijden, Filippenzen 2:17, maar gans wat anders is het om geofferd te worden als een offer voor de zonde van zondaren. En nu, van de zesde ure tot aan de negende ure, werd de zon verduisterd door een buitengewone zoneclips, en als het waar is wat de sterrenkundigen berekenen, dat er in den avond van den dag, waarop Christus gestorven is, een maaneclips was, die natuurlijk was en verwacht werd, en zeven twaalfden van de middellijn der maan verduisterd werden, en van vijf tot zeven uur heeft geduurd, dan is dit merkwaardig en nog van meer betekenis van de duisternis, die toen heerste. Als de zon verduisterd zal worden, zal ook de maan haar schijnsel niet geven.
III. Christus, gebed werd door de bijstanders bespot, vers 35, 36, omdat Hij riep Eli, Eli, (of gelijk Markus het vermeldt naar het Syrische dialect Eloi, Eloi), zeiden zij: Hij roept Elia, hoewel zij zeer goed wisten wat hij zei, en wat het betekende, namelijk Mijn God, Mijn God. Zo hebben zij Hem voorgesteld als biddende tot heiligen, hetzij omdat Hij God had verlaten, of dat God Hem had verlaten, en hierdoor wilden zij Hem al meer en meer gehaat maken bij het volk. Een hunner "vulde een spons met edik" en reikte ze Hem toe op een riet stok. "Laat hem hiermede zijn mond verkoelen, die drank is goed genoeg voor hem," vers 36. Dit was bedoeld als nog een belediging en smaad, en wie het ook was die hem, die het deed weerhield, deed dit slechts om nog meer smaad over den lijder uit te storten. "Houd stil, hij heeft om Elias geroepen, laat ons zien of Elias komt om hem af te nemen, en zo niet, dan kunnen wij hieruit besluiten, dat ook hij hem heeft verlaten."
IV. Wederom riep Jezus met een grote stem, en gaf den geest, vers 37. Nu beval Hij Zijn geest in de handen Zijns Vaders, en hoewel God door geen "lichamelijke oefening" bewogen wordt, heeft toch deze grote stem de grote kracht en vurigheid van geest te kennen gegeven, waarmee Hij tot God riep, om ons te leren om in alles, waarmee wij met God te doen hebben, onze uiterste krachten aan te wenden, en al de plichten van den Godsdienst, inzonderheid dien van onderworpenheid en overgave van ons zelven, van ganser harte te volbrengen, en dan, al zou ook de spraak ons begeven, zodat wij niet, evenals Christus, met een grote stem kunnen roepen, maar God de sterkte is van ons hart, zal dit ons niet begeven. Christus was wezenlijk en werkelijk dood, want Hij gaf den geest, Zijn menselijke ziel ging heen naar de wereld der geesten, en liet Zijn lichaam achter als een stuk leem, waarin geen adem is.
V. Juist op het ogenblik, dat Christus op den berg Calvarië stierf, werd het voorhangsel van den tempel in tweeën gescheurd van boven tot beneden, vers 38. Dit had een zeer grote betekenis, en er werd zeer veel mede te kennen gegeven.
1. Verschrikking voor de ongelovige Joden, want het was een voorteken van de uiterste verwoesting van hun kerk en volk, die niet lang daarna plaatshad. Het was als een verbreken van den stok lieflijkheid, of schoonheid (want dit voorhangsel was buitengewoon prachtig en heerlijk, Exodus 26:31), en dit geschiedde terzelfder tijd, dat zij voor Zijn prijs dertig zilverlingen hebben gegeven. Zacheria 11:10, 12, om het verbond teniet te doen, dat Hij met dat volk gemaakt had. Sommigen denken dat hetgeen Josephus verhaalt van de tempeldeur, die vanzelf geopend werd, en de stem, die riep: "Laat ons van hier gaan", enige jaren voor de verwoesting van Jeruzalem, hetzelfde is als wat hier vermeld wordt, doch dat is niet waarschijnlijk, hoewel het dezelfde betekenis had, overeenkomstig Hosea 5:14 :ik zal verscheuren en heengaan. 2. Het spreekt van grote vertroosting voor alle gelovige Christenen, want het betekent de inwijding en het openleggen voor ons van een versen en levenden weg tot het heiligdom door het bloed van Jezus.
VI. De hoofdman, die het bevel had over het detachement, dat de wacht moest houden bij de tenuitvoerlegging van het doodvonnis, werd overtuigd, en beleed het ook, dat Jezus de Zoon van God was, vers 39. Een zaak, die hem tot deze overtuiging bracht, was dat Hij alzo roepende den geest gegeven had, dat iemand, op het ogenblik, dat hij den geest gaf, instaat was zo te roepen, was zeer verbazingwekkend. Bij alle droevige tonelen van die soort had hij nooit iets dergelijks waar. genomen, en dat iemand, die de kracht had om zo luid te roepen, toch onmiddellijk den geest geeft, ook dit baarde hem grote verwondering, en hij zei tot eer van Christus en tot beschaming van hen, die Hem bespotten en smaadden: Waarlijk, deze mens was Gods Zoon! Maar welke reden had hij om dit te zeggen? Ik antwoord:
1. Hij had reden te zeggen, dat Hij onrechtvaardig leed, en dat Hem zeer groot onrecht was geschied. Hij leed omdat Hij gezegd had dat Hij Gods Zoon was, en het was waar, Hij heeft dit gezegd, zodat, indien Hij onrechtvaardig leed, gelijk duidelijk bleek uit al de omstandigheden van Zijn lijden, dan was ook waar wat Hij zei, en dat was Hij inderdaad Gods Zoon.
2. Hij had reden te zeggen, dat Hij een gunstgenoot des hemels was, voor wie de almachtige kracht Gods werkte, daar de hemel Hem eerde bij Zijn dood, en een toornig gelaat toonde aan Zijne vervolgers. "Voorzeker," denkt hij, "dit moet een Goddelijk persoon wezen, zeer bemind door God". Dit drukt hij uit in zulke bewoordingen, als waardoor Zijn eeuwige generatie als God, en Zijn bijzondere bestemming voor het ambt van Middelaar, werden aangeduid, hoewel hij dit niet zo bedoelde. Zelfs in de diepte van Zijn lijden en Zijne vernedering was onze Heere Jezus de Zoon van God, en Hij is krachtelijk bewezen dit te zijn. V
II. Er waren sommigen van Zijne vrienden, inzonderheid de Godvruchtige vrouwen, die Hem hadden gediend, vers 40, 41. "Er waren ook vrouwen, van verre dit aanschouwende". De mannen durfden zich in het geheel niet laten zien, het grauw was zo woedend en gewelddadig, Currenti cede furori - ga den onstuimigen bergstroom uit den weg, vonden zij thans een goeden raad. De vrouwen durfden niet naderbij komen, maar stonden van verre, overstelpt van smart. Sommigen van die vrouwen worden hier genoemd. Maria Magdalena, zij is Zijne patiënt geweest, en had al hare vertroosting en lieflijkheid te danken aan Zijne goedheid en macht, waardoor zij verlost was geworden van de zeven duivelen, die haar hadden bezeten, en daarom dacht zij nooit genoeg voor Hem te kunnen doen om Hem hare dankbaarheid te bewijzen. Ook Maria was daar, de moeder van Jakobus, den kleine, Jacobus parvus, is het woord, waarschijnlijk aldus genoemd, omdat hij, evenals Zacheus, klein van gestalte was. Deze Maria was de huisvrouw van Klopas, of Alfeus, en zuster van de maagd Maria. Deze vrouwen waren Christus gevolgd van Galilea, hoewel het van haar niet geëist werd, evenals van de mannen, om het feest bij te wonen, maar het is waarschijnlijk, dat zij kwamen in de verwachting, dat Zijn aards koninkrijk nu weldra opgericht zou worden, en grote hoop hadden op bevordering daarin voor haar zelven en hare nabestaanden. Het blijkt duidelijk, dat dit het geval was met de moeder der zonen van Zebedeus, Mattheus 20:21, en Hem nu aan het kruis te zien, dien zij gedacht hadden op een troon te zien, kon niet anders dan een grote teleurstelling voor haar wezen. Zij, die Christus volgen, grote dingen van Hem verwachtende voor deze wereld en door de belijdenis van Zijn Godsdienst, zullen zeer waarschijnlijk droevige teleurstellingen opdoen.